Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3846

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201201618/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Oost-Graftdijk Locatie Stroop" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201201618/2/R1.

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te Oost-Graftdijk, gemeente Graft-De Rijp,

2. [verzoeker sub 2] en anderen, wonend te Oost-Graftdijk, gemeente Graft-De Rijp,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Graft-De Rijp,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Oost-Graftdijk Locatie Stroop" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 februari 2012, en [verzoeker sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2012, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brieven als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 3 april 2012, waar [verzoeker sub 1], vertegenwoordigd door mr. E. Kronemeijer, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, [verzoeker sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. G.H.L. Weesing, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door P.J. Zwitselaar en R.S. van Diepen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Zeeman Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de bouw van dertien woningen en de reservering van twee vrije kavels op de locatie van een voormalig bollenbedrijf, kadastraal bekend als gemeente Graft-De Rijp, sectie G, nrs. 213, 270, 273, 275 (ged.), 528 en 529, plaatselijk bekend als Oost-Graftdijk 51.

2.2.1. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen beogen met hun verzoeken onomkeerbare ontwikkelingen ten gevolge van de inwerkingtreding van het plan te voorkomen. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen betogen dat het plan op onzorgvuldige wijze is vastgesteld. Zij voeren hiertoe aan dat de raad op 1 juli 2010 heeft besloten het plan niet vast te stellen, waarmee de planologische procedure is beëindigd, en dat de raad vervolgens niet kan besluiten het plan alsnog vast te stellen. Voorts heeft de raad bij het vaststellen van het plan niet onderkend dat sinds 1 juli 2010 een nieuwe provinciale verordening in werking is getreden die bij de vaststelling van het plan had moeten worden betrokken.

2.2.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat voortschrijdend inzicht ertoe heeft geleid dat hij thans van mening is dat de vaststelling van het plan leidt tot de planologisch meest gewenste ontwikkeling. Volgens de raad zijn er ruimtelijk gezien geen wijzigingen opgetreden ten opzichte van het besluit van 1 juli 2010 in die zin dat de afweging omtrent de gewenste ruimtelijke ordening volledig is gemotiveerd in het ontwerpplan en de toelichting die destijds ter inzage hebben gelegen. Er zijn volgens de raad geen nieuwe ontwikkelingen geweest die zouden moeten worden meegenomen, zodat hij bij de vaststelling van het plan heeft kunnen terugvallen op de procedure die het plan in 2009 heeft doorlopen en die heeft geleid tot het besluit van 1 juli 2010.

2.2.3. Vanaf 20 mei 2009 tot 1 juli 2009 heeft het ontwerpplan ter inzage gelegen, waarna door 28 personen of instanties zienswijzen zijn ingediend. Vervolgens is het ontwerpplan gewijzigd, waarna dit van 9 december 2009 tot 20 januari 2010 opnieuw ter inzage heeft gelegen. Bij besluit van 1 juli 2010 heeft de raad besloten het plan niet vast te stellen. Bij het door onder meer [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen bestreden besluit van 15 december 2011 heeft de raad het besluit van 1 juli 2010 ingetrokken en besloten het plan ongewijzigd vast te stellen. Het plan heeft hierbij niet opnieuw de voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) doorlopen.

2.2.4. De voorzitter ziet voorshands geen aanleiding een oordeel te geven over de rechtmatigheid van de door de raad gevolgde procedure. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen betogen terecht dat de raad niet heeft onderkend dat na het besluit van 1 juli 2010 een nieuwe provinciale verordening in werking is getreden die bij de vaststelling van het plan had moeten worden betrokken. De Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: PRVS) is op 21 juni 2010 vastgesteld en is op 3 november 2010 in werking getreden. De raad was derhalve bij het besluit van 15 december 2011 hieraan gebonden.

2.2.5. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de PRVS voorziet een bestemmingsplan niet in de ontwikkeling van nieuwe woningbouw in het landelijk gebied.

Ingevolge het tweede lid kan het college van gedeputeerde staten, gehoord de Adviescommissie voor Ruimtelijke Ontwikkeling, ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor:

a. nieuwe woningbouw, hieronder begrepen de ontwikkeling van nieuwe landgoederen, zoals bedoeld in artikel 1 van deze verordening, die bijdraagt aan een substantiële verbetering van in de directe omgeving daarvan aanwezige kwaliteiten van het landschap;

b. overige nieuwe woningbouw in het landelijk gebied.

