Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3872

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201003813/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201003813/1/R4.

Datum uitspraak: 20 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te Weerselo, gemeente Dinkelland,

2. [appellanten sub 2] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Weerselo, gemeente Dinkelland,

3. [appellant sub 3], wonend te Saasveld, gemeente Dinkelland,

4. [appellanten sub 4], beiden wonend te Saasveld, gemeente Dinkelland,

5. [appellant sub 5], wonend te Oud Ootmarsum, gemeente Dinkelland,

6. [appellant sub 6], wonend te Agelo, gemeente Dinkelland,

7. [appellant sub 7], wonend te Nutter, gemeente Dinkelland,

8. [appellant sub 8], wonend te Lattrop-Breklenkamp, gemeente Dinkelland,

9. [appellant sub 9], wonend te Denekamp, gemeente Dinkelland,

10. [appellante sub 10], gevestigd te Denekamp, gemeente Dinkelland, en anderen,

11. [appellanten sub 11] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 11]), beiden wonend te Denekamp, gemeente Dinkelland,

12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tuinwacht B.V., gevestigd te Deurningen, gemeente Dinkelland,

13. [appellant sub 13], wonend te Lattrop-Breklenkamp, gemeente Dinkelland,

14. [appellante sub 14], wonend te Saasveld, gemeente Dinkelland,

15. [appellant sub 15], wonend te Rossum, gemeente Dinkelland,

16. [appellante sub 16], gevestigd te Agelo, gemeente Dinkelland,

17. [appellant sub 17], wonend te Rossum, gemeente Dinkelland,

en

de raad van de gemeente Dinkelland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellanten sub 4], [appellante sub 10] en anderen, [appellant sub 11], Tuinwacht B.V., [appellant sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 15], [appellante sub 16] en [appellant sub 17] tijdig beroep ingesteld. Sommigen hebben de gronden van hun beroep schriftelijk aangevuld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 3], [appellante sub 1], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellante sub 10] en anderen, [appellante sub 14], [appellant sub 13] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 en 17 januari 2012, waar een aantal partijen ter zitting is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nadere stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor het buitengebied van de gemeente Dinkelland.

Intrekking

2.2. [appellante sub 16] heeft ter zitting haar beroep ingetrokken, voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch-2" en de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 1", voor zover betrekking hebbend op haar perceel aan de [locatie 1] te Agelo.

Ontvankelijkheid

2.3. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt verstaan onder belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

2.3.1. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover aan het essengebied de Zoeker Es niet in zijn geheel de (dubbel)bestemming "Waarde-Essen" is toegekend met de bijbehorende aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-boom en sierteelt uitgesloten". [appellant sub 3] woont op een afstand van ongeveer 1.200 meter van de desbetreffende gronden. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het bestreden besluit zou worden geraakt. De door [appellant sub 3] in zijn brief van 8 januari 2012 aangevoerde omstandigheid dat hij net als alle inwoners van de gemeente Dinkelland belanghebbende is vanwege de mogelijke gevolgen van het plan voor voornoemd essengebied, geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat hij een hem in voldoende mate van anderen onderscheidend persoonlijk belang heeft bij het bestreden besluit.

De conclusie is dat [appellant sub 3] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 3] is niet-ontvankelijk.

2.4. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.4.1. Het beroep van Tuinwacht B.V., voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf", voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie 2] te Deurningen, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door Tuinwacht B.V. aangevoerde omstandigheid dat het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland voor het verstrijken van de beroepstermijn tegen het onderhavige plan niet handhavend heeft opgetreden tegen de door Tuinwacht B.V. genoemde houtbewerking en -opslag, zodat Tuinwacht B.V. ervan uitging dat deze activiteiten zijn toegestaan onder de bestemming "Bedrijf".

Het beroep van Tuinwacht B.V. is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

2.5. Het betoog van [appellant sub 11] dat het plan teveel sier- en boomteelt toestaat, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 11] is in zoverre derhalve niet-ontvankelijk.

2.6. [appellant sub 2] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Weliswaar richt [appellant sub 2] zich in beroep tegen de gewijzigde vaststelling van het plan, voor zover daarbij het perceel [locatie 3] te Weerselo buiten het plangebied is gelaten, maar [appellant sub 2] is slechts ontvankelijk voor zover hij door de gewijzigde vaststelling in een nadeliger positie is komen te verkeren ten opzichte van het ontwerpplan. Die omstandigheid doet zich niet voor. Hiertoe overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] bezwaar heeft tegen de ontwikkeling van een woonzorghoeve op voornoemd perceel. Nu die ontwikkeling niet in het ontwerpplan en niet in het vastgestelde plan is voorzien, is [appellant sub 2] niet in een nadeliger positie geraakt.

Het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit tot vaststelling van het plan is dan ook niet-ontvankelijk.

2.7. [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte geen exploitatieplan is vastgesteld. Hij voert hiertoe aan dat de realisering van een woonzorghoeve op voornoemd perceel zal leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen op de Deurningerstraat, waardoor op gronden die in het onderhavige plan zijn opgenomen extra verkeersvoorzieningen nodig zijn. Voorts is volgens [appellant sub 2] ten onrechte geen rekening gehouden met ten behoeve van de realisering van een woonzorghoeve aan te leggen extra nutsvoorzieningen en riolering.

2.7.1. Het bestemmingsplan voorziet niet in de ontwikkeling van een woonzorghoeve. Gelet daarop kan [appellant sub 2] met het instellen van beroep tegen het besluit om geen exploitatieplan vast te stellen niet bereiken wat hij wenst, namelijk dat een exploitatieplan wordt vastgesteld voor de gevolgen van een ontwikkeling die niet in het bestemmingsplan is voorzien. Bedoelde gevolgen zullen aan de orde komen in het kader van de besluitvorming omtrent een planologische maatregel die in bedoelde ontwikkeling voorziet. Derhalve heeft [appellant sub 2] geen procesbelang bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het besluit om geen exploitatieplan vast te stellen.

Het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit om geen exploitatieplan vast te stellen is dan ook niet-ontvankelijk.

Inhoudelijke bezwaren

[appellant sub 8]

2.8. [appellant sub 8] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover zijn woning aan de [locatie 4] te Lattrop is bestemd als bedrijfswoning. [appellant sub 8] wenst een bestemming als burgerwoning. Hij voert aan dat zijn woning aan de voorwaarden voldoet om een woonbestemming te verkrijgen. In dit verband voert hij aan dat de woning reeds sinds 1983 van het agrarisch bedrijf is afgesplitst en dat een bestemming als burgerwoning geen belemmering vormt voor de agrarische bedrijfsvoering, onder meer nu het bedrijf reeds niet kan uitbreiden vanwege de ligging in het extensiveringsgebied nabij het kwetsbare gebied de Bergvennen.

2.8.1. De raad stelt dat de woning van [appellant sub 8] terecht als bedrijfswoning is bestemd. Volgens de plansystematiek kan een woonbestemming slechts worden toegekend indien een agrarisch bedrijf zijn activiteiten heeft beëindigd en een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. Indien de agrarische activiteiten niet zijn beëindigd, maar een bedrijfswoning al meer dan 10 jaar is vervreemd van het agrarisch bedrijf kan een woonbestemming worden toegekend, mits er een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ter plaatse van de woning van [appellant sub 8] kan geen goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd, nu de afstand van de achtergevel van de woning tot de dichtstbijzijnde stal ongeveer 10 meter bedraagt, aldus de raad.

2.8.2. Het perceel [locatie 4] heeft, voor zover thans van belang, de bestemming "Agrarisch 1" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen - tweede bedrijfswoning".

Ingevolge artikel 1.19 van de planregels wordt onder een agrarische bedrijfswoning verstaan een bedrijfswoning waarin tevens (naast de agrariër) de rustende boer en familieleden tot de 2e graad woonachtig mogen zijn.

In de plantoelichting staat, voor zover thans van belang, dat daar waar in de bestaande situatie reeds twee bedrijfswoningen aanwezig zijn, op de verbeelding een aanduiding is opgenomen. Indien in de tweede bedrijfswoning familie woont die afkomstig is van het agrarisch bedrijf, blijft de woning een bedrijfswoning.

2.8.3. Bij besluit van 1 december 1970 is een bouwvergunning verleend voor de bouw van een woning ten behoeve van uittredende ouders. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat in het destijds geldende beleid een dergelijke woning als bedrijfswoning werd aangemerkt. Gelet op de bewoning door de uittredende ouder [appellant sub 8] senior, was het gebruik van de woning tot diens overlijden in 2006 in overeenstemming met de verleende vergunning. Ter zitting heeft de raad voorts toegelicht dat het huidige gebruik valt onder de definitiebepaling van artikel 1.19 van de planregels, nu deze zo dient te worden gelezen dat bewoning van de bedrijfswoning is toegestaan door de uittredende boer en/of familieleden tot de tweede graad. Hiertoe heeft de raad gewezen op hetgeen daaromtrent is opgenomen in de plantoelichting.

