Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3844

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201111495/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 augustus 2009, op schrift gesteld op 2 september 2009 en verzonden op 3 september 2009, heeft het college het door [appellante] tegen het uitblijven van een beslissing op een verzoek tot handhaving gemaakte bezwaar gegrond verklaard en geweigerd handhavend op te treden tegen de verhuurder van de woning aan de [locatie] te Eext wegens het achterwege blijven van noodzakelijk onderhoud aan de woning.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 1a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2012/40 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden

Uitspraak

201111495/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Eext, gemeente Aa en Hunze,

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 22 september 2011 in zaak nr. 09/634 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2009, op schrift gesteld op 2 september 2009 en verzonden op 3 september 2009, heeft het college het door [appellante] tegen het uitblijven van een beslissing op een verzoek tot handhaving gemaakte bezwaar gegrond verklaard en geweigerd handhavend op te treden tegen de verhuurder van de woning aan de [locatie] te Eext wegens het achterwege blijven van noodzakelijk onderhoud aan de woning.

Bij uitspraak van 22 september 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar ingestelde beroep niet-ontvankelijk en het door haar tegen het besluit van 25 augustus 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 november 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 november 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door drs. C. Atema, en het college, vertegenwoordigd door T. Bruining, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In hoger beroep is aan de orde of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college zijn weigering handhavend op te treden tegen [belanghebbende] in bezwaar terecht heeft gehandhaafd. [appellante] stelt hinder te ondervinden van lekkages in de woning en van een gebrekkige riolering en hemelwaterafvoer. Voorts bevindt zich een asbestplaat in de woning, die moet worden verwijderd, aldus [appellante]. Zij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren [belanghebbende] te verplichten voorzieningen als bedoeld in artikel 13 van de Woningwet te treffen, om te bewerkstelligen dat de woning voldoet aan de geldende eisen uit het Bouwbesluit 2003 en de gemeentelijke bouwverordening.

2.1.1. Ter zitting is komen vast te staan dat de klacht met betrekking tot de riolering inmiddels is verholpen. Hieruit volgt dat [appellante] in zoverre niet langer een reëel en actueel belang heeft bij een rechterlijk oordeel. De enkele wens van [appellante] om op dit onderdeel een principieel rechterlijk oordeel te verkrijgen, is daartoe onvoldoende. Gelet hierop behoeft dit onderdeel van het betoog van [appellante] geen bespreking.

2.2. Ingevolge artikel 13 van de Woningwet, zoals dit luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders, indien dit naar hun oordeel noodzakelijk is, degene die als eigenaar van een gebouw, dan wel uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen, verplichten tot het binnen een door hen te bepalen termijn treffen van zodanige voorzieningen, dat de staat van dat gebouw nadien komt te liggen op een niveau dat hoger is dan het niveau dat overeenkomt met het voorschrift bedoeld in artikel 1b, tweede lid, onderdeel a, zonder dat deze hoger komt te liggen dan het niveau dat overeenkomt met het voorschrift, bedoeld in artikel 1b, eerste lid, onderdeel a.

2.2.1. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13 van de Woningwet (Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Woningwet, Kamerstukken II, 2003/2004, 29 392, nr. 3, blz. 6), is uitgangspunt dat de voorschriften die in het Bouwbesluit 2003 zijn opgenomen voor bestaande bouwwerken toereikend zijn, maar dat burgemeester en wethouders op grond van artikel 13 van de Woningwet de eigenaar van een bestaand gebouw in bijzondere gevallen een verplichting kunnen opleggen om, in aanvulling op de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, ten aanzien van de staat van een bestaand bouwwerk extra voorzieningen te treffen.

[appellante] heeft het college verzocht om [belanghebbende] op grond van artikel 13 van de Woningwet aan te schrijven tot het treffen van voorzieningen aan de woning, zodat deze voldoet aan de daarvoor geldende voorschriften van het Bouwbesluit en de bouwverordening. Ter zitting heeft [appellante] bevestigd dat haar verzoek niet ziet op voorzieningen in aanvulling op de eisen die het Bouwbesluit stelt, als bedoeld in artikel 13 van de Woningwet. Voor zover het verzoek is gebaseerd op artikel 13 van de Woningwet heeft het college het mitsdien reeds hierom terecht afgewezen. De rechtbank is, zij het op andere gronden, eveneens tot het oordeel gekomen dat voormeld wetsartikel geen grondslag biedt voor de door [appellante] gevraagde aanschrijving.

