Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3847

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201110508/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 januari 2010 heeft het college geweigerd aan [appellant sub 3] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van drie woningen, drie erfafscheidingen en vijf overkragende terrassen op het perceel [locatie] te Hazerswoude Dorp, kadastraal bekend als Hazerswoude, sectie [.]. nrs. [….], [….] en [….].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110508/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Hazerswoude-Dorp, gemeente Rijnwoude,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Madeliefje B.V., gevestigd te Hazerswoude-Dorp, gemeente Rijnwoude,

3. [appellant sub 3], wonend te Hazerswoude-Dorp, gemeente Rijnwoude,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 augustus 2011 in zaken nrs. 10/5761, 10/5763 en 10/5764 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

Madeliefje,

[appellant sub 3]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2010 heeft het college geweigerd aan [appellant sub 3] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van drie woningen, drie erfafscheidingen en vijf overkragende terrassen op het perceel [locatie] te Hazerswoude Dorp, kadastraal bekend als Hazerswoude, sectie [.]. nrs. [….], [….] en [….].

Bij besluit van 29 juni 2010 heeft het college het door Madeliefje en [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van dezelfde datum heeft het college het door [appellant sub 3] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 5 januari 2010 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 17 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellant sub 1], Madeliefje en [appellant sub 3] tegen de afzonderlijke besluiten van 29 juni 2010 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1], Madeliefje en [appellant sub 3] bij afzonderlijke brieven, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2011, hoger beroep ingesteld. Zij hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 26 oktober 2011.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2011, waar [appellant sub 1], in persoon en Madeliefje en [appellant sub 3], beide vertegenwoordigd door [appellant sub 1], en het college, vertegenwoordigd door mr. I.T.J. Leuven, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. A.P. van Delden, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Tevens zijn verschenen [Partij sub 1], [Partij sub 2] en [Partij sub 3], allen bijgestaan door mr. drs. R.T.M. Lagerweij.

2. Overwegingen

2.1. Madeliefje en [appellant sub 1] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de door hen gemaakte bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft geacht. Zij voeren hiertoe aan dat door de weigering schadelijke gevolgen voor hen zijn ontstaan.

2.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3. De rechtbank heeft terecht in navolging van de Afdeling (verwezen zij onder meer naar de uitspraak van 6 juli 2005 in zaak nr. 200410416/1) geoordeeld, dat bij een besluit, waarbij een aangevraagde vrijstelling en bouwvergunning wordt geweigerd, slechts het belang van de aanvrager van die vergunning rechtstreeks is betrokken. [appellant sub 1] en Madeliefje hadden geen tegengesteld belang, nu zij beide de verlening van de vrijstelling en vergunning op het oog hadden. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, dan ook terecht overwogen dat Madeliefje en [appellant sub 1] slechts een afgeleid belang hebben en dat dit oordeel niet wijzigt doordat een contractuele relatie bestaat tussen [appellant sub 3] en [appellant sub 1]. Dat, zoals [appellant sub 1] en Madeliefje betogen, [appellant sub 1] reeds een vergunning van het Hoogheemraadschap heeft gekregen voor het vervangen en hebben van beschoeiing langs de percelen [.] [….], [….] en [….], welke vergunning nodig was om de realisering van de terrassen bij de (in totaal vijf) woningen mogelijk te maken en hij zijn eigen bouwplan in verband met het hier aan de orde zijnde bouwplan heeft moeten aanpassen, maakt dit niet anders.

2.4. [appellant sub 3] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college toereikend heeft gemotiveerd dat de realisering van de drie woningen, gesitueerd naast de reeds - met een vrijstelling - vergunde twee woningen ter plaatse, leidt tot een stedenbouwkundige onaanvaardbare bebouwingsdichtheid, gerelateerd aan onder meer de afstand tot de panden van de omwonenden alsmede de verkeerssituatie ter plaatse. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college de weigering volledig heeft gebaseerd op het oordeel van de commissie Ruimtelijke Zaken over het bouwplan, terwijl deze commissie door het college niet op juiste wijze over het bouwplan is voorgelicht, en het college de weigering onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.4.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, was het college verplicht zelfstandig een nadere belangenafweging te maken. Aan de door het college aan de commissie Ruimtelijke Zaken gegeven toelichting en het vervolgens uitgebrachte negatieve advies van die commissie komt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dan ook niet die betekenis toe die [appellant sub 3] daaraan gehecht wenst te zien. Dit laat onverlet dat de weigering vrijstelling en bouwvergunning te verlenen door het college deugdelijk moet zijn gemotiveerd.

