Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3874

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201105678/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:BQ0127, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2009 heeft het college een aanvraag van [appellant] om ontheffing voor het innemen van een ligplaats met een kleine open motorboot (categorie II) ter plaatse van de [locatie] te Rumpt, perceel kadastraal bekend gemeente Deil, sectie O, nummer 3, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/191

Uitspraak

201105678/1/A3.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rumpt, gemeente Geldermalsen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 maart 2011 in zaak nr. 10/2179 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2009 heeft het college een aanvraag van [appellant] om ontheffing voor het innemen van een ligplaats met een kleine open motorboot (categorie II) ter plaatse van de [locatie] te Rumpt, perceel kadastraal bekend gemeente Deil, sectie O, nummer 3, afgewezen.

Bij besluit van 7 mei 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 juni 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Janus, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.T.G.M. van Dinther-Broeksteeg, R.H.J. van Eimeren en J.C. Ezendam, allen werkzaam bij het waterschap, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Scheepvaartverkeerswet wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, tenzij daarin anders is bepaald, verstaan onder scheepvaartwegen: voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande binnenwateren en de Nederlandse territoriale zee, daaronder begrepen de daarin aanwezige waterstaatswerken.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder g, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, tenzij daarin anders is bepaald, verstaan onder verkeersteken: een in, naast of boven een scheepvaartweg aangebracht voorwerp of aangebrachte combinatie van voorwerpen waarmee aan het scheepvaartverkeer wordt gegeven:

1°. een inlichting over de toestand van een bepaalde plaats in of een bepaald gedeelte van een scheepvaartweg, of

2°. een inlichting, aanbeveling, gebod of verbod onderscheidenlijk opheffing van een gebod of verbod voor het verkeersgedrag op een bepaalde plaats in of een bepaald gedeelte van een scheepvaartweg.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder h, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, tenzij daarin anders is bepaald, verstaan onder bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken: een schriftelijke mededeling aan het scheepvaartverkeer waarmee aan dat verkeer wordt gegeven:

1°. een inlichting over de toestand van een bepaalde plaats in of een bepaald gedeelte van een scheepvaartweg, of

2°. een inlichting, aanbeveling, gebod of verbod onderscheidenlijk opheffing van een gebod of verbod voor het verkeersgedrag op een bepaalde plaats in of een bepaald gedeelte van een scheepvaartweg.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, kan toepassing van artikel 4 ten behoeve van een in het eerste lid genoemd belang mede geschieden in het belang van het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden van een gebied waarin scheepvaartwegen zijn gelegen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, worden beslissingen met betrekking tot het aanbrengen of verwijderen van een verkeersteken genomen door het bevoegd gezag. Dit gezag draagt zorg voor het aanbrengen of verwijderen van verkeerstekens.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, kan van een gebod of verbod, aangegeven met een verkeersteken, door het bevoegd gezag, zo nodig onder beperkingen, vrijstelling of ontheffing worden verleend. Aan een besluit tot vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

Ingevolge het tweede lid wordt bij de toepassing van het eerste lid rekening gehouden met het belang of de belangen, ten dienste waarvan het desbetreffende gebod of verbod is gesteld.

Ingevolge artikel 8 zijn de artikelen 5 tot en met 7 van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer wordt in dit besluit verstaan onder:

a. wet: de Scheepvaartverkeerswet;

b. verkeersbesluit:

1°. een besluit tot het aanbrengen of verwijderen van een verkeersteken dat een gebod of verbod dan wel de opheffing van een gebod of verbod aangeeft;

2°. een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken als bedoeld onder 1°.

Ingevolge artikel 5 vermeldt de motivering van een verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het besluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 3 van de wet genoemde belangen aan het besluit ten grondslag liggen.

