Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3857

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201108316/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 14 januari 2010 heeft het college een reactie gegeven op het verzoek van de Stichting tot uitbetaling van subsidie voor de kosten van het meerwerk dat is uitgevoerd bij de restauratie van de molen ‘t Haantje.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201108316/1/A2.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Molen 't Haantje, gevestigd te Weesp,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2011 in zaak nr. 10/3490 in het geding tussen:

de Stichting

en

het college van burgemeester en wethouders van Weesp.

1. Procesverloop

Bij brief van 14 januari 2010 heeft het college een reactie gegeven op het verzoek van de Stichting tot uitbetaling van subsidie voor de kosten van het meerwerk dat is uitgevoerd bij de restauratie van de molen ‘t Haantje.

Bij besluit van 15 juni 2010 heeft het college het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 29 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de Stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 oktober 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2012, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. E.H.M. Schaakxs, advocaat te Amersfoort en door [penningmeester], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.C. Kaandorp, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (hierna: het Brrm 1997) kan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de eigenaar van een beschermd monument dat voorkomt in een gemeentelijk restauratie-uitvoeringsprogramma als bedoeld in artikel 11 (hierna: GRUP) subsidie verstrekken in de subsidiabele restauratiekosten van dat monument.

2.2. De Stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte de brief van 14 januari 2010 niet heeft aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht maar heeft overwogen dat de inhoud van deze brief van informatieve aard is. De Stichting betoogt - samengevat weergegeven - dat de rechtbank heeft miskend dat de brief is gericht op rechtsgevolg, nu daarmee een eerder toegekende subsidie voor de meerwerkkosten voor de restauratie van het rijksmonument de molen 't Haantje in Weesp wordt ingetrokken. Daartoe voert zij aan dat de Stichting bij brief van 13 februari 2003 een aanvraag om subsidie voor de meerwerkkosten heeft ingediend, waarop het college volgens de Stichting bij brief van 14 juli 2005 in positieve zin heeft besloten.

2.3. Naar aanleiding van de door de Stichting ingediende subsidieaanvraag van 8 juni 2000 heeft de Rijksdienst voor de monumentenzorg (thans de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, hierna: Rijksdienst) op 2 juli 2001 op grond van het Brrm 1997 ten behoeve van de restauratie van de molen ’t Haantje de subsidiabele restauratiekosten vastgesteld op een bedrag van € 357.867,00 en voorts op basis van een subsidiepercentage van zeventig procent een subsidie toegekend van € 250.507,00.

Niet in geschil is dat bij de uitvoering van de restauratiewerkzaamheden bleek dat er voor ongeveer € 98.051,00 aan meerwerk noodzakelijk was. De Stichting heeft bij brief van 13 februari 2003 bij de Rijksdienst een aanvraag gedaan deze meerwerkkosten als subsidiabel aan te merken. Zij heeft een afschrift van deze brief naar het gemeentebestuur gezonden. In haar brief van 16 maart 2003 heeft de Stichting het college gewezen op de bij de Rijksdienst ingediende aanvullende aanvraag van 13 februari 2003. Zij heeft verder verzocht aan te geven voor welk jaar de subsidieverlening wordt ingeboekt en of het gemeentebestuur bereid is om een lening te verstrekken ter overbrugging van de periode tot de subsidieverstrekking.

Het college heeft de Stichting bij brief van 1 april 2003 medegedeeld dat de Rijksdienst de aanvullende aanvraag van 13 februari 2003 om subsidie op grond van het Brrm heeft ontvangen en dat deze door de Rijksdienst in behandeling is genomen.

Bij besluit van 11 juni 2003 heeft de Rijksdienst naar aanleiding van de aanvullende aanvraag van 13 februari 2003 de meerwerkkosten subsidiabel geacht en de subsidiabele restauratiekosten verhoogd tot een totaal bedrag van € 455.918,00. Vanwege het GRUP en de daarin gestelde prioriteiten was het vanwege ontoereikend budget niet mogelijk op basis van het subsidiepercentage van zeventig procent de subsidie volledig te verlenen en de Rijksdienst heeft bij laatstgenoemd besluit de subsidie voor de restauratie van de molen ’t Haantje onveranderd vastgesteld op een bedrag van € 250.507,00. Ter zitting bij de Afdeling is door de Stichting verklaard dat zij tegen dit besluit geen bezwaar heeft gemaakt.

