Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3845

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201201072/2/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer het accepteren, op- en overslaan en bewerken van diverse (afval)stoffen aan de [locatie] te Breda. Dit besluit is op 20 december 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/59 met annotatie van Van der Meijden
JBO 2012/34 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JAF 2012/60 met annotatie van van der Meijden en van der Meijden

Uitspraak

201201072/2/A4.

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te Breda,

2. [verzoeker sub 2] en anderen, wonend te Breda,

3. [verzoeker sub 3], wonend te Breda,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer het accepteren, op- en overslaan en bewerken van diverse (afval)stoffen aan de [locatie] te Breda. Dit besluit is op 20 december 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2012, [verzoeker sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2012, en [verzoeker sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2012, beroep ingesteld. [verzoeker sub 3] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 6 maart 2012.

Bij dezelfde brieven als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 30 maart 2012, waar [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], en [verzoeker sub 3], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van Ginhoven, G.P.A. de Vries, G. Mogot en P.H.W. Heesakkers zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigden], verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Gelet op de verzoekschriften en het verhandelde ter zitting gaat de voorzitter ervan uit dat [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 3] vragen om een voorlopige voorziening te treffen in verband met de door hen aangevoerde gronden over de communicatie van het college met belanghebbenden, geluid, het hanteren van een onjuiste afstand en een niet actuele tekening, het onderscheid tussen grof stof en zogenoemd fijn stof, het hanteren van een verouderd rekenmodel voor de berekeningen van luchtkwaliteit vanwege wegverkeer en de onduidelijkheid omtrent de handelingen die mogen worden verricht met asbesthoudend materiaal.

2.3. Het college betoogt dat de beroepen van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] niet-ontvankelijk zijn nu zij geen zienswijzen naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit.

2.3.1. Of de beroepen van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] ontvankelijk zijn, wordt ten gronde door de Afdeling in het geding in de bodemprocedure vastgesteld. De voorzitter ziet in dit geval geen aanleiding om vooruitlopend daarop de door deze verzoekers naar voren gebrachte argumenten - die naar hun strekking overeenkomen met die van verzoekster [verzoeker sub 3] - buiten beoordeling te laten.

2.4. Verzoekers betogen dat de communicatie met belanghebbenden op gebrekkige wijze heeft plaatsgevonden. Zij voeren in dit verband onder meer aan dat de bekendmaking van het ontwerp van een omgevingsvergunning voor de inrichting in kwestie ten onrechte in de carnavalsvakantie en onder misleidende titel heeft plaatsgevonden. Zij voeren verder aan dat de bekendmaking van het ontwerp van de milieuvergunning ten onrechte in de zomervakantie heeft plaatsgevonden. Voorts betogen verzoekers dat zij ten onrechte geen ongeadresseerde brief met daarin informatie over de komst van de inrichting hebben ontvangen, omdat het college deze brief slechts in twee straten in de omgeving van de inrichting heeft verspreid. Daarnaast betogen zij dat het college belanghebbenden onvoldoende heeft voorgelicht over de komst van de inrichting.

2.4.1. Ter zitting heeft het college uiteengezet op welke wijze de kennisgeving omtrent de milieuvergunning heeft plaatsgevonden. Verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college op dit punt in strijd heeft gehandeld met de wet.

Voor zover verzoekers betogen dat de communicatie over de omgevingsvergunning niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, overweegt de voorzitter dat deze vergunning hier niet ter beoordeling staat.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met de wettelijke bepalingen is voorbereid.

2.5. Verzoekers betogen dat de inrichting onaanvaardbare geluidhinder veroorzaakt. Verzoekers betogen dat de in het bestreden besluit genoemde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten onrechte zijn verhoogd ten opzichte van de in het ontwerpbesluit genoemde grenswaarden.

2.5.1. Bij de beoordeling van het door de inrichting veroorzaakte langtijdgemiddeld beoordelingsniveau heeft het college hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. In dit hoofdstuk zijn voor een rustige woonwijk met weinig verkeer, zoals hier aan de orde, richtwaarden voor het geluidniveau opgenomen van 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.5.2. Het college heeft ter zitting toegelicht dat naar aanleiding van de naar voren gebrachte zienswijzen een nieuwe geluidberekening is uitgevoerd, omdat een aantal woningen circa één meter boven maaiveld staan, en hiermee in de geluidberekeningen in het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport geen rekening is gehouden. Naar aanleiding van de uitkomsten van deze nieuwe berekeningen zijn de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode voor twee woningen verhoogd met 1 dB(A) ten opzichte van de grenswaarden in het ontwerpbesluit. Deze wijziging heeft echter niet tot gevolg dat de in de Handreiking genoemde richtwaarden voor het geluidniveau worden overschreden. Gelet hierop heeft het college de door hem gestelde grenswaarden in redelijkheid toereikend kunnen achten.

2.6. Verzoekers betogen hinder te ondervinden van het wegverkeer van en naar de inrichting.

2.6.1. Geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling uitsluitend aan het in werking zijn van een inrichting toe te rekenen - en daarmee bij de verlening van een vergunning te betrekken - zo lang dit verkeer zich door zijn rijgedrag onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden.