2.8.4. Gelet op artikel 1.19 van de planregels, bezien in samenhang met hetgeen in de plantoelichting is vermeld ter zake van tweede bedrijfswoningen en de toelichting van de raad ter zitting, begrijpt de Afdeling de planologische regeling voor het perceel [locatie 4] aldus dat ingevolge de aanduiding "specifieke vorm van wonen - tweede bedrijfswoning" bewoning van de tweede bedrijfswoning door de uittredende boer en/of familieleden tot de tweede graad is toegestaan. Nu de woning thans wordt bewoond door [appellant sub 8], de broer van de agrariër op het naastgelegen agrarisch bedrijf, is het huidige gebruik ervan in overeenstemming met de toegekende bestemming. Het bestaande gebruik is in het plan aldus als zodanig bestemd.

Gelet op de afstand van 10 meter van de woning tot het agrarisch bedrijf, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden ter plaatse van de woning van [appellant sub 8] en dat daarom gelet op de plansystematiek aan de woning geen woonbestemming kan worden toegekend.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

2.8.5. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond.

[appellant sub 15]

2.9. [appellant sub 15] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch-1", voor zover betrekking hebbend op zijn perceel aan de [locatie 5] te Rossum. [appellant sub 15] wenst een woonbestemming voor het gebouw op dat perceel. In dit verband voert hij aan dat het gebouw sinds de jaren '70 als woning wordt gebruikt, in het kadaster als afzonderlijk pand staat geregistreerd en dat daarvoor gemeentelijke belastingen worden betaald.

2.9.1. De raad stelt zich primair op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 15] niet-ontvankelijk is, nu hij in zijn zienswijze geen bezwaar heeft geuit tegen de agrarische bestemming van het perceel en niet heeft aangegeven dat het pand aan de [locatie 5] permanent wordt bewoond.

2.9.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels, of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit leidt ertoe dat besluitonderdelen die in de zienswijze niet zijn bestreden en die ongewijzigd worden vastgesteld, in de beroepsfase niet alsnog kunnen worden bestreden. Nadere gronden ter onderbouwing van een ingebrachte zienswijze kunnen echter nog in de beroepsfase naar voren worden gebracht. In de beroepsfase kunnen derhalve gronden worden aangevoerd die nieuw zijn ten opzichte van die in de fase van de zienswijze, zolang zij op een besluitonderdeel zien dat reeds in de zienswijze is bestreden. Dat laat onverlet dat zij buiten beschouwing moeten worden gelaten indien een goede procesorde dat in een concreet geval vereist.

2.9.3. [appellant sub 15] heeft in beroep gronden aangevoerd met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Agrarisch-1", voor zover betrekking hebbend op zijn perceel aan de [locatie 5]. Zijn zienswijze had eveneens betrekking op dit plandeel. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze gronden dusdanig laat zijn aangevoerd dat de raad daarop niet op passende wijze heeft kunnen reageren. De Afdeling volgt de raad dan ook niet in zijn betoog dat deze gronden buiten beschouwing moeten worden gelaten.

2.10. De raad stelt subsidiair dat het gebouw op het perceel aan de [locatie 5] niet in aanmerking komt voor een woonbestemming. Het gebouw betreft een voormalig diepvriesgebouw dat ligt binnen het bouwvlak van het agrarisch bedrijf aan de [locatie 6]. De raad acht het onwaarschijnlijk dat het gebouw wordt gebruikt als woning en stelt dat een dergelijk gebruik in ieder geval illegaal is aangevangen. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat het toevoegen van burgerwoningen in het buitengebied in strijd is met het beleid en dat volgens het beleid per agrarisch bedrijf maximaal één bedrijfswoning is toegestaan. Voorts voldoet het pand niet aan de eisen die in het Bouwbesluit worden gesteld aan woningen. Ook staat het pand op te korte afstand van het naastgelegen agrarisch bedrijf, zodat er geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

2.10.1. In 1960 is een vergunning verleend voor de bouw van een diepvriesgebouw aan de [locatie 5]. In het vorige plan "Buitengebied Weerselo 1989" was aan het perceel de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "agrarisch bedrijf" toegekend. In het onderhavige plan is aan het perceel de bestemming "Agrarisch-1" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-agrarisch bedrijf" toegekend. Het agrarisch bedrijf aan de [locatie 6] en het pand aan de [locatie 5] liggen binnen hetzelfde bouwblok. Ingevolge artikel 3.2.1, onder h, van de planregels is één bedrijfswoning per agrarisch bedrijf toegestaan.

2.10.2. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het pand aan de [locatie 5] als burgerwoning wordt gebruikt. Gelet daarop, alsmede op de omstandigheid dat het pand niet voldoet aan de eisen die het Bouwbesluit stelt aan woningen, dat het pand op korte afstand van het agrarisch bedrijf is gelegen en dat het beleid zich verzet tegen het toevoegen van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan het pand aan de [locatie 5] geen woonbestemming kan worden toegekend. De registratie van het pand in het kadaster en de omstandigheid dat ter zake gemeentelijke belastingen worden betaald, wat daar ook van zij, maken dit niet anders nu aan die omstandigheden geen planologische betekenis toekomt.

2.10.3. In hetgeen [appellant sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 15] is ongegrond.

[appellant sub 5]

2.11. [appellant sub 5] kan zich niet verenigen met de planregeling voor zijn perceel gelegen achter [locatie 7] te Oud Ootmarsum, voor zover de bestaande klinkerverharding en mestplaat bij zijn veldschuur niet als zodanig zijn bestemd. [appellant sub 5] beroept zich op het vertrouwensbeginsel, nu de acht meter brede klinkerverharding reeds ter plaatse aanwezig was toen hij in 1993 eigenaar werd van het perceel en de mestplaat op verzoek van het gemeentebestuur is aangelegd.

2.11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor een reëel gebruik van de veldschuur verharding rondom en in aansluiting op de schuur gewenst is. In dit licht acht de raad een verharding met een breedte van vijf meter voldoende en in zoverre is de klinkerverharding als zodanig bestemd. Om verrommeling van het landschap tegen te gaan acht de raad een bredere strook niet wenselijk. De raad stelt dat mestplaten alleen zijn toegestaan binnen bouwblokken behorende bij agrarische bedrijven. Nu geen sprake is van een agrarisch bedrijf op het desbetreffende perceel, acht de raad een mestplaat ter plaatse vanuit ruimtelijk oogpunt niet gewenst. De mestplaat is dan ook niet als zodanig bestemd.

2.11.2. Het perceel van [appellant sub 5] is bestemd als "Agrarisch-2" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-veldschuur". Ingevolge artikel 4, lid 4.4, aanhef en onder g, van de planregels, in samenhang bezien met artikel 4, lid 4.6.1, aanhef en onder g, van de planregels, is rond de schuur een strook van vijf meter verharding toegestaan.

Een mestplaat is aangemerkt als bouwwerk in de zin van artikel 1.33, van de planregels en is ingevolge artikel 4.2.2, aanhef en onder a, van de planregels slechts toegestaan binnen een bouwvlak. Op het perceel van [appellant sub 5] is geen bouwvlak gelegd.

2.11.3. Niet in geschil is dat de klinkerverharding onder het overgangsrecht van het plan valt, voor zover deze meer omvat dan vijf meter. De Afdeling overweegt dat de raad in redelijkheid een maximum aan de toegestane verharding heeft kunnen verbinden teneinde verrommeling van het landschap tegen te gaan. De raad heeft zich, gelet op het gebruik van de verharding door landbouwvoertuigen en de gemiddelde breedte van deze voertuigen, voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een verharde strook met een breedte van maximaal vijf meter voldoende is voor een reëel gebruik van de veldschuur. Gelet daarop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de klinkerverharding niet in zijn geheel als zodanig kan worden bestemd. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.11.4. De Afdeling stelt verder vast dat de mestplaat zonder vergunning is aangelegd en dat deze in het vorige plan niet als zodanig was bestemd. Nu het overgangsrecht van het vorige plan geen uitsluitingsclausule kent voor bouwwerken die zonder vergunning zijn opgericht en evenmin een uitsluitingsclausule kent voor illegaal gebruik, valt de mestplaat en het gebruik daarvan onder het overgangsrecht van dit plan.

De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat mestplaten bij veldschuren die niet verbonden zijn aan een agrarisch bedrijf, vanuit ruimtelijk oogpunt niet wenselijk zijn. De Afdeling is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die in dit geval een uitzondering op het beleid van de raad rechtvaardigen, nu [appellant sub 5] zijn beroep op het vertrouwensbeginsel niet heeft onderbouwd. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de mestplaat niet als zodanig kan worden bestemd.

2.11.5. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond.

