Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3893

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201109104/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststellen rijksbijdrage 2009. Daarbij is de opleiding Informatica en Informatiekunde (hierna: de opleiding I&I), waarvoor per 1 september 2003 geen nieuwe studenten worden toegelaten, niet aangemerkt als opleiding in afbouw, maar als stabiele opleiding, waarvan de onderwijsvraagfactor wordt berekend aan de hand van de formule in art. 4.14, lid 3 van het uitvoeringsbesluit. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de opleiding I&I is voortgezet in de opleiding Informatica (hierna: de opleiding I) en de opleiding Bedrijfskundige Informatica (hierna: de opleiding BI).

De Rb. heeft, onder verwijzing naar de nota van toelichting bij het uitvoeringsbesluit, geoordeeld dat de opleiding I&I niet kan worden geacht te zijn voorgezet in de opleiding I en opleiding BI (hierna ook: de opleidingen I en BI), omdat de opleidingen I en BI tezamen niet dezelfde studielast hebben als de opleiding I&I. De opleiding I&I moet daarom worden aangemerkt als opleiding in afbouw, waarvoor op grond van art. 4.16, lid 2 van het uitvoeringsbesluit een onderwijsvraagfactor moet worden toegepast die gelijk is aan 0,945.

Uit art. 4.16, lid 2 van het uitvoeringsbesluit vloeit voort dat een opleiding die is voortgezet in een andere opleiding die behoort tot dezelfde groep van opleidingen moet worden beschouwd als een stabiele opleiding. Opleidingen die behoren tot dezelfde hoofdgroep en een gelijke studielast hebben, vormen een groep, zo volgt uit bijlage 5 van het uitvoeringsbesluit.

Niet in geschil is dat in 2003 een herschikking van het ICT-opleidingenaanbod heeft plaatsgehad. De vier op dat moment bestaande informaticaopleidingen van de hogescholen zijn daarbij één op één omgevormd tot drie nieuwe informaticaopleidingen. Daarbij is voor de opleiding I&I van de stichting een uitzondering gemaakt. In de brieven van de HBO-raad van 2 april en 6 mei 2002 is vermeld dat die opleiding wordt omgevormd tot twee nieuwe opleidingen, te weten de opleiding BI en de opleiding I dan wel de opleiding Technische Informatica. Dit volgt ook uit de formulieren ten behoeve van de inschrijving van de opleidingen I en BI in het CROHO op 27 februari 2002. De stichting heeft daarin vermeld dat het om conversie van de opleiding I&I gaat.

Nu voor de vraag of de opleiding wordt voortgezet in een andere opleiding van belang is of de opleiding behoort tot dezelfde groep van opleidingen is, anders dan de stichting betoogt, niet vereist dat de opleiding die wordt voortgezet inhoudelijk geheel hetzelfde blijft en dat studenten hun studie moeten kunnen voortzetten in de nieuwe opleiding. Dat de opleidingen I en BI meer gespecialiseerde opleidingen zijn en inhoudelijk niet geheel gelijk aan de brede opleiding I&I, betekent derhalve niet dat zij geen voortzetting zijn van de opleiding I&I en moeten worden aangemerkt als nieuwe opleidingen. Dit kan tevens worden afgeleid uit het feit dat voor de opleidingen I en BI geen toets nieuwe opleiding heeft plaatsgehad, die vereist is voor de registratie van nieuwe opleidingen in het CROHO en dat zij niet worden bekostigd als opleiding in opbouw. Gelet daarop moeten de opleidingen I en BI worden beschouwd als voortzetting van de opleiding I&I.

Anders dan de Rb. heeft overwogen, moet bij beantwoording van de vraag of de opleidingen waarin de opleiding I&I is voortgezet dezelfde studielast hebben, niet de studielast van de opleidingen tezamen worden betrokken, maar de studielast van de afzonderlijke opleidingen.

Nu de opleiding I&I bij de herschikking van het ICT-opleidingenaanbod is omgezet in de opleidingen I en BI en deze opleidingen evenals de opleiding I&I een studielast van 240 studiepunten hebben en tot dezelfde hoofdgroep behoren, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de opleiding I&I moet worden beschouwd als stabiele opleiding.

Gelet op het vorenstaande heeft de Rb. ten onrechte geoordeeld dat de opleiding I&I moet worden aangemerkt als opleiding in afbouw. Gegrond hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109104/1/A2.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 juli 2011 in zaak nr. 10/6417 in het geding tussen:

de stichting Stichting Hoger Beroepsonderwijs Haaglanden en Rijnstreek, gevestigd te 's-Gravenhage (hierna: de stichting)

en

de staatssecretaris.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2009 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de rijksbijdrage voor de stichting voor het jaar 2009 vastgesteld.

