Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3842

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201110878/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2009 heeft het college aan [vergunninghoudsters] vrijstelling van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Deil 2006" onderscheidenlijk bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van acht woningen met daarbij behorende bijgebouwen op de percelen [locatie] te Deil (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110878/1/A1.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), allen wonend te Deil, gemeente Geldermalsen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 augustus 2011 in zaken nrs. 10/4499, 10/4670 en 10/4698 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2009 heeft het college aan [vergunninghoudsters] vrijstelling van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Deil 2006" onderscheidenlijk bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van acht woningen met daarbij behorende bijgebouwen op de percelen [locatie] te Deil (hierna: de percelen).

Bij besluit van 3 november 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering en onder verlening van ontheffing van de bouwverordening van de gemeente Geldermalsen, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2011, hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [vergunninghoudsters] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nadere stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Kuik, en het college, vertegenwoordigd door P.E.A. Broekmans en mr. M. Theunissen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn daar [vergunninghoudsters], vertegenwoordigd door J. Looye, bijgestaan door mr. E.A.M. van Gaal-Gerritsen, advocaat te Tiel, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van acht woningen en daarbij behorende bijgebouwen op de percelen, waarop ingevolge het bestemmingsplan "Deil 2006" de bestemming "Wonen en dijkbebouwing" met de aanduiding "garagebedrijf", de dubbelbestemming "Archeologisch waardevol gebied" en deels de dubbelbestemming "Waterstaatsdoeleinden" rusten. Nu het merendeel van de voorziene woningen buiten het op de plankaart aangegeven bouwvlak is gesitueerd, is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan. Om medewerking te kunnen verlenen aan het bouwplan heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan ingrijpend afwijkt van het bestemmingsplan, zodat de ruimtelijke onderbouwing niet aan de daaraan te stellen motiveringseisen voldoet. Hiertoe voert hij aan dat op grond van het bestemmingsplan slechts twee woningen zijn toegestaan, terwijl het bouwplan in de bouw van acht woningen voorziet.

2.2.1. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die daar in dit geval aan moeten worden gesteld. Hiertoe is van belang dat de gronden waarop het bouwplan is voorzien reeds voor woondoeleinden zijn bestemd. De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat het bouwplan niet in strijd is met het in het bestemmingsplan neergelegde gemeentelijk planologisch beleid, nu het is voorzien op een locatie binnen de contour rond de kern Deil, waarbinnen ruimte is voor verstedelijking, die in aanmerking komt voor herstructurering en inbreiding. In de ruimtelijke onderbouwing is voorts aandacht besteed aan de omstandigheid dat het bouwplan in de plaats komt van een garagebedrijf in een bestaande woonomgeving en dat door de sanering van het garagebedrijf sprake is van een sterke verbetering van het woon- en leefmilieu ter plaatse.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is vereist dat de benodigde parkeerplaatsen in de onmiddellijke nabijheid van elk van de woningen worden geprojecteerd. Hij stelt dat het bouwplan in feite moet worden beschouwd als twee afzonderlijke bouwplannen: een bouwplan voor twee woningen aan de Deilsedijk en een bouwplan voor zes woningen aan 't Griendje. Ook het aspect parkeren dient afzonderlijk te worden bezien. In het bouwplan wordt er echter gelet op de fysieke afstand onterecht van uitgegaan dat bewoners van de woningen aan de Deilsedijk hun auto's parkeren op het pleintje aan het einde van 't Griendje.

2.3.1. Het college heeft het bouwplan terecht als een geheel getoetst. Het bouwplan voorziet voor elk van de voorziene woningen in een parkeerplaats op eigen terrein en een tweede parkeerplaats in het openbaar gebied. Niet in geschil is dat de parkeerbehoefte van het totale bouwplan volgens de parkeerkencijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW) 1,9 parkeerplaats per woning bedraagt. Dit betekent dat voor de acht woningen 15,2 parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn. Ter zitting is komen vast te staan dat het bouwplan voorziet in 21 parkeerplaatsen, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat ruimschoots aan de parkeerbehoefte van het bouwplan wordt voldaan. Dat de tweede parkeerplaats voor een van de aan de Deilsedijk voorziene woningen is voorzien op het pleintje aan het einde van 't Griendje, heeft de rechtbank terecht geen grond gegeven voor het oordeel dat onvoldoende in de parkeerbehoefte van het bouwplan is voorzien. Ter zitting is komen vast te staan dat de afstand tussen de woning type A en het pleintje 130 m bedraagt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze afstand zo groot is, dat niet valt aan te nemen dat de bewoners van die woning hun auto, zo nodig, op het pleintje zullen parkeren.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan aan 't Griendje tot een zodanig onveilige verkeerssituatie leidt, dat het college hierin in redelijkheid aanleiding had moeten zien geen vrijstelling voor het bouwplan te verlenen. In de ruimtelijke onderbouwing is op de gevolgen van het bouwplan voor de bestaande woningen ten onrechte niet ingegaan, aldus [appellant].