[appellant sub 17]

2.12. [appellant sub 17] kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plan, voor zover op zijn perceel aan de [locatie 8] te Rossum een bouwvlak van 1,5 hectare is gelegd. Hij voert hiertoe aan dat zijn rosekalverhouderij ten onrechte is aangemerkt als intensieve veehouderij en dat zijn bedrijf voor een groter bouwvlak in aanmerking komt. Volgens [appellant sub 17] is zijn bedrijf vergelijkbaar met een melkveehouderij omdat hij zijn kalveren voert met maïs dat afkomstig is van zijn eigen land. [appellant sub 17] wenst een bouwvlak van 2 hectare voor de realisatie van een mestverwerker.

2.12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het agrarisch bedrijf van [appellant sub 17] voldoet aan de definitie van een intensief veehouderijbedrijf zoals neergelegd in artikel 1.60 van de planregels, welke definitie is ontleend aan paragraaf 5.4 van het reconstructieplan "Salland-Twente", vastgesteld door provinciale staten van Overijssel op 15 september 2004 (hierna: het reconstructieplan). Op grond van het reconstructieplan kan aan intensieve veehouderijen in het verwevingsgebied een bouwvlak worden toegekend van maximaal 1,5 hectare. Een groter bouwvlak is alleen mogelijk indien sprake is van een sterlocatie. Een sterlocatie is voor [appellant sub 17]s perceel niet mogelijk vanwege de ligging in de provinciale ecologische hoofdstructuur.

2.12.2. Aan het perceel van [appellant sub 17] is de bestemming "Agrarisch-2" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet-grondgebonden agrarisch bedrijf" en de dubbelbestemming "Waarde-Ecologie" toegekend.

Ingevolge artikel 1.75 van de planregels is een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt, en die als zodanig niet afhankelijk is van agrarische gronden als productiemiddel zoals een intensief kwekerijbedrijf of een intensief veehouderijbedrijf.

Ingevolge artikel 1.60, voor zover thans van belang, is een intensief veehouderijbedrijf een agrarisch bedrijf of een deel daarvan met een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering met ten minste 250 m² bedrijfsvloeroppervlak dat wordt gebruikt voor veehouderij volgens de Wet milieubeheer en waar geen melkrundvee, schapen, paarden, of dieren 'biologisch' worden gehouden en waar geen dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.

Ingevolge artikel 1.53 is een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, zoals een melkrundveehouderijbedrijf, een akkerbouwbedrijf, een productiegerichte paardenhouderij, biologische bedrijven, waarbij dieren worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de bestaande Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, en naar de aard daarmee gelijk te stellen agrarische bedrijven.

Ingevolge het reconstructieplan, in samenhang bezien met de bijbehorende zoneringskaart, is het perceel van [appellant sub 17] en omgeving aangemerkt als een zogenoemd verwevingsgebied. Ingevolge paragraaf 5.5 van het reconstructieplan mag het bouwvlak van een intensieve veehouderij in het verwervingsgebied niet worden uitgebreid boven 1,5 hectare.

2.12.3. [appellant sub 17] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het produceren van maïs noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, nu niet is gebleken dat zijn rosekalveren uitsluitend met zelf geproduceerd maïs kunnen worden gevoerd. Gelet hierop, alsmede gelet op de agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de rosekalverhouderij van [appellant sub 17] is aan te merken als een intensief veehouderijbedrijf en daarmee als een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf in de zin van de planregels.

De raad heeft voorts terecht het beleid uit het reconstructieplan toegepast, dat bouwvlakken niet meer dan 1,5 hectare mogen bedragen. De raad heeft zich aldus terecht op het standpunt gesteld dat [appellant sub 17] niet in aanmerking komt voor uitbreiding van het bouwvlak.

Voor zover [appellant sub 17] aanvoert dat de uitbreiding nodig is voor het oprichten van een mestverwerker die mogelijk verplicht wordt ingevolge nieuwe wetgeving, overweegt de Afdeling dat deze wetgeving nog niet in werking is getreden en de raad in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien daarop vooruitlopend af te wijken van het reconstructieplan en het gemeentelijk beleid.

2.12.4. In hetgeen [appellant sub 17] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 17] is ongegrond.

[appellant sub 7]

2.13. [appellant sub 7] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Bedrijf-Voormalig Agrarisch", voor zover dit betrekking heeft op het perceel [locatie 10] te Nutter. Hij vreest voor een belemmering van zijn agrarisch bedrijf nu het plandeel voorziet in een boerderijspa en boerderijkamers. Hij voert aan dat in het plan niet is gedefinieerd wat onder een boerderijspa dient te worden verstaan, waardoor onduidelijk is welke activiteiten ter plaatse mogen plaatsvinden. [appellant sub 7] betoogt voorts dat het plan niet voldoet aan het beleid voor vrijgekomen agrarische bebouwing (hierna: VAB-beleid), omdat activiteiten buiten de gebouwen plaatsvinden en detailhandel plaatsvindt in de vorm van de verkoop van ijs. Nu daarvoor een winkelruimte is ingericht, is dit tevens in strijd met artikel 1.83 van de planregels. In dat artikel is productiegebonden detailhandel voorts niet beperkt tot detailhandel in streekgebonden producten. [appellant sub 7] acht dit in strijd met een goede ruimtelijke ordening en in strijd met de rechtszekerheid. [appellant sub 7] betoogt verder dat op de verbeelding ten onrechte geen aanduiding is opgenomen inhoudende dat een tweede bedrijfswoning ter plaatse is uitgesloten.

2.13.1. De raad stelt dat het plan voorziet in legalisering van een kleinschalige dagrecreatieve boerderijspa met daarbij boerderijkamers en stelt dat voldoende duidelijk is wat er met boerderijspa wordt bedoeld. De raad ziet niet in welke activiteiten die volgens [appellant sub 7] niet wenselijk zijn, binnen deze bestemming zouden passen. In de planregels is bovendien een beperking gesteld aan de totale oppervlakte van de bebouwing, zodat de activiteiten kleinschalig blijven. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de buitenactiviteit in de vorm van een zwemvijver aanvaardbaar is, nu deze ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit. De raad ziet geen reden productiegebonden detailhandel te beperken tot streekgebonden producten. Binnen de bestemming "Bedrijf-Voormalig Agrarisch" is maximaal één bedrijfswoning mogelijk. Gelet daarop behoeft de door [appellant sub 7] gewenste aanduiding niet te worden opgenomen, aldus de raad.

2.13.2. [appellant sub 7] exploiteert een melkrundveehouderij op het perceel [locatie 9] te Nutter. De kortste afstand tussen het bouwvlak van [appellant sub 7] en het perceel [locatie 10] bedraagt ongeveer 160 meter.

2.13.3. Ingevolge artikel 16.1 van de planregels zijn de als "Bedrijf-Voormalig Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van bedrijven, welke per adres zijn genoemd in bijlage 3, niet zijnde geluidszoneringsplichtige, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven;

b. bedrijfswoningen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfs¬woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige be¬drijfsmatige activiteit;

met daaraan ondergeschikt:

c. wegen en paden;

d. water;

met de daarbijbehorende:

e. tuinen, erven en terreinen;

f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

In bijlage 3 bij de planregels is het adres Dalweg 2 te Nutter opgenomen met de vermelding Boerderij Spa/Boerderijkamers.

Ingevolge artikel 16.2.1, aanhef en onder c, mag de gezamenlijke inhoud van de bedrijfsgebouwen van de boerderijspa en boerderijkamers tezamen ten hoogste 2.000 m³ bedragen.

Ingevolge artikel 16.4, aanhef en onder b, is voor het gebruik van de bedrijfsgebouwen, voor bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van opslag van goederen, een gezamenlijke bedrijfsoppervlakte van niet groter dan 500 m² toegestaan.

Ingevolge artikel 1.83 wordt onder productiegebonden detailhandel verstaan detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, geteeld, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie en waarvoor geen winkelruimtes worden ingericht.

2.13.4. In de plantoelichting staat dat het VAB-beleid van de gemeente Dinkelland bijdraagt aan het realiseren van nieuwe economische dragers voor het landelijk gebied ofwel het benutten van de resterende economische waarde van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen voor andere functies. Volgens dit beleid dienen de aard en omvang van het bedrijf te passen binnen de bestaande bouwmassa. Detailhandel en activiteiten buiten de gebouwen zijn niet toegestaan.

2.13.5. De raad heeft ter zitting toegelicht dat is beoogd kleinschalige wellness-activiteiten als dagrecreatieve voorziening toe te staan. Met het plandeel is de bestaande situatie op het perceel aan de [locatie 10] vastgelegd en is niet voorzien in uitbreiding van de activiteiten. Ter zitting heeft Steggink toegelicht dat op het perceel zeer kleinschalige wellness-activiteiten met een agrarische uitstraling plaatsvinden. Per dagdeel worden maximaal 12 gasten ontvangen en er zijn in totaal 10 bedden aanwezig. Gelet op de toelichting ter zitting, alsmede op de beperking van de inhoud van de bedrijfsgebouwen van maximaal 2.000 m³ en de maximale oppervlakte van de bedrijfsgebouwen van 500 m², heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorziet in kleinschalige wellness-activiteiten. Naar het oordeel van de Afdeling is daarmee ook voldoende duidelijk welke activiteiten ter plaatse mogen plaatsvinden. Ter zitting heeft [appellant sub 7] toegelicht geen bezwaar te hebben tegen de bestaande situatie en dat hij met name vreest voor ongewenste toekomstige ontwikkelingen. Gelet op het vorenstaande heeft [appellant sub 7] niet aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijfsvoering wordt beperkt door het plandeel.