Bij besluit van 5 augustus 2010 heeft de staatssecretaris het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 augustus 2010 vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van haar uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 september 2011.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 8 september 2011 heeft de staatssecretaris, ter uitvoering van de uitspraak van 13 juli 2011, opnieuw op het door de stichting tegen het besluit van 16 april 2009 gemaakte bezwaar beslist en dit gegrond verklaard.

Bij brief van 22 december 2011 heeft de stichting hierop een schriftelijke reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2012, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. B.J. de Koning, mr. M.J. Minkhorst en B.A. Broerse, allen werkzaam bij het ministerie, en de stichting, vertegenwoordigd door mr. J.B.M. Veenhuys, juridisch adviseur te Amsterdam, en mr. C.A. Tiel, drs. J.J. Vleeskens en M.M.M. van der Geest, allen werkzaam bij de stichting, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.5, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) wordt de rijksbijdrage berekend op de grondslag van een algemene berekeningswijze.

Ingevolge artikel 2.6, eerste lid, wordt de in artikel 2.5, eerste lid, bedoelde algemene berekeningswijze bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.

Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (hierna: het uitvoeringsbesluit) stelt de minister jaarlijks, in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de begroting van het ministerie die voor het desbetreffende begrotingsjaar is vastgesteld, de omvang vast van de landelijk beschikbare rijksbijdrage voor de instellingen die onderwijs verzorgen of onderzoek verrichten op een ander gebied dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, en de omvang van delen daarvan.

Ingevolge het derde lid bestaat de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid, uit:

[…].

b. een onderwijsdeel hbo;

[…].

Ingevolge artikel 4.12, eerste lid, wordt een door de minister te bepalen deel van het onderwijsdeel hbo over de hogescholen verdeeld naar rato van de opleiding-gewogen onderwijsvraag van de hogescholen.

Ingevolge het derde lid is de opleiding-gewogen onderwijsvraag van een hogeschool gelijk aan het totaal van het volgens artikelen 4.14 tot en met 4.18 berekende onderwijsvraag van de door de desbetreffende hogeschool verzorgde opleidingen, nadat deze per opleiding is vermenigvuldigd met de factor behorend bij het bekostigingsniveau van de desbetreffende opleiding.

Ingevolge artikel 4.14, tweede lid, wordt de onderwijsvraag van een opleiding bepaald door de onderwijsvraagfactor voor de groep van opleidingen waartoe de opleiding behoort, te vermenigvuldigen met het aantal studenten dat op de peildatum staat ingeschreven voor de desbetreffende opleiding.

Het derde lid bevat de formule waarmee de onderwijsvraagfactor van een groep van opleidingen wordt berekend.

Ingevolge artikel 4.16, tweede lid, is in afwijking van artikel 4.14, derde lid, de onderwijsvraagfactor voor een opleiding waarvoor blijkens het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (hierna: het CROHO) in de peilperiode en op de peildatum geen nieuwe studenten kunnen worden ingeschreven en die niet is voortgezet in een andere opleiding die behoort tot dezelfde groep van opleidingen, gelijk aan 0,945.

2.2. Bij besluit van 16 april 2009, zoals gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 5 augustus 2010, heeft de staatssecretaris de rijksbijdrage voor de stichting voor het jaar 2009 vastgesteld. Daarbij heeft hij de opleiding Informatica en Informatiekunde (hierna: de opleiding I&I), waarvoor per 1 september 2003 geen nieuwe studenten worden toegelaten, niet aangemerkt als opleiding in afbouw, maar als stabiele opleiding, waarvan de onderwijsvraagfactor wordt berekend aan de hand van de formule in artikel 4.14, derde lid, van het uitvoeringsbesluit. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de opleiding I&I is voortgezet in de opleiding Informatica (hierna: de opleiding I) en de opleiding Bedrijfskundige Informatica (hierna: de opleiding BI).

2.3. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de nota van toelichting bij het uitvoeringsbesluit, geoordeeld dat de opleiding I&I niet kan worden geacht te zijn voorgezet in de opleiding I en opleiding BI (hierna ook: de opleidingen I en BI), omdat de opleidingen I en BI tezamen niet dezelfde studielast hebben als de opleiding I&I. De opleiding I&I moet daarom worden aangemerkt als opleiding in afbouw, waarvoor op grond van artikel 4.16, tweede lid, van het uitvoeringsbesluit een onderwijsvraagfactor moet worden toegepast die gelijk is aan 0,945.