2.4.1. Het college is bij de heroverweging in het besluit op bezwaar alsnog ingegaan op het aspect van de verkeersafwikkeling op 't Griendje. Daarbij heeft het in aanmerking genomen dat 't Griendje, dat volgens het bestemmingsplan de bestemming "Verkeer en verblijf" heeft, in de bestaande situatie fungeert als een langzaam verkeersverbinding en in de nieuwe situatie een voor auto's doodlopende weg zal zijn, die als ontsluiting voor de aan 't Griendje op te richten woningen zal fungeren. Daartoe voorziet het bouwplan in een verbreding van deze weg naar 6 m, waarvan 2 m is gereserveerd voor een aan de zijde van de nieuwbouw voorziene rabatstrook ten behoeve van parkeren. Voorts is aan het einde van 't Griendje een pleintje met drie parkeerplaatsen voorzien, waar volgens de door het college bij het besluit op bezwaar gevoegde verkeerstechnische studie parkeerplaatsen tevens gekeerd kan worden. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het pleintje daarvoor niet geschikt is. Uitgaande van vijf verkeersbewegingen per woning per dag heeft het college de toename van het aantal verkeersbewegingen in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten, mede omdat ter plaatse slechts stapvoets kan worden gereden. Ter zitting heeft het college in dit verband te kennen gegeven dat 't Griendje zal worden aangeduid als 30 km-zone. De voorziene breedte van de rijstrook is zodanig dat ramen en deuren van de bestaande woningen open kunnen worden gezet zonder dat dit een verkeersonveilige situatie teweegbrengt. Voorts heeft de brandweer een positief advies uitgebracht over het bouwplan. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank het aspect van de verkeersafwikkeling in het besluit op bezwaar terecht alsnog voldoende gemotiveerd geacht en niet aannemelijk gemaakt geacht dat het bouwplan tot gevolg heeft dat aan 't Griendje een zodanig onveilige verkeerssituatie zal ontstaan, dat daarvoor in redelijkheid geen vrijstelling kon worden verleend.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom het aan de strijdigheid van het bouwplan met redelijke eisen van welstand voorbij is gegaan.

2.5.1. De welstandscommissie heeft in haar advies van 4 april 2008 negatief over het bouwplan geadviseerd, waarbij zij zich enerzijds een oordeel heeft gevormd over de stedenbouwkundige randvoorwaarden en anderzijds over het welstandsaspect van het bouwplan. Het college heeft aanleiding gezien af te wijken van het welstandsadvies, waarbij het terecht in aanmerking heeft genomen dat de welstand zich dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, dan wel, indien het bouwplan daarvan afwijkt, die waaraan het college planologische medewerking wenst te verlenen, zodat de stedenbouwkundige randvoorwaarden voor de welstandscommissie als een gegeven dienen te worden beschouwd. Vaststaat dat de strijd met de welstandscriteria uit de Welstandsnota in de kern beperkt is tot het aspect variatie bij de voorziene woningen aan 't Griendje en dat hieraan in zoverre tegemoet is gekomen doordat de voorgevels van de woningtype B uiterlijk verschillen van de voorgevels van woningtype C. Het college heeft voorts aanleiding gezien aan de geconstateerde strijd met redelijke eisen van welstand voorbij te gaan, omdat het bouwplan voor de kern Deil een maatschappelijk zeer gewenste ontwikkeling betreft. Daarbij heeft het in aanmerking genomen dat als gevolg van het realiseren van het bouwplan de leefbaarheid in het dorp sterk verbetert door het verdwijnen van het bestaande garagebedrijf. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat het college het afwijken van het negatief welstandsadvies voldoende heeft gemotiveerd en dat het daarbij tevens het economisch belang bij een tijdige aanvang van de bouwwerkzaamheden heeft mogen betrekken. Voor het oordeel dat dit economische belang niet inzichtelijk is gemaakt, bestaat geen grond.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

392.