De buitenactiviteit waar [appellant sub 7] op doelt betreft de natuurlijke zwemvijver met bijbehorende ligstoelen. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze activiteit ondergeschikt is aan de hoofdactiviteiten die binnen de bedrijfsgebouwen plaatsvinden en past in de omgeving. Ter zitting heeft [appellant sub 7] toegelicht dat de buitenactiviteiten in de bestaande situatie geen overlast voor hem opleveren. Het vorenstaande in aanmerking genomen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten behoeve van de zwemvijver niet in redelijkheid heeft kunnen afwijken van het VAB-beleid in zoverre.

De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een goede ruimtelijke ordening of de rechtszekerheid niet noopt tot het beperken van productiegebonden detailhandel tot detailhandel in streekgebonden producten.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 7] dat ten onrechte geen aanduiding is opgenomen inhoudende dat een tweede bedrijfswoning niet is toegestaan, overweegt de Afdeling dat, nu volgens de planregels maximaal één bedrijfswoning bij de bestemming "Bedrijf-Voormalig Agrarisch" is toegestaan, een dergelijke aanduiding geen toegevoegde waarde heeft.

Voor zover [appellant sub 7] betoogt dat de ijsmakerij in strijd is met het VAB-beleid, stelt de Afdeling vast dat, zoals de raad ter zitting heeft toegelicht, de ijsmakerij niet in het voorliggende plan is opgenomen. Het betoog van [appellant sub 7] met betrekking tot deze ijsmakerij kan derhalve niet tot vernietiging van het plandeel leiden.

2.13.6. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 7] is ongegrond.

[appellant sub 6]

2.14. [appellant sub 6] kan zich niet verenigen met de situering van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf aan de [locatie 11] te Agelo, dat is gelegen naast zijn perceel. [appellant sub 6] vreest voor aantasting van het uitzicht vanuit zijn woning en aantasting van het zicht vanaf de Weerselosestraat op zijn karakteristieke boerderij. Hiertoe betoogt hij dat de bouwmogelijkheden die het plan biedt niet landschappelijk kunnen worden ingepast nu, in tegenstelling tot hetgeen de raad stelt, geen sprake is van een houtwal tussen beide percelen. Voorts betoogt [appellant sub 6] dat ten onrechte niet is getoetst aan de voorwaarden neergelegd in artikel 3.7, onder e, van de planregels.

2.14.1. De raad stelt dat het bouwvlak is aangepast aan de situering van de schuur die met een binnenplanse vrijstelling is gebouwd. Het bouwvlak is een kwartslag gedraaid, waardoor het achterste deel dichter bij de woning van [appellant sub 6] is komen te liggen. [appellant sub 6] wordt daardoor niet onevenredig in zijn belangen geschaad, nu de kortste afstand tussen het bouwvlak en de woning van [appellant sub 6] nog altijd 50 meter bedraagt, aldus de raad. De situering van het bouwvlak is vanuit milieutechnisch oogpunt en gelet op het landschapstype en het bebouwingsbeeld aanvaardbaar, aldus de raad. Het zicht vanuit de boerderij op het naastgelegen perceel is volgens de raad in de bestaande situatie reeds beperkt nu er zich tussen beide percelen een houtwal bevindt die beschermd wordt door de daaraan toegekende dubbelbestemmingen "Waarde-Ecologie" en "Waarde-Landschap". De houtwal beperkt ook het zicht op de boerderij vanaf de Weerselosestraat. Dit zicht wordt verder beperkt doordat de afstand ruim 200 meter bedraagt. Er bestaat voorts geen reden het beperkte zicht op de boerderij te behouden, nu het pand niet is aangemerkt als rijks- dan wel gemeentelijk monument en evenmin is opgenomen op de lijst van karakteristieke panden behorende bij de plantoelichting.

2.14.2. De Afdeling overweegt dat aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. De Afdeling overweegt in dit verband dat de onherroepelijke vrijstelling een bestaand recht betreft waaraan de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan in beginsel niet voorbij kan gaan. De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellant sub 6] niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaad als gevolg van de situering van het bouwvlak. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de kortste afstand van het bouwvlak tot de woning van [appellant sub 6] 50 meter bedraagt. In de door [appellant sub 6] overgelegde foto's ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het zicht van [appellant sub 6] op het naastgelegen perceel in de bestaande situatie reeds beperkt wordt door een houtwal op dat perceel. Voor zover het zicht vanaf de Weerselosestraat op de woning van [appellant sub 6] wordt beperkt door het plan in zoverre, overweegt de Afdeling dat de raad daar in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht aan heeft hoeven toekennen.

De raad heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat niet behoefde te worden getoetst aan de wijzigingsvoorwaarden neergelegd in artikel 3.7, onder e, van de planregels, nu aan die wijzigingsbevoegdheid geen toepassing is gegeven.

2.14.3. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 6] is ongegrond.

[appellante sub 16]

2.15. [appellante sub 16] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch-2" met de dubbelbestemming "Waarde-Ecologie", voor zover betrekking hebbend op haar perceel [locatie 1] te Agelo. De dubbelbestemming had volgens haar niet mogen worden toegekend nu de aldus bestemde gronden in gebruik zijn als cultuurgrond.

2.15.1. De raad stelt dat het perceel [locatie 1] ligt binnen de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS). Een gedeelte van het perceel is bestaand natuur- en bosgebied en daaraan is, in overeenstemming met de Omgevingsverordening, de voornoemde bestemming toegekend.

2.15.2. Ingevolge artikel 4.1 van de planregels zijn de voor "Agrarisch-2", aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor agrarisch gebruik met daaraan ondergeschikt cultuurgrond.

Ingevolge artikel 1.35 wordt onder cultuurgrond verstaan: grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden, die hobbymatig in gebruik zijn en niet worden gebruikt ten behoeve van een agrarische bedrijfsvoering.

Ingevolge artikel 45.1 zijn de voor "Waarde-Ecologie" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de gronden ten behoeve van de instandhouding en realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur.

2.15.3. In de plantoelichting staat dat met de dubbelbestemming "Waarde-Ecologie" de EHS wordt beschermd. De bestaande natuurgebieden binnen de EHS krijgen deze bestemming, zo blijkt uit de plantoelichting.

2.15.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat voornoemd perceel is gelegen binnen de EHS en in dat verband is aangeduid als "bestaande natuur".

Ingevolge artikel 2.7.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 (hierna: Omgevingsverordening) strekken bestemmingsplannen uitsluitend tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden behorende tot de gebiedscategorie "bestaande natuur".

Ingevolge het derde lid houden de verplichtingen die voortvloeien uit het tweede lid in ieder geval in behoud van areaal, kwaliteit en samenhang van de betrokken gebieden.

Ingevolge het vijfde lid beperken de verplichtingen die voortvloeien uit het tweede lid niet de ontwikkeling van bestaande agrarische bedrijven die nodig zijn vanuit een duurzame continuering van de bedrijfsvoering en die geen significant negatieve effecten hebben op actuele waarden van het gebied.

2.15.5. Gelet op het voorgaande stelt de Afdeling vast dat met de dubbelbestemming "Waarde-Ecologie" toepassing is gegeven aan het provinciale beleid ten aanzien van bestaande natuur, zoals omgezet in artikel 2.7.3 van de Omgevingsverordening, welke verordening in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan in acht moet worden genomen. Gelet daarop, alsmede op de omstandigheid dat het gebruik van de gronden als cultuurgrond ook als zodanig is bestemd zodat [appellante sub 16] haar bedrijfsvoering kan voortzetten, is de Afdeling van oordeel dat de raad deze dubbelbestemming in redelijkheid heeft kunnen toekennen.

2.16. [appellante sub 16] kan zich voorts niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Agrarisch-2" en de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten-boom- en sierteelt", voor zover betrekking hebbend op een gedeelte van haar perceel [locatie 1]. In dit verband stelt zij dat deze functieaanduiding ten onrechte geen boomteelt mogelijk maakt, nu dit perceelsgedeelte hiervoor wordt gebruikt.

2.16.1. De raad stelt dat boom- en sierteelt op het desbetreffende deel van het perceel terecht is uitgesloten, omdat het ligt binnen een gebied met waardevolle landschappelijke elementen. Volgens de raad is uitgangspunt van het plan om deze elementen te behouden. Overigens is volgens de raad uit foto's gebleken dat geen sprake is van boom- en sierteelt op het desbetreffende deel van het perceel van [appellante sub 16].