De Lingestoel van het Waterschap van de Linge, rechtsvoorganger van het college, heeft op 28 september 2000 een besluit genomen, betreffende een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken (hierna: het verkeersbesluit). Hierin is overwogen dat om reden van ordening van het scheepvaartverkeer, de belangen bij een ongehinderde doorvaart voor het scheepvaartverkeer, alsmede ter voorkoming of beperking van schade door de scheepvaart aan oevers en waterkeringen en ter voorkoming van schade aan landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden, het gewenst is een algemeen ligplaatsverbod in te stellen voor de Lingeboezem. Gelet hierop is het bij het verkeersbesluit, voor zover thans van belang, verboden op de vaarwegen binnen het beheersgebied van het Waterschap van de Linge ligplaats te nemen, te ankeren en/of te meren met een schip, een drijvend voorwerp en/of een drijvende inrichting.

Het college heeft beleidsregels omtrent ontheffingen van het ligplaatsverbod vastgesteld, neergelegd in het op 17 november 2006 in werking getreden Ontheffingenbeleid ligplaatsverbod Linge 2006 (algemene regels innemen ligplaats Lingeboezem; hierna: de beleidsregels).

Volgens hoofdstuk 2, onder 1, wordt van het ligplaatsverbod geen ontheffing verleend als de ligplaats wordt ingenomen buiten de bij dit beleid vastgestelde ligplaatszones.

Volgens hoofdstuk 2, onder 2, blijft voor een vaartuig dat een ligplaats inneemt binnen één van de genoemde ligplaatszones het ligplaatsverbod buiten toepassing, indien wordt voldaan aan zowel de algemene bepalingen als aan de bij de betreffende ligplaatszone genoemde algemene regels. Indien aan deze algemene bepalingen en algemene regels wordt voldaan, kan een ligplaats worden ingenomen zonder ontheffing.

In dit hoofdstuk wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende ligplaatszones, waarbij onder I. de ligplaatszone voor handmatig voortbewogen vaartuigen wordt genoemd. De exacte grootte en situering van de ligplaatszones is op bijgevoegde kaarten aangegeven.

2.2. Het college heeft aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd dat de insteekhaven op het perceel van [appellant], zijnde de beoogde ligplaats, deel uitmaakt van de vaarweg de Linge, waarvoor op grond van het verkeersbesluit een ligplaatsverbod geldt. Het heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat op grond van de beleidsregels geen ontheffing kan worden verleend voor het innemen van een ligplaats met een kleine motorboot in de insteekhaven. Ter plaatse is een ligplaatszone voor handmatig voortbewogen vaartuigen (categorie I) aangewezen, aldus het college.

2.3. [appellant] betoogt primair dat het verkeersbesluit met het daarin opgenomen ligplaatsverbod niet van toepassing is op de insteekhaven, zodat een ontheffing van dit verbod niet vereist is. Hij voert daartoe aan dat op grond van het verkeersbesluit het verboden is op de vaarwegen binnen het beheersgebied van het Waterschap van de Linge ligplaats in te nemen, maar dat dit besluit noch de Scheepvaartverkeerswet een definitie van het begrip vaarweg geven. Wel wordt dit begrip in het Binnenvaartpolitiereglement gedefinieerd als "elk voor het openbaar verkeer met schepen openstaand water", aldus [appellant]. Hij stelt dat de insteekhaven geheel binnen zijn perceel ligt en aan hem in eigendom toebehoort, zodat hij een exclusieve bevoegdheid heeft daarvan gebruik te maken. Voorts is de insteekhaven 4,5 bij 9,5 m² groot en biedt deze dus geen ruimte om door andere vaartuigen bevaren te worden. De insteekhaven maakt daarom geen deel uit van de vaarweg, aldus [appellant].

