Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3841

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201110610/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2009 heeft de Belastingdienst het aan [appellant] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110610/1/A2.

Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Vianen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 augustus 2011 in zaken nrs. 10/3485 en 11/1651 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2009 heeft de Belastingdienst het aan [appellant] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 6 juli 2011 heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 augustus 2011, verzonden op 22 augustus 2011, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 31 oktober 2011.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Nadat partijen bij brieven van 8 en 16 december 2011 daartoe toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) hebben verleend, heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 49 van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover hier van belang, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk, indien het betreft gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Awir wordt een tegemoetkoming op aanvraag toegekend door de Belastingdienst.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, verleent, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de Belastingdienst de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2.2. [appellant] heeft op 6 mei 2008 een aanvraag ingediend voor een kinderopvangtoeslag. In verband met die aanvraag heeft de Belastingdienst aan [appellant] een voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 verleend.

Aan het besluit van 24 september 2009 heeft de Belastingdienst ten grondslag gelegd dat uit controle is gebleken dat bij de berekening van het voorschot is uitgegaan van onjuiste gegevens. In het besluit op bezwaar van 6 juli 2011 heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten voor de opvang van zijn kinderen heeft gemaakt en dat hij daarom geen recht heeft op een voorschot kinderopvangtoeslag.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit standpunt gevolgd.

2.3. [appellant] heeft in hoger beroep niet bestreden het in overweging 2.8 van de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank dat de Belastingdienst zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet heeft voldaan aan het vereiste in artikel 5, eerste lid, van de Wko dat sprake moet zijn van een geregistreerd gastouderbureau en dat hij geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over het jaar 2009. Dit betekent dat in hoger beroep slechts de kinderopvangtoeslag over 2008 aan de orde is.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst hem had moeten horen, alvorens opnieuw op zijn bezwaar te beslissen. Hierbij is volgens [appellant] van belang dat de rechtbank hem niet in de gelegenheid heeft gesteld nader bewijs te overleggen.

2.4.1. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 maart 2009 in zaak nr. 200805053/1) mag van het horen slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Bij besluit van 24 september 2009 is het toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien omdat uit controle is gebleken dat bij de berekening van het voorschot is uitgegaan van onjuiste gegevens. Bij besluit van 6 juli 2011 heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat kosten van kinderopvang zijn gemaakt omdat bewijsstukken van daadwerkelijke betaling over 2008 ontbreken. In dit verband is van belang dat [appellant] hangende de procedure in de gelegenheid is gesteld gegevens aan de Belastingdienst te overleggen. [appellant] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De Belastingdienst heeft zich gelet daarop terecht op het standpunt gesteld dat van het horen kon worden afgezien omdat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat de bezwaren tot een andersluidend besluit konden leiden. Ook het betoog van [appellant] dat de rechtbank hem niet in de gelegenheid heeft gesteld nader bewijs te overleggen baat hem niet, reeds omdat hij ook in hoger beroep geen bewijs heeft overgelegd.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten van kinderopvang heeft gemaakt. Hij voert daartoe aan, dat de rechtbank een onjuiste uitleg aan artikel 18 van de Awir en artikel 7 van de Wko heeft gegeven, nu uit artikel 18 van de Awir volgt dat de aanvrager van kinderopvangtoeslag slechts desgevraagd gegevens verstrekt aan de Belastingdienst ter beoordeling of aanspraak bestaat op een toeslag en de Belastingdienst heeft nagelaten om dergelijke gegevens bij hem op te vragen. Ten slotte voert [appellant] aan, dat nu de gastouder aangifte van Inkomstenbelasting heeft gedaan het vervolgens op de weg van de Belastingdienst ligt om aannemelijk te maken dat hij geen kosten heeft gemaakt. Ingeval de bewijslast toch op hem rust, dan betoogt [appellant] dat de rechtbank hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om alsnog aanvullende betalingsbewijzen te overleggen.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 juni 2011 in zaak nr. 201010918/1/H2), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten. De Belastingdienst mocht dan ook [appellant] om (nadere) gegevens vragen waaruit blijkt welke bedragen hij heeft betaald aan de gastouder.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de gastouder heeft betaald en kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. De rechtbank heeft hierbij terecht overwogen dat [appellant] over 2008 slechts bankafschriften heeft overgelegd en dat uit die bankafschriften niet de conclusie kan worden getrokken dat [appellant] kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. Ook de aangifte van Inkomstenbelasting van de gastouder kan, zoals de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen, niet als bewijs voor gemaakte kosten van kinderopvang dienen. Dat [appellant], zoals hij heeft gesteld, onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om aanvullende betalingsbewijzen te overleggen, is niet gebleken. Daarbij is van belang dat de Belastingdienst [appellant] al eerder heeft verzocht om betalingsbewijzen en dat [appellant] ook in hoger beroep geen betalingsbewijzen heeft overgelegd.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt tenslotte dat de rechtbank niet over alle in beroep aangevoerde gronden heeft geoordeeld. Zo is de rechtbank niet ingegaan op zijn stelling dat de Belastingdienst heeft gehandeld in strijd met het fairplay-beginsel.

2.6.1. De rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat de Belastingdienst tot het standpunt heeft kunnen komen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. De beroepsgrond van [appellant] die de rechtbank niet expliciet heeft besproken, kan aan dat oordeel niet afdoen. Nu de rechtbank gezien het vorenoverwogene terecht en op goede gronden tot dat oordeel is gekomen, kan deze hogerberoepsgrond niet tot het hiermee beoogde doel leiden.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Van altena w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

85-680.