2.16.2. Ingevolge artikel 4.1. zijn de voor "Agrarisch-2", aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de land¬schappe¬lijke, natuurlijke, geomorfologische en cultuur¬histori¬sche waarden.

Ingevolge artikel 3.4, aanhef en onder m, wordt tot strijdig gebruik van de gronden met de bestemming "Agrarisch-2" en bouwwerken gerekend het gebruik van deze gronden ten behoeve van sierteelt, boom¬teelt, houtteelt of overige opgaande teeltvormen, indien de gronden zijn voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten-boom- en sierteelt", niet zijnde boom- en sierteelt binnen de bouwpercelen.

2.16.3. In de plantoelichting staat dat ten aanzien van waardevolle landschappelijke gebieden een terughoudend beleid wordt gevoerd dat beoogt deze gebieden te beschermen en ongewenste ontwikkelingen zoals boomteelt tegen te gaan. Hiertoe worden gebieden voorzien van een aanduiding op de verbeelding. De uit te sluiten gebieden zijn de herkenbare essen en beekdalen, de stuwwal van Ootmarsum, het kleinschalig maten-landschap nabij Lattrop-Brecklenkamp en de gebieden die zijn begrensd als EHS. Indien sprake is van reeds bestaande boomteelt in deze gebieden zal geen aanduiding worden toegekend, aldus de plantoelichting.

2.16.4. Het perceel van [appellante sub 16] maakt deel uit van de stuwwal van Ootmarsum. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het perceel van [appellante sub 16] een landschappelijke waarde heeft in de zin van artikel 4.1 van de planregels. Uit de stukken, noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het perceel van [appellante sub 16] ten tijde van de vaststelling van het plan in gebruik was voor boom- en sierteelt. De raad heeft derhalve in redelijkheid de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten-boom- en sierteelt" aan het perceel van [appellante sub 16] kunnen toekennen.

2.16.5. In hetgeen [appellante sub 16] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellante sub 16] is ongegrond.

[appellant sub 11]

2.17. Het beroep van [appellant sub 11] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf-Glastuinbouw", voor zover betrekking hebbend op het naast zijn woning aan de [locatie 12] gelegen perceel [locatie 13] waar een kwekerij is gevestigd. [appellant sub 11] betoogt dat de maximale bouwhoogte en het maximale bebouwingspercentage ten onrechte zijn verruimd ten opzichte van het vorige plan. Daartoe voert hij aan dat de ruimtelijke gevolgen daarvan onvoldoende zijn onderzocht. Hierbij gaat het [appellant sub 11] om de gevolgen voor natuur- en landschappelijke waarden en lichthinder.

2.17.1. Op de ten oosten en ten zuiden van de kwekerij op het perceel [locatie 13] gelegen gronden zijn waardevolle landschapselementen aanwezig en hieraan is de dubbelbestemming "Waarde-Landschap" toegekend. Ingevolge artikel 47.1 van de planregels zijn de voor deze bestemming aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van waardevolle landschapselementen. Ingevolge artikel 47.3 wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in ieder geval gerekend: het verwijderen, vernielen en/of aantasten van waardevolle landschapselementen anders dan ten behoeve van het normale onderhoud.

2.17.2. Aan de hand van de verbeelding en de planregels stelt de Afdeling vast dat de in het voorliggende plan voor het perceel [locatie 13] opgenomen maximale bouwhoogte van twaalf meter niet verschilt van de bouwhoogte in het vorige plan. In het voorliggende plan geldt voorts een bebouwingspercentage op het perceel van ten hoogste 80. Het vorige plan kende geen maximaal bebouwingspercentage. Op dit punt is derhalve sprake van een beperking ten opzichte van het vorige plan. Verder is in het voorliggende plan een goothoogte van zes meter toegestaan, terwijl deze in het vorige plan bij recht vier meter was en met vrijstelling zes meter. Gelet hierop biedt het voorliggende plan op dit punt een ruimere rechtstreekse bouwmogelijkheid dan het vorige plan.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de bouwmogelijkheden op het perceel [locatie 13] de natuur- en landschappelijke waarden van de gronden ter plaatse onevenredig zullen aantasten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de dubbelbestemming "Waarde-Landschap" die op het perceel rust, voldoende waarborg biedt voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van waardevolle landschapselementen van de gronden ter plaatse.

De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de in het plan opgenomen maximale goot- en bouwhoogte zullen leiden tot een toename van de zijwaartse verlichting. Gelet op het voorgaande, alsmede op de afstand tussen het bouwvlak op het perceel [locatie 13] en de woning van [appellant sub 11] van ongeveer 65 meter, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onevenredige lichthinder voor [appellant sub 11].

2.18. [appellant sub 11] betoogt voorts dat het plan ten onrechte grootschalige detailhandel toestaat, nu in de planregels niet is gedefinieerd wat onder ondergeschikt dient te worden verstaan. De detailhandel heeft volgens [appellant sub 11] een verkeersaantrekkende werking waarmee overlast gepaard gaat.

2.18.1. De raad stelt dat ervoor is gekozen ondergeschikte productiegerichte detailhandel toe te staan, hetgeen aansluit bij het provinciaal beleid. Uitsluitend op detailhandel gerichte kwekerijen zijn niet toegestaan volgens de planregels, aldus de raad.

2.18.2. Ingevolge artikel 10.3, aanhef en onder e, van de planregels wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken binnen de bestemming "Bedrijf-Glastuinbouw" gerekend: het gebruik van de gronden en gebouwen voor detailhandels¬doeleinden anders dan productiegebonden detailhandel.

Ingevolge artikel 1.83 wordt onder productiegebonden detailhandel verstaan: detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, geteeld, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie en waarvoor geen winkelruimtes worden ingericht.

2.18.3. Nu productiegebonden detailhandel ondergeschikt dient te zijn aan de productiefunctie en daarvoor geen winkelruimte mag worden ingericht, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen uitsluitend op detailhandel gerichte kwekerijen mogelijk worden gemaakt. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre een zodanige verkeersaantrekkende werking zal hebben dat [appellant sub 11] daardoor onevenredig in zijn belangen wordt geschaad.

2.19. [appellant sub 11] betoogt ten slotte dat in het plan ten onrechte geen verbodsregeling is opgenomen inhoudende dat vrachtverkeer en personenverkeer van en naar de kwekerij geen gebruik mag maken van de Berghum.

2.19.1. De raad stelt dat reeds verkeersmaatregelen zijn getroffen die ervoor zorgen dat vrachtverkeer niet over de aan de achterzijde van de kwekerij gelegen Berghum kan rijden. Plaatsing of verwijdering van de ter plaatse aangebrachte feitelijke versmalling geschiedt krachtens een verkeersbesluit op grond van de Wegenverkeerswet 1994. Opname van een dergelijke verbodsbepaling in de planregels is daarom volgens de raad niet noodzakelijk en bovendien is het bestemmingsplan niet het juiste instrument om een verbod op (vracht)verkeer te regelen. Het treffen van maatregelen om personenverkeer tegen te gaan acht de raad niet wenselijk en niet nodig, omdat bestemmingsverkeer voor de kwekerij gebruik maakt van de Stroothuizerweg waaraan de hoofdingang van de kwekerij is gelegen.

2.19.2. De Afdeling stelt vast dat het bezwaar van [appellant sub 11] betrekking heeft op het nemen van verkeersmaatregelen en overweegt dat verkeersmaatregelen en de handhaving daarvan niet ter beoordeling voorliggen in deze procedure.

2.19.3. In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 11] is ongegrond.

[appellant sub 13]

2.20. [appellant sub 13] betoogt dat hij in zijn bouw- en uitbreidingsmogelijkheden wordt beperkt nu het aan zijn percelen Dorpsstraat 1 en 3 toegekende bouwvlak is verkleind ten opzichte van het vorige plan. Op basis van het gemeentelijk beleid heeft hij recht op een bouwvlak met een oppervlak van 1,5 hectare. Daarnaast voert hij aan dat een dergelijk oppervlak nodig is in verband met het manoeuvreren van voertuigen en dat de boerderij bovendien een rijksmonument is dat [appellant sub 13] niet aan het zicht wil onttrekken door bebouwing of wil omsluiten met verhardingen. Ten slotte stelt [appellant sub 13] dat hem is toegezegd dat in het plan een bouwvlak met de door hem gewenste omvang zou worden opgenomen.

2.20.1. De raad stelt dat als uitgangspunt van het plan geldt dat een bouwvlak van 1,5 hectare alleen wordt toegekend aan bedrijven die reeds meer dan 0,8 hectare aan bebouwde oppervlakte in gebruik hebben. Nu het bedrijf van [appellant sub 13] niet aan die eis voldoet, is aan de percelen van [appellant sub 13] een bouwvlak van 1 hectare toegekend. Hierbij merkt de raad op dat in het vorige plan "Buitengebied 1994" van de voormalige gemeente Denekamp ook een bouwvlak van 1 hectare was toegekend aan die percelen.