2.4. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de opleiding I&I moet worden beschouwd als stabiele opleiding. Vanwege de behoefte in het afnemende beroepenveld aan monodisciplinaire opleidingen en duidelijker profielen, heeft in 2003 een herschikking van het ICT-opleidingenaanbod plaatsgehad. Daarbij is de opleiding I&I omgezet in de opleidingen I en BI. De opleidingen I en BI hebben evenals de opleiding I&I een studielast van 240 studiepunten en behoren tot dezelfde groep van opleidingen. De opleiding I&I is derhalve voortgezet in een andere opleiding binnen dezelfde groep van opleidingen en moet daarom als stabiele opleiding worden beschouwd.

2.4.1. Uit artikel 4.16, tweede lid, van het uitvoeringsbesluit vloeit voort dat een opleiding die is voortgezet in een andere opleiding die behoort tot dezelfde groep van opleidingen moet worden beschouwd als een stabiele opleiding. Opleidingen die behoren tot dezelfde hoofdgroep en een gelijke studielast hebben, vormen een groep, zo volgt uit bijlage 5 van het uitvoeringsbesluit.

2.4.2. Niet in geschil is dat in 2003 een herschikking van het ICT-opleidingenaanbod heeft plaatsgehad. De vier op dat moment bestaande informaticaopleidingen van de hogescholen zijn daarbij één op één omgevormd tot drie nieuwe informaticaopleidingen. Daarbij is voor de opleiding I&I van de stichting een uitzondering gemaakt. In de brieven van de HBO-raad van 2 april en 6 mei 2002 is vermeld dat die opleiding wordt omgevormd tot twee nieuwe opleidingen, te weten de opleiding BI en de opleiding I dan wel de opleiding Technische Informatica. Dit volgt ook uit de formulieren ten behoeve van de inschrijving van de opleidingen I en BI in het CROHO op 27 februari 2002. De stichting heeft daarin vermeld dat het om conversie van de opleiding I&I gaat.

Nu voor de vraag of de opleiding wordt voortgezet in een andere opleiding van belang is of de opleiding behoort tot dezelfde groep van opleidingen is, anders dan de stichting betoogt, niet vereist dat de opleiding die wordt voortgezet inhoudelijk geheel hetzelfde blijft en dat studenten hun studie moeten kunnen voortzetten in de nieuwe opleiding. Dat de opleidingen I en BI meer gespecialiseerde opleidingen zijn en inhoudelijk niet geheel gelijk aan de brede opleiding I&I, betekent derhalve niet dat zij geen voortzetting zijn van de opleiding I&I en moeten worden aangemerkt als nieuwe opleidingen. Dit kan tevens worden afgeleid uit het feit dat voor de opleidingen I en BI geen toets nieuwe opleiding heeft plaatsgehad, die vereist is voor de registratie van nieuwe opleidingen in het CROHO en dat zij niet worden bekostigd als opleiding in opbouw. Gelet daarop moeten de opleidingen I en BI worden beschouwd als voortzetting van de opleiding I&I.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, moet bij beantwoording van de vraag of de opleidingen waarin de opleiding I&I is voortgezet dezelfde studielast hebben, niet de studielast van de opleidingen tezamen worden betrokken, maar de studielast van de afzonderlijke opleidingen.

Nu de opleiding I&I bij de herschikking van het ICT-opleidingenaanbod is omgezet in de opleidingen I en BI en deze opleidingen evenals de opleiding I&I een studielast van 240 studiepunten hebben en tot dezelfde hoofdgroep behoren, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de opleiding I&I moet worden beschouwd als stabiele opleiding.

2.4.3. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de opleiding I&I moet worden aangemerkt als opleiding in afbouw.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 5 augustus 2010 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Bij besluit van 8 september 2011 heeft de staatssecretaris, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank van 13 juli 2011, het door de stichting gemaakte bezwaar tegen het besluit van 16 april 2009 gegrond verklaard, de opleiding I&I voor de rijksbijdrage aangemerkt als opleiding in afbouw en de rijksbijdrage opnieuw vastgesteld.

Nu het besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, is door de vernietiging van die uitspraak de grondslag aan dat besluit komen te ontvallen, zodat het reeds daarom dient te worden vernietigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 juli 2011 in zaak nr. 10/6417;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond

IV. vernietigt het besluit van 8 september 2011.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

362-686.