Het betoog faalt.

2.3. De Afdeling ziet in het betoog van [appellante] aanleiding om met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te beoordelen of het college aanleiding had moeten zien handhavend op te treden wegens strijd met artikel 1a, eerste lid, onderscheidenlijk 1b, tweede lid, van de Woningwet.

2.3.1. Ingevolge artikel 100 van de Woningwet dragen burgemeester en wethouders zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken I tot en met IV (van de Woningwet).

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, voor zover thans van belang, draagt de eigenaar van een bouwwerk er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

Ingevolge artikel 1b, tweede lid, is het verboden een bestaand gebouw in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat gebouw van toepassing zijnde voorschriften bedoeld in artikel 2, tweede lid.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, voor zover van belang, worden bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde amvb (Bouwbesluit 2003) uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande woningen.

Ingevolge artikel 3.24, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 heeft een bestaand bouwwerk zodanige scheidingsconstructies, dat het binnendringen van vocht in verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt.

2.3.2. Wat de gestelde vochtproblematiek betreft, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde hier van belang de situatie zodanig was dat niet aan artikel 3.24, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 is voldaan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat niet in geschil is dat [belanghebbende] herstelmaatregelen heeft getroffen ter beëindiging van de vochtproblemen en voorts niet is gebleken dat [appellante], hoewel uitdrukkelijk uitgenodigd kenbaar te maken indien zich nog vochtproblemen zouden voordoen, ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar dan wel daarna nieuwe vochtproblemen heeft gemeld. Gelet hierop is evenmin aannemelijk gemaakt dat zich ten tijde hier van belang zodanige vochtproblemen voordeden dat hierdoor gevaar voor de gezondheid of veiligheid bestond.

Het Bouwbesluit 2003 stelt voor een bestaand gebouw geen eisen aan hemelwaterafvoer en bevat evenmin bepalingen op grond waarvan hechtgebonden asbest uit bestaande bouwwerken dient te worden verwijderd. [appellante] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar door de bestaande afvoer van hemelwater en de aanwezigheid van een plaat hechtgebonden asbest in de woning gevaar voor de gezondheid of veiligheid bestond.

Gelet op het vorenstaande doet zich geen overtreding van artikel 1a, eerste lid, onderscheidenlijk 1b, tweede lid, van de Woningwet voor. Hieruit volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college zijn weigering handhavend op te treden jegens [belanghebbende] terzake van de door [appellante] gestelde gebreken aan de woning in bezwaar terecht heeft gehandhaafd.

Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank het college ten onrechte niet tot vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht heeft veroordeeld.

2.4.1. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb houdt, indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, de uitspraak tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door het bestuursorgaan.

Ingevolge het tweede lid kan in de overige gevallen de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

2.4.2. De aangevallen uitspraak strekt enerzijds tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het ontbreken van procesbelang bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar door het college en anderzijds tot ongegrondverklaring van het beroep tegen de weigering handhavend op te treden. Gelet hierop is artikel 8:74, eerste lid, van de Awb niet van toepassing. Voor toepassing van de in het tweede lid van die bepaling vermelde bevoegdheid bestond voorts geen aanleiding. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juni 2001 in zaak nr. 200003274/1; AB 2001, 267) wordt ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geacht mede te zijn gericht tegen een inmiddels genomen besluit, tenzij dat besluit geheel tegemoet komt. Bij toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt niet opnieuw griffierecht geheven. Dit betekent dat het door [appellante] betaalde griffierecht geacht wordt mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2009. Dat beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Gelet hierop heeft de rechtbank in het enkele feit dat niet tijdig op het bezwaar was beslist geen aanleiding hoeven zien om vergoeding van het griffierecht te gelasten.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

392.