2.20.2. Ter zitting is gebleken dat de omvang van het bouwvlak dat in het onderhavige plan is opgenomen niet is verkleind, maar iets is vergroot ten opzichte van het bouwvlak dat in het vorige plan was opgenomen. Het betoog van [appellant sub 13] mist in zoverre feitelijke grondslag.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrijf van [appellant sub 13] een volwaardig agrarisch bedrijf is. Uitgangspunt van het plan is dat volwaardige agrarische bedrijven een bouwperceel op maat krijgen. Bedrijven waarbij het bebouwd oppervlak kleiner is dan 0,8 hectare krijgen een bouwvlak van 1 hectare, waarvan het bebouwd oppervlakte is exclusief kuilvoer. Bedrijven die in de huidige situatie een bebouwd oppervlak hebben groter dan 0,8 hectare krijgen bij recht uitbreidingsmogelijkheden tot 1,5 hectare, zo blijkt uit de plantoelichting. [appellant sub 13] stelt dat hij in aanmerking komt voor een bouwvlak van 1,5 hectare, omdat het bebouwd oppervlak op zijn percelen inclusief erfbeplanting en manoeuvreerruimte volgens zijn berekening bijna 0,8 hectare bedraagt. Gelet op de eis dat het bebouwd oppervlak groter dan 0,8 hectare dient te zijn en op de omstandigheid dat de raad de door [appellant sub 13] gestelde omvang van het bebouwd oppervlak op zijn percelen betwist, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant sub 13] op grond van de aan het plan ten grondslag liggende uitgangspunten niet in aanmerking komt voor een groter bouwvlak. [appellant sub 13] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de raad aanleiding had moeten zien voor hem daarop een uitzondering te maken. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 13] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een bouwvlak met de door hem gewenste omvang zou voorzien. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de beantwoording van de inspraakreactie niet kan worden aangemerkt als een toezegging ten aanzien waarvan de raad niet anders mocht beslissen. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

2.21. [appellant sub 13] kan zich voorts niet verenigen met de dubbelbestemming "Waarde-Ecologie" die is toegekend aan delen van zijn percelen aan de Spiekweg, de Ottershagenweg en de Horstweg te Lattrop-Breklenkamp en aan de percelen tegenover de sterrenwacht en op het retentiegebied Frensdorferweg. Hij stelt dat hij hierdoor in zijn agrarische bedrijfsvoering wordt beperkt.

2.21.1. De raad stelt dat op grond van de Omgevingsverordening de verplichting bestaat om in het plan regels op te nemen ter bescherming van aanwezige natuurwaarden en in potentie aanwezige natuurwaarden. Nu de door [appellant sub 13] genoemde percelen binnen de EHS liggen, is de aan deze percelen toegekende bestemming in overeenstemming met de Omgevingsverordening. Verder stelt de raad dat normaal agrarisch gebruik van de percelen met deze dubbelbestemming voortgezet kan worden.

2.21.2. Aan voornoemde percelen is, naast de bestemming "Agrarisch-1", de dubbelbestemming "Waarde-Ecologie" toegekend.

Ingevolge artikel 3.1 van de planregels zijn de voor "Agrarisch-1" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor agrarisch gebruik.

Ingevolge artikel 45.1 zijn de voor "Waarde-Ecologie" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de gronden ten behoeve van de instandhouding en realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur.

2.21.3. In de plantoelichting staat dat met de dubbelbestemming "Waarde-Ecologie" de EHS wordt beschermd. De bestaande natuurgebieden binnen de EHS en de natuurgebieden die zijn aangewezen als nieuwe natuur krijgen deze bestemming.

Blijkens de kaart "EHS" behorende bij de Omgevingsverordening liggen de voornoemde percelen binnen de EHS en zijn deze aangeduid als "bestaande natuur", "nieuwe natuur gerealiseerd", en "nieuwe natuur nog te realiseren".

2.21.4. Ingevolge artikel 2.7.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening strekken bestemmingsplannen uitsluitend tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden behorende tot de gebiedscategorie "bestaande natuur" en "nieuwe gerealiseerde natuur".

Ingevolge artikel 2.7.3, tweede lid, aanhef en onder b, strekken bestemmingsplannen mede tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden behorend tot de gebiedscategorieën "nieuwe, nog niet gerealiseerde natuur en zoekgebied".

Ingevolge het derde lid houden de verplichtingen die voortvloeien uit het tweede lid in ieder geval in behoud van areaal, kwaliteit en samenhang van de betrokken gebieden.

Ingevolge het vijfde lid beperken de verplichtingen die voortvloeien uit het tweede lid niet de ontwikkeling van bestaande agrarische bedrijven die nodig zijn vanuit een duurzame continuering van de bedrijfsvoering en die geen significant negatieve effecten hebben op actuele waarden van het gebied.

2.21.5. Gelet op het voorgaande stelt de Afdeling vast dat met de dubbelbestemming "Waarde-Ecologie" toepassing is gegeven aan het provinciale beleid ten aanzien van bestaande en nieuwe natuur, zoals omgezet in artikel 2.7.3 van de Omgevingsverordening, welke verordening in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan in acht moet worden genomen. In aanmerking genomen dat de agrarische bedrijvigheid op de percelen van [appellant sub 13] als zodanig is bestemd, zodat [appellant sub 13] zijn bedrijfsvoering kan voortzetten, is niet aannemelijk gemaakt dat hij in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt door de dubbelbestemming. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de dubbelbestemming heeft kunnen toekennen.

2.22. [appellant sub 13] betoogt voorts dat de economische uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende verzekerd is, omdat geen inzicht is verschaft in het onderzoek dat volgens de raad is verricht naar planschadeclaims in verband met de dubbelbestemming "Waarde-Ecologie". De financiële gevolgen van de dubbelbestemming "Waarde-Ecologie" zijn niet betrokken in de planschaderisicoanalyse, nu deze is uitgevoerd op basis van het voorontwerp waarin deze dubbelbestemming niet was opgenomen.

2.22.1. In de plantoelichting staat dat het bestemmingsplan financieel-economisch uitvoerbaar is aangezien het plan conserverend van aard is en het plan slechts op beperkte schaal ontwikkelingsmogelijkheden biedt. Voorts is in de plantoelichting vermeld dat uit de uitgevoerde planschaderisicoanalyse is gebleken dat de kans dat het plan planschadekosten met zich zou brengen, gering zal zijn. In het verweerschrift stelt de raad dat de provincie de kosten zal dekken die de doorvertaling van het beleid van de EHS van de provincie met zich meebrengt.

[appellant sub 13] heeft gesteld als gevolg van het plan planschade te lijden, maar heeft niet aangegeven in welke omvang deze zich zal voordoen. Gelet daarop en nu hiervoor is overwogen dat [appellant sub 13] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt door de dubbelbestemming "Waarde-Ecologie", ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de eventuele schade zodanig zal zijn dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan is verzekerd.

2.23. [appellant sub 13] betoogt voorts dat artikel 3.4, aanhef en onder p, van de planregels hem extra beperkt in zijn uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden.

2.23.1. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat voornoemd artikel slechts een attentiewaarde heeft en dat hij niet hecht aan handhaving van die bepaling. Het al dan niet opnemen van deze planregel in het plan laat volgens hem onverlet dat voor activiteiten ten behoeve van de uitbreiding van het aantal veeplaatsen op een agrarisch bedrijf een toets moet worden uitgevoerd in het kader van de vergunningverlening op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. De Afdeling acht dit standpunt niet onjuist.

2.23.2. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 13] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft artikel 3.4, aanhef en onder p, van de planregels.

[appellante sub 14]

2.24. [appellante sub 14] betoogt dat ten onrechte de bestemming "Wonen" aan haar percelen [locatie 14 en 15] te Saasveld is toegekend. Zij wenst dat de voorheen geldende agrarische bestemming op beide percelen wordt gehandhaafd in verband met de terugkeer van een zoon uit Canada, die voornemens is om op deze percelen agrarische activiteiten te ontplooien. Op het perceel [locatie 15] is een kleine veestapel aanwezig, worden boomkwekerij-activiteiten uitgevoerd en worden planten verwerkt en klaargemaakt voor verkoop, zodat een agrarische bestemming gerechtvaardigd is. [appellante sub 14] wenst voorts een groter bouwvlak voor het perceel [locatie 14], nu er een bouwvergunning is verleend voor een schuur. Ten slotte doet [appellante sub 14] een beroep op het gelijkheidsbeginsel en verwijst daartoe naar de percelen Broekhuisweg 2 en [locatie 17]1. Ter zitting heeft [appellante sub 14] in dit verband tevens gewezen op een perceel aan de Bellinkhofweg en een perceel aan de Westerikweg.

