Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3858

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201108646/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2009 heeft het college aan [belanghebbende A] vrijstelling en lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van diverse erfafscheidingen op het perceel [locatie 1] te Eersel (hierna: perceel 1).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201108646/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eersel,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 juni 2011 in zaak nr. 10/2801 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eersel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2009 heeft het college aan [belanghebbende A] vrijstelling en lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van diverse erfafscheidingen op het perceel [locatie 1] te Eersel (hierna: perceel 1).

Bij besluit van 17 november 2009 heeft het college aan [belanghebbende B] vrijstelling en lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van diverse erfafscheidingen en twee lichtmasten op het perceel, kadastraal bekend gemeente Eersel, sectie […], nrs. […], […] en […], nabij [locatie 1] (hierna: perceel 2).

Bij besluit van 29 april 2010 heeft het college het door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juni 2011, verzonden op 28 juni 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2012, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M.H.M. Bakermans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) kan het college vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985) komt een bouwwerk, geen gebouw zijnde daarvoor in aanmerking, indien het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m² en het gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5 m.

Bij besluit van 23 november 2004 heeft het college de "Beleidsregels gemeente Eersel 2004 inzake de toepassing van artikel 19 lid 3 WRO" vastgesteld, waarin beleid is neergelegd inzake toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 20 van het Bro 1985.

Volgens artikel 7 van de beleidsregels zijn uitgangspunten bij toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder c, van het Bro 1985, dat:

a. geen vrijstelling zal worden verleend voor erfafscheidingen met een grotere hoogte dan 2 m;

b. (…)

c. op percelen waarop een agrarische bestemming rust en (hobbymatige) agrarische (verwante) activiteiten plaatsvinden, vrijstelling kan worden verleend voor een open afscheiding ingepast in de omgeving met een maximale hoogte van 1,65 meter (inclusief eventuele puntdraden aan de bovenzijde) en een maximale lengte van 400 meter;

d. op erven en percelen, behorende bij een woning buiten de bebouwde kom, uitsluitend vrijstelling zal worden verleend voor een erfafscheiding indien deze binnen de woonbestemming wordt gerealiseerd met een maximale afstand van 400 meter en de hoogte beperkt blijft tot 2 meter en mits deze ingepast wordt in de omgeving.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1988" rust op perceel 1 de bestemming "Agrarisch gebied, alsmede gebied met landschappelijke waarde -Al-". Op perceel 2 rust gedeeltelijk voormelde bestemming en gedeeltelijk de bestemming "Houtwallen en/of houtopstanden -N(h)-". Plaatsing van de erfafscheidingen en lichtmasten is in strijd met het bestemmingsplan. Teneinde de bouwplannen niettemin mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in verbinding met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bro 1985 vrijstelling verleend van het bestemmingsplan. Het college heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat de bouwplannen passen binnen het door hem gevoerde beleid inzake de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO.

2.3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de bouwplannen in strijd zijn met artikel 7 onder d van de beleidsregels omdat de erfafscheidingen niet binnen de woonbestemming zullen worden gerealiseerd. Nu niet in geschil is dat op beide percelen een agrarische bestemming rust als bedoeld in artikel 7 onder c van de beleidsregels en op de percelen hobbymatig agrarisch (verwante) activiteiten plaatsvinden, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college de bouwplannen terecht aan artikel 7 onder c van de beleidsregels heeft getoetst.

2.4. [appellant] betoogt eveneens tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in artikel 7 van de beleidsregels vermelde maximale lengte van 400 meter per perceel geldt. Gelet op de tekst van artikel 7 van de beleidsregels bestaat geen grond voor het oordeel dat de gezamenlijke lengte van de erfafscheidingen, waarop beide verleende vrijstellingen zien, bij de toetsing aan de beleidsregels in aanmerking moet worden genomen. Nu de erfafscheidingen over meerdere percelen zijn verspreid en, naar niet in geschil is, de lengte van de erfafscheidingen per perceel minder is dan 400 meter, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de bouwplannen niet voldoen aan de in artikel 7 van de beleidsregels gestelde voorwaarden.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het perceel [locatie 1] een gemeentelijk monument betreft en dat het college op grond van artikel 11 van de Monumentenverordening 1997 pas een besluit op de aanvraag mag nemen nadat de Monumentencommissie een advies heeft uitgebracht over het bouwplan.

2.5.1. Dit betoog slaagt evenmin. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat het pand aan [locatie 1] een gemeentelijk monument is, niet meebrengt dat een monumentenvergunning benodigd is voor het plaatsen van erfafscheidingen op dat perceel. De Monumentenverordening 1997 is niet van toepassing. Nu de Erfgoedverordening 2010 Gemeente Eersel in werking is getreden op 1 oktober 2010 en derhalve na het nemen van het besluit op bezwaar, kunnen de bouwplannen niet aan de Erfgoedverordening 2010 getoetst, zodat hetgeen [appellant] in dit verband heeft aangevoerd, buiten beschouwing dient te blijven.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

604.