Ingevolge het derde lid, kan het college van gedeputeerde staten de ontheffing als bedoeld in het tweede lid uitsluitend verlenen indien:

a. de noodzaak van nieuwe woningbouw is aangetoond aan de hand van de in het vierde lid genoemde documenten;

b. is aangetoond dat nieuwe woningbouw niet kan worden gerealiseerd door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen bestaand bebouwd gebied en;

c. het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, houdt een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in de artikelen 12, 13 en 14 in het landelijk gebied rekening met:

a. de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen en aardkundige waarden als bedoeld in artikel 8;

b. de kernkwaliteiten van de bestaande dorpsstructuur waaraan wordt gebouwd;

c. de openheid van het landschap daarbij inbegrepen stilte en duisternis;

d. de historische structuurlijnen;

e. cultuurhistorische objecten.

2.2.6. Vast staat dat het plan voorziet in de ontwikkeling van nieuwe woningbouw in het landelijk gebied, zodat dit in strijd is met artikel 13, eerste lid, van de PRVS en de raad diende te beschikken over een door het college van gedeputeerde staten verleende ontheffing op grond van het tweede lid. Vast staat dat een dergelijke ontheffing ten behoeve van het plan door de raad niet is aangevraagd en door het college van gedeputeerde staten niet is verleend. Dat de raad wel beschikt over een ontheffing van artikel 8, eerste lid, van de voorheen geldende Provinciale ruimtelijke verordening Noord-Holland 2009, waarin is geregeld dat bestemmingsplannen voor gronden in het uitsluitingsgebied geen bestemmingen aanwijzen die nieuwe stedelijke functies mogelijk maken, betekent niet dat een ontheffing op grond van de PRVS niet langer nodig is. Anders dan de raad betoogt, kan de ontheffing van de provinciale verordening uit 2009 niet worden aangemerkt als een ontheffing van de PRVS. Voor het verlenen van ontheffing van artikel 13, eerste lid, van de PRVS gelden, anders dan de raad betoogt, andere inhoudelijke en procedurele vereisten dan voor het verlenen van ontheffing van artikel 8, eerste lid, van de provinciale verordening uit 2009. De raad heeft bovendien niet onderkend dat het college van gedeputeerde staten aan het besluit van 31 maart 2010, waarbij ontheffing van artikel 8, eerste lid, van de provinciale verordening uit 2009 is verleend, een aantal voorschriften heeft verbonden waaraan het plan niet voldoet. De raad heeft zich derhalve ook om die reden niet op het standpunt kunnen stellen dat het plan in overeenstemming is met de provinciale regelgeving. De raad heeft ten slotte aan de door hem overgelegde e-mail van 30 maart 2012 van een medewerker van de provincie, waarin staat dat vanuit de provincie niet is gereageerd op het besluit van 15 december 2011 en de zaak wat hun betreft is afgedaan, niet de betekenis kunnen hechten dat het plan voldoet aan de provinciale regelgeving en een ontheffing van de PRVS niet nodig is. Uit deze e-mail volgt niet welke functie de medewerker van de provincie heeft, of dit het officiële standpunt van het college van gedeputeerd staten betreft en hierin staat evenmin ondubbelzinnig dat het plan in overeenstemming is met de provinciale regelgeving.

2.2.7. De voorzitter is er gelet op het voorgaande op voorhand niet van overtuigd dat in de hoofdzaak zal worden geoordeeld dat het plan in stand kan blijven. In verband hiermee en na afweging van alle betrokken belangen ziet de voorzitter aanleiding om het plan bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. De overige gronden die [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen naar voren hebben gebracht, kunnen, gelet op het voorgaande, buiten bespreking blijven.

2.3. De raad dient ten aanzien van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Graft-de Rijp van 15 december 2011;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Graft-de Rijp tot vergoeding van bij [verzoeker sub 1] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Graft-de Rijp tot vergoeding van bij [verzoeker sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Graft-de Rijp aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [verzoeker sub 1] en € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [verzoeker sub 2] en anderen vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

523.