2.4.2. Het college heeft zich, voor zover thans van belang, in het besluit van 5 januari 2010 op het standpunt gesteld dat het bouwplan - door het beoogde bouwvolume van de drie woningen, in relatie tot de te bebouwen grondoppervlakte en wat er nog aan oppervlakte open ruimte overblijft - leidt tot een te grote bebouwingsdichtheid. Het college heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat door realisatie van het bouwplan een onaanvaardbare aantasting van de zonlichttoetreding en privacy voor de bewoners van de woningen aan de [locaties] ontstaat en dat de realisatie van drie woningen een extra verkeersaantrekkende werking heeft op de reeds zeer drukke Dorpsstraat, terwijl voorts de in- en uitrit verkeerstechnisch gezien ongunstig gelegen is, mede met het oog op de geringe afstand naar de ophaalburg die de scheiding vormt tussen de Dorpsstraat en de Voorweg.

[appellant sub 3] heeft in bezwaar, voor zover thans van belang, gemotiveerd aangevoerd dat met het bouwplan de thans bebouwde oppervlakte en het bouwvolume afnemen en dat het bestemmingsplan het mogelijk maakt dat thans, naast de reeds bestaande bedrijfsgebouwen, een bedrijfswoning wordt bijgebouwd, dat ten opzichte van de huidige bebouwing geen sprake is van een vermindering van de zonlichttoetreding voor de omwonenden, dat de privacy van omwonenden door realisering van het bouwplan niet verslechtert, dat de verkeersaantrekkende werking na realisering van het bouwplan minder is dan in de huidige situatie en dat de ontsluiting van het perceel is gerealiseerd op de wijze die het college wilde. In het besluit op bezwaar is het college onvoldoende op deze door [appellant sub 3] aangevoerde gronden ingegaan. Ter zitting heeft het college aangegeven de voorkeur te geven aan de bouw van slechts twee woningen ter plaatse. Nu deze door het college eerst ter zitting van de Afdeling gegeven toelichting op het besluit niet is te herleiden naar het in het besluit ingenomen standpunt, komt de Afdeling tot het oordeel dat het college de weigering om vrijstelling en bouwvergunning te verlenen niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Het betoog slaagt.

2.5. [appellant sub 3] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bestuursorgaan het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Hij voert daartoe, onder verwijzing naar het besluit van het college van 18 november 2008, aan dat sprake is van een concrete toezegging van de zijde van het college dat medewerking zal worden verleend aan het bouwplan.

2.6. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Van dergelijke aan [appellant sub 3] gedane toezeggingen is niet gebleken. De door [appellant sub 3] overgelegde besluitenlijst van het college maakt dit niet anders. Hierin is vermeld dat het college vasthoudt aan de lijn dat medewerking wordt verleend aan de drie woningen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan uit de bewoordingen slechts redelijkerwijs worden afgeleid dat op dat moment nog geen definitieve beslissing over het vrijstellingsverzoek van [appellant sub 3] was genomen, maar dat deze passage slechts de neerslag vormt van een intentie van het college. Dit is temeer zo, nu uit de stukken is gebleken dat [appellant sub 3] ervan op de hoogte was dat het bouwplan nog zou worden besproken in een vergadering van de commissie Ruimtelijke Zaken.

2.7. De hoger beroepen van [appellant sub 1] en Madeliefje zijn ongegrond. Het hoger beroep van [appellant sub 3] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit van 29 juni 2010 ongegrond is verklaard. Hetgeen voor het overige door [appellant sub 3] is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling dat beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit van 29 juni 2010 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 3] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 augustus 2011 in zaken nr. 10/5764;

III. verklaart het door [appellant sub 3] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude van 29 juni 2010, kenmerk In-3250/3252/uit-3383, BWT.-nr. 2008-135;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude aan [appellant sub 3] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 377,00 (zegge: driehonderdzevenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Pieters

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

473.