2.24.1. De raad stelt dat bij de vaststelling van het plan als uitgangspunt is genomen dat activiteiten worden bestemd volgens de bestaande, legale situatie. Op het perceel [locatie 14] vinden al geruime tijd geen agrarische activiteiten plaats volgens de raad. Er is geen milieuvergunning verleend voor dit perceel. Een in 1999 verleende bouwvergunning voor een machineberging met paardenstal zal worden ingetrokken nu tot op heden niet met de bouwwerkzaamheden is gestart en deze schuur vergund was ten behoeve van het agrarisch bedrijf, dat thans niet meer aanwezig is. Uit de door [appellante sub 14] verstrekte informatie blijkt voorts niet dat er op korte termijn weer agrarische activiteiten zullen worden uitgeoefend op dit perceel. Ten aanzien van het perceel [locatie 15] stelt de raad dat het agrarisch bedrijf dat op het perceel was gevestigd, is verplaatst naar Canada. Er vinden al geruime tijd geen agrarische activiteiten plaats, zo blijkt uit een controle op 17 augustus 2010. Ook is niet via meitellingen aannemelijk gemaakt dat de afgelopen jaren sprake is geweest van agrarische activiteiten. Er is weliswaar een bedrijfsplan ingediend maar dat ziet slechts op boom- en sierteeltactiviteiten. Voor deze activiteiten, noch voor het gebruik van de schuur daarvoor is een vergunning verleend en gelet daarop is het als zodanig bestemmen van deze activiteiten niet gerechtvaardigd volgens de raad. Uit de door [appellante sub 14] verstrekte informatie blijkt voorts niet dat op korte termijn weer agrarische activiteiten zullen worden uitgeoefend op dit perceel.

2.24.2. Tussen partijen is niet in geschil dat op het perceel [locatie 14] geen agrarische activiteiten plaatsvinden. Verder is niet gebleken van een concreet voornemen om binnen de planperiode de agrarische activiteiten op dit perceel te hervatten. Gelet daarop heeft de raad geen aanleiding hoeven zien een agrarische bestemming aan dit perceel toe te kennen. De verleende bouwvergunning doet daar niet aan af, nu deze vergunning destijds is verleend ten behoeve van een agrarisch bedrijf dat ten tijde van de vaststelling van het plan niet meer aanwezig was. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet in een groter bouwvlak voor dit perceel behoefde te worden voorzien.

Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat ten tijde van de vaststelling van het plan op het perceel [locatie 15] agrarische activiteiten plaatsvonden. De omstandigheid dat sinds medio 2011 op het perceel kalveren zijn gestald, betreft een ontwikkeling die zich na het bestreden besluit heeft voorgedaan waarmee de raad bij de vaststelling van het plan geen rekening heeft kunnen houden. Voor zover de schuur op dit perceel wordt gebruikt ten behoeve van boom- en sierteelt, wordt overwogen dat deze activiteiten niet legaal worden uitgevoerd. Gelet hierop en op het aan het plan ten grondslag liggende uitgangspunt dat boom- en sierteelt slechts beperkt mogelijk wordt gemaakt in het plangebied, in verband met de ruimtelijke uitstraling daarvan, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien de boom- en sierteeltactiviteiten als zodanig te bestemmen.

Ten aanzien van de door [appellante sub 14] gemaakte vergelijking met de percelen Broekhuisweg 2 en Bornseweg 41 heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situaties niet gelijkwaardig zijn aan de situatie [locatie 14 en 15] omdat de boomteeltactiviteiten op het perceel Broekhuisweg 2 legaal worden verricht en de bedrijfswoning wordt bewoond door familie van de bedrijfsvoerder. Het perceel Bornseweg 41 betreft volgens de raad een bedrijfswoning bij een horecabedrijf waaraan een horecabestemming is toegekend. In hetgeen [appellante sub 14] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 14] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. De Afdeling overweegt voorts dat het voor de raad ter zitting niet mogelijk was adequaat te reageren op de door [appellante sub 14] eerst ter zitting in dit verband genoemde percelen aan de Bellinkhofweg en de Westerikweg. Voorts is niet gebleken dat [appellante sub 14] het betoog in zoverre niet in een eerder stadium naar voren heeft kunnen brengen. Gelet daarop verzet de goede procesorde zich ertegen dat het betoog in zoverre bij de beoordeling van het beroep wordt betrokken.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid aan de percelen [locatie 14 en 15] de bestemming "Wonen" kunnen toekennen.

2.25. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 14] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 14] is ongegrond.

[appellanten sub 4]

2.26. [appellanten sub 4] kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Bedrijf", voor zover betrekking hebbend op het naast hun woning gelegen perceel [locatie 16] te Saasveld (hierna: het perceel), waar thans een slagerij wordt geëxploiteerd. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat het plan innerlijk tegenstrijdig is, omdat uit artikel 8.1, aanhef en onder a, van de planregels in samenhang met bijlage 4 bij de planregels volgt dat het perceel is bestemd ten behoeve van een slachterij/slagerij, terwijl uit artikel 8.3, aanhef en onder f, van de planregels, voor zover hier van belang, volgt dat detailhandel, anders dan productiegebonden detailhandel, ter plaatse niet is toegestaan. Volgens [appellanten sub 4] kan een slagerij niet worden aangemerkt als productiegebonden detailhandel.

2.26.1. De raad stelt dat op het perceel een van oorsprong agrarisch bedrijf was gevestigd. Ter plaatse vonden huisslachtingen plaats en in de loop van de tijd eveneens verkoop van vlees aan consumenten. Volgens de raad is onduidelijk of ten tijde van de vaststelling van het plan ter plaatse werd geslacht. De raad stelt dat, in overeenstemming met provinciaal beleid, op het perceel alleen ondergeschikte productiegebonden detailhandel mag plaatsvinden en geen winkelruimte is toegestaan. Volgens de raad zijn slagerij-activiteiten niet gericht op detailhandel indien wordt verkocht aan horeca-bedrijven en cateraars.

2.26.2. Aan het perceel is de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 8.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van bedrijven, welke per adres zijn genoemd in bijlage 4, niet zijnde geluidszoneringsplichtige, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven.

In bijlage 4 bij de planregels is het adres [locatie 16] opgenomen met de vermelding "Slachterij/slagerij".

Ingevolge artikel 8.3, aanhef en onder f, voor zover hier van belang, wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan productiegebonden detailhandel.

Ingevolge artikel 1.37, wordt onder detailhandel verstaan: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Ingevolge artikel 1.83, wordt onder productiegebonden detailhandel verstaan: detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, geteeld, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie en waarvoor geen winkelruimtes worden ingericht.

2.26.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat sinds enkele jaren op het perceel detailhandel, in de vorm van een slagerij, plaatsvindt. Niet kan worden vastgesteld dat ten tijde van de vaststelling van het plan slachtingen werden uitgevoerd. Gelet daarop kan voornoemde detailhandel niet worden aangemerkt als productiegebonden detailhandel, ondergeschikt aan de productiefunctie. Reeds hierom is de toegekende bestemming niet passend voor de activiteiten op het perceel.

2.26.4. In hetgeen [appellanten sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellanten sub 4] is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3.1 van de Wro te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf", dat ziet op het perceel [locatie 16] te Saasveld. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden van [appellanten sub 4] geen bespreking meer.

[appellante sub 1]

2.27. [appellante sub 1] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover aan het voorste deel van haar perceel aan de [locatie 17] te Weerselo de bestemming "Agrarisch-1" is toegekend. Zij voert hiertoe aan dat het desbetreffende deel van het perceel al geruime tijd regelmatig wordt gebruikt voor opslag van bouwmaterialen en gereedschappen ten behoeve van het aannemersbedrijf. Het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Weerselo heeft daarvoor volgens haar in 1982 een vrijstelling verleend van de onder het vorige plan geldende agrarische bestemming. Aan de bij de vrijstelling bedongen landschappelijke inpassing is volgens [appellante sub 1] uitvoering gegeven door plaatsing van een houtwal langs de gehele westelijke perceelsgrens van het bedrijf en langs de Bornsestraat, waardoor een afgerond bedrijfsterrein is ontstaan. Zij betoogt voorts dat de noodzaak van een agrarische bestemming op het desbetreffende deel van haar perceel niet nader is onderbouwd en dat zij niet voornemens en in staat is dat deel van het perceel te gebruiken voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. De toegekende bestemming is volgens haar derhalve niet uitvoerbaar.

2.27.1. De raad stelt dat bij de vaststelling van het plan als uitgangspunt is genomen dat niet-agrarische bedrijven worden bestemd op basis van de bestaande, legale situatie ter plaatse. De raad wijst erop dat de vrijstelling voor opslag van bouwmaterialen slechts op het achterste deel van het perceel ziet. De raad stelt dat de landschappelijke inpassing is verbonden aan de op 15 november 1983 verleende bouwvergunning voor de bouw van een loods. De raad stelt voorts dat blijkens luchtfoto's slechts het achterste deel van het perceel van [appellante sub 1] wordt gebruikt voor opslag. Verder is volgens de raad het voorste deel van het perceel in de milieuvergunning niet genoemd als behorend bij de inrichting.