In het bij de aanvraag behorende akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat het verkeer zich bij de dichtstbijzijnde woningen door het rijgedrag niet onderscheidt van het overige verkeer, zodat in zoverre geen toerekenbare geluidhinder optreedt. De voorzitter ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze conclusie onjuist is.

2.7. Voorts betogen verzoekers dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt uitgegaan van een afstand van 130 meter tussen de inrichting en de dichtstbijgelegen woning. Daarnaast betogen verzoekers dat bij het nemen van dit besluit geen gebruik is gemaakt van een actuele tekening. Dit volgt volgens verzoekers onder meer uit het feit dat op die tekening een spoorlijn is weergegeven die inmiddels is verlegd.

2.7.1. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de in het bestreden besluit genoemde afstand van 130 meter een verschrijving is en dat de juiste afstand 105 meter moet zijn. Het college stelt dat deze verschrijving geen invloed heeft gehad op de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende onderzoeken, omdat in deze onderzoeken voor de onderzochte objecten is uitgegaan van de juiste rijksdriehoekscoördinaten. Ten aanzien van de door verzoekers aangehaalde tekening stelt het college dat de ligging van de spoorlijn inderdaad niet juist is, maar dat dit voor het onderzoek geen onjuiste uitkomsten heeft opgeleverd, omdat hiervoor niet de ligging van de spoorlijn maar de ligging van de inrichting relevant is.

Verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van het college onjuist is. In zoverre is niet gebleken dat bij het nemen van het bestreden besluit van onjuiste gegevens is uitgegaan.

2.8. Verzoekers betogen dat het plaatsen van keerwanden ten onrechte niet is voorgeschreven, terwijl in de in het akoestisch rapport opgenomen berekeningen wel rekening is gehouden met de aanwezigheid van keerwanden.

2.8.1. Uit de aanvraag volgt dat op het terrein van de inrichting keerwanden worden geplaatst. In het dictum van het bestreden besluit is bepaald dat de aanvraag onderdeel uitmaakt van de vergunning. Gelet hierop vloeit uit de vergunning voort dat, zoals verzoekers wensen, keerwanden moeten worden geplaatst.

2.9. Verzoekers betogen dat de inrichting onaanvaardbare stofhinder veroorzaakt. Verzoekers betogen daarnaast dat ten aanzien van grof stof en zogenoemd fijn stof ten onrechte geen afzonderlijke beoordeling heeft plaatsgevonden.

2.9.1. Uit het bestreden besluit volgt dat voor de beoordeling van de gevolgen voor de lucht zowel het toetsingskader van titel 5.2 van de Wet milieubeheer inzake luchtkwaliteitseisen, als het toetsingskader van de Nederlandse emissierichtlijn lucht, is gehanteerd. Hierbij heeft, anders dan verzoekers betogen, zowel ten aanzien van grof stof als ten aanzien van zogenoemd fijn stof toetsing plaatsgevonden.

De voorzitter ziet verder, mede gezien de ter zake gestelde voorschriften, geen aanleiding voor het oordeel dat het in werking zijn van de inrichting een zodanige stofhinder zal veroorzaken dat aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.10. Verzoekers betogen dat voor de berekeningen van de luchtkwaliteit vanwege wegverkeer ten onrechte niet de meest recente versie van het zogenoemde CAR-model is gebruikt.

2.10.1. In het bestreden besluit is geconcludeerd dat de bijdrage van de activiteiten binnen de inrichting samen met de bijdrage van het verkeer, niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit in de zin van artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, zodat dit artikel niet aan verlening van de vergunning in de weg staat. Deze conclusie is mede gebaseerd op een berekening van de bijdrage van het verkeer met de ten tijde van de indiening van de aanvraag meest recente versie van het CAR-model.

Daargelaten de vraag of het college bij het nemen van het bestreden besluit verplicht was om de bijdrage van het verkeer opnieuw te berekenen met de op dat moment verschenen versie van het CAR-model, acht de voorzitter niet aannemelijk dat zo'n berekening tot een wezenlijk andere uitkomst zou leiden.

2.11. Verzoekers betogen tot slot dat ten onrechte niet duidelijk is welke handelingen met asbesthoudend materiaal binnen de inrichting zijn vergund.

2.11.1. Ter zitting heeft het college toegelicht dat van buiten de inrichting afkomstig asbest binnen de inrichting slechts wordt op- en overgeslagen. Dit volgt eveneens uit vergunningvoorschrift 2.4.1, waarin een lijst met afvalstoffen is opgenomen die binnen de inrichting mogen worden geaccepteerd. Uit deze lijst volgt dat binnen de inrichting geen asbesthoudende grond en puin mag worden geaccepteerd.

Naar het oordeel van de voorzitter is in de vergunning voldoende duidelijk geregeld welke handelingen met asbesthoudend materiaal zijn toegestaan.

2.12. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

262-684.