Bij brief van 15 juli 2003 heeft het college de Stichting, in antwoord op haar brief van 16 maart 2003, toegezegd dat de gemeente bereid is garant te staan voor het aangaan van een lening van € 100.000,00 met een looptijd tot 1 januari 2011 bij het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse Gemeenten.

Na gereedmelding van de restauratiewerkzaamheden op 8 mei 2006 is de rijkssubsidie van € 250.507,00 definitief vastgesteld en aan de Stichting uitgekeerd door het Nationaal Restauratie Fonds.

2.4. Uit het vorenstaande volgt dat zowel de Rijksdienst als het college de brief van 13 februari 2003 heeft aangemerkt als een aanvullende aanvraag om op grond van het Brrm 1997 een aanvullende subsidie te verstrekken voor de meerwerkkosten. De Rijksdienst heeft bij besluit van 11 juni 2003 op deze aanvullende aanvraag beslist door het subsidiebedrag onveranderd vast te stellen op € 250.507,00. Tegen dit besluit had de Stichting rechtsmiddelen kunnen en, indien zij zich niet kon vinden in het niet verhogen van de het totale subsidiebedrag, moeten aanwenden. Het besluit van 11 juni 2003 is thans onherroepelijk. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat nu op de aanvraag van 13 februari 2003 gericht aan de Rijksdienst bij besluit van 11 juni 2003 is beslist, er geen sprake is van een schriftelijke aanvraag om subsidie voor de kosten van het meerwerk gericht aan het college. De brief van 14 juli 2005 kan reeds daarom niet als een subsidiebesluit worden aangemerkt.

2.5. Voorts voert de Stichting aan dat het college het gerechtvaardigde vertrouwen bij haar heeft gewekt dat de meerwerkkosten gesubsidieerd zouden worden en dat het college reeds daarom gehouden is de subsidie uit te keren. Ook in dit verband wijst zij op de brief van 14 juli 2005 waarin het afdelingshoofd Bouwen en Milieu van de gemeente Weesp aan de Stichting heeft medegedeeld dat in het meerjarenuitvoeringsprogramma voor het jaar 2008 een bedrag van € 6.188,00 en voor het jaar 2009 een bedrag € 2.194,92 is opgenomen en dat de verdeling in de jaren na 2009 nog niet is vastgesteld.

2.5.1. De omstandigheid dat in de overleggen die door de Stichting met gemeenteambtenaren zijn gevoerd bij haar de indruk is ontstaan dat verstrekking van subsidie voor het meerwerk mogelijk was, biedt onvoldoende grondslag voor het oordeel dat de Stichting daaraan een in rechte te honoreren vertrouwen kan ontlenen op grond waarvan het college gehouden is voor het meerwerk subsidie te verstrekken. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de mededeling over het beschikbaar stellen van budget voor bepaalde posten in het meerjarenuitvoeringsprogramma in beginsel niet is gericht op een rechtsgevolg ten aanzien van mogelijke belanghebbenden. Slechts als daarbij in een concreet geval omtrent de verstrekking van subsidie wordt besloten, kan aanleiding worden gevonden voor afwijking van dit uitgangspunt. Van een dergelijke uitzondering is in dit geval geen sprake reeds omdat, zoals hiervoor is overwogen, een schriftelijke aanvraag om subsidie voor de meerwerkkosten ontbreekt. Ook de garantstelling in de brief van 15 juli 2003 voor het aangaan van een lening van € 100.000,00 bij het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse Gemeenten kan, anders dan de Stichting ter zitting heeft betoogd, niet als een toezegging voor het verstrekken van subsidie worden opgevat. In deze brief wordt niet alleen geen melding gemaakt van een te verstrekken subsidie maar daarin wordt bovendien benadrukt dat aan het einde van de looptijd moet worden bezien of de lening dient te worden voortgezet. Het betoog faalt.

2.6. Bij brief van 14 januari 2010 heeft het college schriftelijk gereageerd op het verzoek van de Stichting uit 2009 om uitkering van de subsidie voor de kosten van het meerwerk. In deze brief is door het college een toelichting gegeven op de op grond van het Brrm 1997 toegekende en verleende rijkssubsidie voor de restauratiewerkzaamheden van de molen 't Haantje. Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank terecht overwogen dat de inhoud van de brief niet anders kan worden gezien dan als van informatieve aard. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat geen sprake is van een besluit zodat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

432.