Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3896

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201202897/1/A1 en 201202897/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2011 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00 ineens gelast om het zwembad op het perceel [locatie] te Nijmegen (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3902

Uitspraak

201202897/1/A1 en 201202897/2/A1.

Datum uitspraak: 20 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Nijmegen,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 8 februari 2012 in zaak nrs. 11/5145 en 11/5146 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2011 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00 ineens gelast om het zwembad op het perceel [locatie] te Nijmegen (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 1 juni 2011 heeft het college geweigerd [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen ter legalisering van het op het perceel geplaatste zwembad.

Bij besluit van 18 oktober 2011 heeft het college de door [appellant] tegen de besluiten van 18 februari 2011 en 1 juni 2011 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en deze besluiten in stand gelaten.

Bij uitspraak van 8 februari 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2012, hoger beroep ingesteld. Bij dezelfde brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De gronden van het verzoek zijn aangevuld bij brief van 3 april 2012.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 april 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.G. Blasweiler, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingplan "Broersveld-Kwakkenberg 1971" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de gronden waar het zwembad is gelegen de bestemming "Natuurgebied".

Ingevolge Hoofdstuk II, categorie 9, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de als zodanig op de kaart aangegeven gronden bestemd voor natuur- en landschapsbehoud en passieve recreatie, met daartoe nodige kleine gebouwen, bouwwerken en werken.

2.3. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, de omgevingsvergunning slechts worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder 3, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor), komt voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of een beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mits niet hoger dan 10 m en de oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m².

Ingevolge artikel 1, onder 12, van de "Beleidsregels met betrekking tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 2.12 lid 1, onder a, onder 2° Wabo, juncto Bijlage II, artikel 4, van het Bor", wordt onder "bouwperceel" verstaan: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het bestemmingsplan of (indien van toepassing) de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

Ingevolge artikel 1, onder 14, wordt onder "bouwvlak" verstaan: het deel van het bouwperceel, gelegen achter de voorgevelrooilijn, waarop het bestemmingsplan of (indien van toepassing) de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening de bouw van hoofdgebouwen toestaat.

Ingevolge artikel 1, onder 16, wordt onder "erf" verstaan: de gronden van het bouwperceel, gelegen buiten het bouwvlak. Welk deel van het bouwperceel erf is en waar de grens tussen erf en tuin ligt, wordt bepaald aan de hand van de stedenbouwkundige matrix, die onderdeel vormt van deze beleidsregels.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, voor zover thans van belang, verlenen burgemeester en wethouders voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, indien en voor zover dit een overkapping, zwembad, jacuzzi of gebouwde vijver bij een woning betreft, toestemming om af te wijken van het bestemmingsplan als voldaan wordt aan het gestelde in de stedenbouwkundige matrix (artikel 5) en de daarbij behorende kaart van gebiedstypen (artikel 6). Als hier niet aan wordt voldaan, wordt de toestemming geweigerd.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder 19, zijn op het erf zwembaden, jacuzzi's en gebouwde vijvers, alsmede de daarvoor benodigde bouwwerken toegestaan, mits het totaal aan bebouwde oppervlakte van bouwwerken op het erf ten hoogste 75% van het oppervlakte van het erf bedraagt, met een maximum van 75 m².

Ten aanzien van de geweigerde omgevingsvergunning

2.4. Vast staat dat het zwembad op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college op grond van de beleidsregels gehouden was hem een omgevingsvergunning voor het zwembad te verlenen. Volgens [appellant] is het zwembad gelegen achter de achtergevelrooilijn en ligt het daarom op het erf. De rechtbank heeft volgens hem voorts miskend dat ook het perceel, voor zover gelegen buiten het bestemmingsplan "Broersveld-Kwakkenberg 1971-1970" als bouwperceel moet worden aangemerkt. Daarmee voldoet het zwembad aan de beleidsregels, zodat de omgevingsvergunning hem had moeten worden verleend, aldus [appellant].