2.3.1. De beoogde ligplaats betreft een bij niet extreem hoge waterstanden inspringend deel van het water van de Linge. Uit het verkeersbesluit volgt dat het ligplaatsverbod geldt voor de Lingeboezem. In reactie op de beroepsgrond van [appellant] dat het begrip "Lingeboezem" in het verkeersbesluit niet is gedefinieerd, heeft het college in het verweerschrift in beroep nader toegelicht dat met dit begrip wordt gedoeld op het gebied van de Linge strekkend van dijk tot dijk. In dit verband heeft de gemachtigde van het college ter zitting bij de Afdeling desgevraagd verklaard dat de hoogte van de rivier kan variëren en het verkeersbesluit daarom in beginsel voor het gehele winterbed van de Linge geldt. Bij extreem hoge waterstanden zal de insteekhaven als zodanig niet te onderscheiden zijn van de rivier. De Afdeling ziet geen grond om deze toelichting onjuist te achten. Niet in geschil is dat de insteekhaven zich bevindt binnen het winterbed van de Linge en binnen het beheersgebied van het Waterschap van de Linge. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de insteekhaven onder het toepassingsgebied van het verkeersbesluit valt. Niet relevant is tot wiens eigendom de insteekhaven behoort. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college het in het verkeersbesluit opgenomen ligplaatsverbod terecht op de insteekhaven van toepassing heeft verklaard. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] voert subsidiair aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de insteekhaven is gelegen in de ligplaatszone die volgens de beleidsregels bestemd is voor handmatig voortbewogen vaartuigen. Hij betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat blijkens de blauwe lijn, waarmee op kaart 22 bij de beleidsregels de ligplaatszone is aangeduid, deze zone alleen ziet op dat deel van de oever van zijn perceel dat direct aan de natuurlijke loop van de Linge grenst en niet mede de insteekhaven omvat, terwijl bij andere inhammen een rasterarcering is gehanteerd. Volgens [appellant] heeft de rechtbank evenmin onderkend dat, anders dan het college heeft gesteld, de landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden van de omgeving door de aanwezigheid van zijn motorboot niet worden geschaad. In dit verband wijst hij erop dat het college tegen het aanwezig hebben van de motorboot boven het water van de insteekhaven geen bezwaren heeft. Het college had de gevraagde ontheffing dan ook dienen te verlenen, aldus [appellant].

2.4.1. Het college heeft ter zitting bij de rechtbank en bij de Afdeling desgevraagd toegelicht dat, gelet op het grote aantal insteekhavens, deze om praktische redenen niet allemaal met een blauwe lijn zijn ingekleurd, maar dat is bedoeld dat die havens evenzeer onder de ligplaatszone categorie I vallen. De Afdeling ziet met de rechtbank geen aanleiding niet van deze toelichting uit te gaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals het college ter zitting bij de Afdeling heeft getoond, op de kaarten behorend bij de beleidsregels de blauwe lijn is getekend over de kadastrale percelen waar inhammen van de Linge aanwezig zijn. Voorts wordt in de algemene regels voor de ligplaatszones categorieën II en III en in de algemene toelichting op de beleidsregels uitdrukkelijk gesproken over gevallen dat ligplaats in een insteekhaven wordt ingenomen. Hieruit kan worden afgeleid dat de insteekhavens onder het ligplaatsenbeleid vallen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het beleid geen ruimte biedt om de gevraagde ontheffing te verlenen.

Het college heeft aan de toepassing van het beleid onder meer ten grondslag gelegd dat het een toename van het aantal motorboten op de Linge wil voorkomen in het belang van de bescherming van de landschappelijke waarde van de omgeving. De rechtbank heeft - onbestreden - overwogen dat het college ter zitting heeft toegelicht dat het natuurlijk aanzien van de omgeving wordt geschaad, indien langs de oevers van de Linge slechts motorboten worden afgemeerd, zodat de oevers niet meer zichtbaar zijn. Zij heeft terecht geoordeeld dat het college aldus afdoende heeft gemotiveerd dat het in het verkeersbesluit en de beleidsregels opgenomen belang van het voorkomen of beperken van schade aan de landschappelijke waarde van de omgeving in geding is en dat dit zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij verlening van een ontheffing. De rechtbank heeft terecht in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die tot afwijking van het gevoerde beleid noopten.

Het college heeft in het verweerschrift gesteld dat, indien de motorboot boven het water aan wal zou worden gelegd, het de aanvraag inderdaad niet aan het ontheffingsbeleid kan toetsen, maar dat [appellant] in dat geval op grond van de Keur een vergunning zou moeten aanvragen en dat die aanvraag beoordeeld zou moeten worden. De stelling van [appellant] dat het college tegen aanwezigheid van de boot boven het water van de insteekhaven geen bezwaren heeft, mist derhalve feitelijke grondslag. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Vries

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

582-598.