2.27.2. In het vorige plan "Buitengebied Weerselo", dat de raad van de voormalige gemeente Weerselo op 2 oktober 1971 heeft vastgesteld en dat op 19 december 1972 gedeeltelijk is goedgekeurd, was aan het perceel van [appellante sub 1] de bestemming "Industrie" toegekend, met uitzondering van een deel van het perceel waaraan de bestemming "Agrarisch gebied" was toegekend. Bij besluit van 27 december 1982 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Weerselo vrijstelling verleend van de in dat plan aan het desbetreffende perceelsgedeelte toegekende bestemming "Agrarisch gebied" voor opslag. De Afdeling stelt vast dat uit de vrijstelling, het daaronder liggende voorstel en de situatietekening, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat de vrijstelling uitsluitend ziet op het achterste deel van het perceel ten aanzien waarvan met de bestemming strijdig gebruik is geconstateerd.

Uit de door de raad overgelegde luchtfoto's uit 2007, 2010 en 2011 blijkt dat het voorste deel van het perceel uit onbebouwd grasland bestaat. Uit de luchtfoto's kan niet worden afgeleid dat de desbetreffende gronden reeds jarenlang worden gebruikt voor opslag. [appellante sub 1] heeft dit ook op andere wijze niet aannemelijk gemaakt.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid, in overeenstemming met gemeentelijk beleid, de vrijstelling en de bestaande situatie, aan het voorste deel van het perceel van [appellante sub 1] de bestemming "Agrarisch-1" kunnen toekennen.

2.27.3. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 1] is ongegrond.

[appellante sub 10] en anderen

2.28. [appellante sub 10] en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan, voor zover de aan de percelen [locatie 18 en 19] te Denekamp toegekende aanduiding "specifieke vorm van wonen-tweede bedrijfswoning" niet is verankerd in artikel 10 van de planregels. Op grond van artikel 10.2.1, aanhef en onder c, van de planregels is per bestemmingsvlak één bedrijfswoning toegestaan, zodat thans één van de twee bedrijfswoningen volgens hen is wegbestemd.

2.28.1. Aan de percelen [locatie 18 en 19] is de bestemming "Bedrijf-Glastuinbouw" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen-tweede bedrijfswoning" toegekend.

Ingevolge artikel 10.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor "Bedrijf-Glastuinbouw" aangewezen gronden bestemd voor:

a. kassen en overige bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van glastuinbouwbedrijven;

b. bedrijfswoningen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit.

Ingevolge artikel 10.2.1, aanhef en onder c, voor zover hier van belang, bedraagt het aantal bedrijfswoningen per bestemmingsvlak ten hoogste één.

2.28.2. De raad stelt dat bij de vaststelling van het plan is beoogd de desbetreffende bedrijfswoningen als zodanig te bestemmen door middel van de aanduiding "specifieke vorm van wonen-tweede bedrijfswoning", maar dat is verzuimd artikel 10.2.1, aanhef en onder c, van de planregels aan te passen. De raad stelt dat het beroep op dit punt gegrond is.

Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit, voor zover daarin voornoemde aanduiding niet in artikel 10.2.1, aanhef en onder c, van de planregels is verankerd, genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellante sub 10] en anderen is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb in zoverre te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien. Daartoe wordt aangesloten bij de door de raad ter zitting voorgestelde aanvulling van artikel 10.2.1, aanhef en onder c, van de planregels, welke aanvulling, meer dan de door [appellante sub 10] en anderen voorgestelde aanvulling, in overeenstemming is met de plansystematiek. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat derdebelanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad.

Tuinwacht B.V.

2.29. Tuinwacht B.V. kan zich niet verenigen met het plan, voor zover in bijlage 4 bij de planregels is opgenomen dat de bebouwde oppervlakte van haar perceel [locatie 2] te Deurningen 1.500 m2 bedraagt. Zij voert hiertoe aan dat de huidige bebouwde oppervlakte van het perceel 1.965 m2 bedraagt. De raad heeft volgens Tuinwacht B.V. haar zienswijze op dit punt gegrond verklaard, maar bijlage 4 bij de planregels niet aangepast.

2.29.1. De raad erkent dat bij de vaststelling van het plan de bebouwde oppervlakte gewijzigd is vastgesteld, maar dat de wijziging niet is weergegeven in bijlage 4 bij de planregels. De raad stelt dat het beroep op dit punt gegrond is.

Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit, voor zover het betreft de vermelding van de bebouwde oppervlakte van het perceel [locatie 2] in bijlage 4 bij de planregels, genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van Tuinwacht B.V. is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb in zoverre te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien. Daartoe wordt aangesloten bij de door de raad en Tuinwacht B.V. voorgestelde wijziging van bijlage 4 bij de planregels. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat derdebelanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad.

[appellant sub 9]

2.30. [appellant sub 9] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover in bijlage 4 bij de planregels de bestemming en bebouwde oppervlakte van zijn percelen, gelegen aan de [locatie 20, 21 en 22] te Denekamp, zijn opgenomen. Bij de vaststelling van het plan zijn de bestemming en bebouwde oppervlakte van zijn percelen gewijzigd, maar dit is niet juist weergegeven in bijlage 4 bij de planregels. De huidige oppervlakte van de bedrijfsgebouwen op zijn percelen bedraagt volgens [appellant sub 9] niet 980 m2, maar 1.100 m2.

2.30.1. De raad erkent dat bij de vaststelling van het plan de bestemming en bebouwde oppervlakte van de percelen van [appellant sub 9] gewijzigd zijn vastgesteld, maar dat deze wijzigingen niet juist zijn weergegeven in bijlage 4 bij de planregels. De raad stelt dat het beroep op dit punt gegrond is.

Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit, voor zover betreft de vermelding van de bestemming en bebouwde oppervlakte van het perceel [locatie 21] in bijlage 4 bij de planregels, genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 9] is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb in zoverre te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien. Daartoe wordt aangesloten bij de door de raad en [appellant sub 9] voorgestelde wijziging van bijlage 4 bij de planregels. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat derdebelanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad.

Proceskosten

2.31. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 13], [appellanten sub 4], [appellante sub 10] en anderen, Tuinwacht B.V. en [appellant sub 9] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van de overige appellanten bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 3], [appellanten sub 2] geheel, het beroep van [appellanten sub 11], voor zover dat erop is gericht dat het plan teveel sier- en boomteelt toestaat, en het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tuinwacht B.V., voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf", voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie 2] te Deurningen, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 4], [appellante sub 10] en anderen en [appellant sub 9] geheel, het beroep van [appellant sub 13] gedeeltelijk, en het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tuinwacht B.V., voor zover ontvankelijk, gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dinkelland van 18 februari 2010, voor zover:

- het betreft artikel 3.4, aanhef en onder p, van de planregels;

- het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf", dat ziet op het perceel [locatie 16] te Saasveld;

- in artikel 10.2.1, aanhef en onder c, van de planregels niet de aanduiding "specifieke vorm van wonen-tweede bedrijfswoning" is verankerd;

- het betreft bijlage 4 bij de planregels, voor zover betrekking hebbend op de percelen [locatie 2] te Deurningen en [locatie 21] te Denekamp;

IV. bepaalt dat:

- artikel 10.2.1, aanhef en onder c, van de planregels als volgt komt te luiden:

"het aantal bedrijfswoningen zal ten hoogste één per bestemmingsvlak bedragen, tenzij de gronden zijn voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van wonen-tweede bedrijfswoning";

- bijlage 4 bij de planregels, voor zover deze ziet op de percelen [locatie 2] en [locatie 20, 21, 23 en 22], als volgt komt te luiden:

Bestemming Adres Huidig opp. bedrijfs-

gebouwen in m2 115% 125% Aantal bedrijfs-woningen

(B) Bedrijf

Hoveniersbedrijf [locatie 2] 1965 2260 2456 0

(DH) Detailhandel

Detailhandel [locatie 20, 21, 23, 22] 1100 1265 1375 0

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit, voor zover dat is vernietigd, voor zover daarbij is besloten omtrent de vaststelling van de onder IV genoemde planonderdelen;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 8], [appellant sub 15], [appellant sub 5], [appellant sub 17], [appellant sub 7], [appellant sub 6], [appellante sub 16], [appellante sub 14] en [appellante sub 1] geheel, het beroep van [appellanten sub 11], voor zover ontvankelijk, en het beroep van [appellant sub 13], voor het overige, ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Dinkelland tot vergoeding van bij:

VIII. - [appellant sub 13] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellanten sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- [appellante sub 10] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tuinwacht B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 9] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de raad van de gemeente Dinkelland aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 13];

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 4], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor [appellante sub 10] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tuinwacht B.V.;

- € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor [appellant sub 9].

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2012

472-650-685-731.