2.5.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het betoog dat het verlenen van een omgevingsvergunning mogelijk is op grond van de beleidsregels, faalt. Daarbij heeft zij terecht in aanmerking genomen dat ingevolge artikel 5, aanhef en onder 19, van de beleidsregels een zwembad slechts op het erf mag worden gerealiseerd. Anders dan [appellant] stelt, ligt het zwembad niet op het erf, nu een erf als bedoeld in artikel 1, onder 16, van de beleidsregels onderdeel uitmaakt van het bouwperceel en het zwembad daarbuiten is gelegen. Het zwembad is gelegen op gronden met de bestemming "Natuurgebied", dat ter plaatse van het zwembad geen bouwperceel kent. Dat bij de op 6 juli 2005 door de raad van de gemeente Nijmegen vastgestelde herziening van het bestemmingsplan "Broersveld-Kwakkenberg 1971-1970", uitbreiding van de woning op het perceel mogelijk is gemaakt, waarbij het bouwperceel vrijwel direct om de bestaande woning heen is geprojecteerd, betekent, anders dan [appellant] stelt, niet dat daarmee het bouwperceel over het gehele perceel is uitgebreid.

Nu het zwembad niet voldoet aan de voorschriften als gesteld in de beleidsregels en volgens de beleidsregels in een zodanig geval toestemming wordt geweigerd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren met verwijzing naar de beleidsregels.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van het college van provinciale staten van Gelderland om het plangebied onderdeel te maken van de Ecologische Hoofdstructuur eerst op 1 juli 2009 in werking is getreden en het zwembad toen reeds zeer lang op het perceel aanwezig was.

Het college heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning reeds niet kan worden verleend omdat het zwembad niet voldoet aan de voorschriften in de beleidsregels.

Ten aanzien van de last onder dwangsom

2.7. De conclusie is dat het zwembad is gebouwd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.8. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de handhaving dermate onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan in redelijkheid had moeten worden afgezien.

Hij voert daartoe aan dat in tegenstelling tot hetgeen het college stelt, er nooit sprake is geweest van een klacht over het zwembad. Daarnaast wijst hij erop dat hij door middel van een deskundigenrapport heeft aangetoond dat de natuurwaarden in de omgeving niet worden aangetast door de aanwezigheid van het zwembad en dat verwijdering van het zwembad onevenredig hoge kosten met zich brengt.

2.8.1. Anders dan [appellant] stelt, heeft de rechtbank in het aangevoerde omtrent de afwezigheid van een klacht over het zwembad, wat daarvan zij, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college in redelijkheid van de handhaving had moeten afzien. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat los van de vraag hoe de melding die blijkens het besluit van 18 oktober 2011 op 6 juni 2007 bij het college is gedaan over het zwembad moet worden gekwalificeerd, het college vanaf dat moment op de hoogte was van de aanwezigheid van het zwembad en daarom gelet op het algemeen belang dat is gediend bij handhavend optreden, het college vanaf dat moment verplicht was dat te doen.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat voor zover [appellant] stelt dat het zwembad ter plaatse aan de bestemming "Natuurgebied" niet afdoet, dit een afweging betreft die bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden, waarbij er niet voor is gekozen om ter plaatse een zwembad toe te staan, terwijl, zoals hiervoor onder 2.4.1 is overwogen, het college mocht weigeren van dat bestemmingsplan af te wijken ten behoeve van het zwembad.

Verder heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat uit het door [appellant] in het geding gebrachte rapport "Quickscan Flora en Fauna [locatie]" van Econsultancy van 13 januari 2012 niet blijkt dat verwijdering van het zwembad meer schade aan de natuur toebrengt dan het laten voortbestaan daarvan. Evenmin vormt de door [appellant] gestelde aanzienlijke kosten van de verwijdering van het zwembad grond voor het oordeel dat het besluit van 18 oktober 2011 niet in stand kan blijven. Nu zonder de benodigde vergunning is gebouwd is dat een risico dat voor rekening van [appellant] komt.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel van [appellant] slaagt evenmin. De omstandigheden waaronder hij zijn aanvraag om bouwvergunning van 29 augustus 2007 heeft ingetrokken, wat daarvan zij, leiden er niet toe dat hij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat hem een omgevingsvergunning zou worden verleend, dan wel dat van handhaving zou worden afgezien.

Het betoog faalt.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2012

357-641.