Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3823

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
201113108/1/R4 en 201113108/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Katendrecht-Pols" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201113108/1/R4 en 201113108/2/R4.

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante A] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C1000 Vastgoed B.V., gevestigd te onderscheidenlijk Rotterdam en Amersfoort (hierna tezamen en in enkelvoud: C1000),

appellante,

en

de raad van de gemeente Rotterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Katendrecht-Pols" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft C1000 bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 20 december 2011.

Bij brief, bij de Raad van State eveneens ingekomen op 20 december 2011, heeft C1000 de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 maart 2012, waar C1000, vertegenwoordigd door mr. M. Lanen, advocaat te Utrecht, en ing. H.H. Wingender, en het college vertegenwoordigd door mr. K.I. Siem, mr. R. Meijer, A.C.P. Blok en M. Hage, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw, vertegenwoordigd door mr. I.L. Haverkate, advocaat te Amsterdam, verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan voorziet in de ontwikkeling van het zogenoemde Polsgebied tot een gemengd woon-, werk- en uitgaansgebied, aansluitend op de ontwikkelingen op de Kop van Zuid. Daarbij wordt, voor zover hier van belang, in het plangebied tussen de Rijnhaven en de Brede Hilledijk, aan de zijde van de Hillelaan, onder de naam Europees Chinees Centrum (hierna: ECC) een handelscentrum gerealiseerd ten behoeve van culturele, economische en sociale betrekkingen met China. Het ECC wordt gefaseerd ontwikkeld. De ontwikkeling van de eerste fase is inmiddels vergund en aan dit deel van het plangebied is de bestemming "Gemengd-2" toegekend. Voor de realisatie van de overige fasen is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarbij de bestemming kan worden gewijzigd in de bestemming "Gemengd-4". In het plangebied ten zuiden van de Brede Hilledijk, het zogenoemde deelgebied Pols Zuidzijde, worden onder andere woningen, kantoren, horeca, detailhandel en maatschappelijke voorzieningen gerealiseerd. Aan dit deel van het plangebied is de bestemming "Gemengd-1" toegekend.

2.3. De Crisis- en herstelwet is van toepassing op het bestreden besluit.

2.4. De supermarkt van C1000 is gevestigd aan de Hillelaan 77 te Rotterdam. In het plan is aan dit gebied de bestemming "Detailhandel" toegekend met de gebiedsaanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied-2". Voor de realisatie van de derde fase van het ECC is de grond van C1000 nodig. Het voornemen bestaat om C1000 te verplaatsen naar gronden in het plangebied ten zuiden van de Brede Hilledijk.

2.5. Er zijn reeds vergunningen verleend voor de realisering van fase 1 van het ECC op de gronden waaraan in het plan de bestemming "Gemengd-2" is toegekend. Met de bouw van fase 1 van het ECC is, zoals ter zitting naar voren is gebracht, reeds begonnen. C1000 heeft ter zitting naar voren gebracht dat het plandeel waaraan de bestemming "Gemengd-2" is toegekend geen onderdeel meer is van het beroep, zodat de beroepsgrond die hierop betrekking heeft buiten beschouwing kan worden gelaten.

2.6. C1000 voert aan de enige supermarkt in het plangebied te willen blijven. Nu de verplaatsing van C1000 naar gronden binnen de bestemming "Gemengd-1" volgens C1000 niet meer mogelijk is, heeft zij in haar aanvullend beroepschrift haar beroep tevens gericht tegen het plandeel waaraan de bestemming "Gemengd-1" is toegekend voor zover binnen deze bestemming de bouw van een supermarkt met een bruto vloeroppervlakte van 6.000 m2 mogelijk is.

2.6.1. Niet wordt betwist dat het beroep tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd-1" niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze steunt.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

Weliswaar is het plandeel met de bestemming "Gemengd-1" ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigd vastgesteld, maar dit geldt niet voor de door C1000 bestreden bij de bestemming behorende mogelijkheid om binnen deze bestemming detailhandel met een bruto vloeroppervlakte van 6.000 m2 te realiseren. Dat C1000 in de veronderstelling verkeerde dat de onderhandelingen over de verplaatsing van C1000 zouden slagen en de C1000 verplaatst kon worden naar de door haar gewenste gronden in het plangebied en dat zij daarom met betrekking tot dit plandeel geen zienswijzen naar voren heeft gebracht tegen het ontwerpplan komt voor haar rekening en risico. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het C1000 redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij de bezwaren tegen bovengenoemd plandeel niet naar voren heeft kunnen brengen in haar zienswijze.

Het beroep van C1000 is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.7. Voor zover C1000 heeft aangevoerd dat ten onrechte de bestaande locatie van haar supermarkt door het bestemmingsplan wordt wegbestemd, overweegt de voorzitter dat in het bestemmingsplan aan de percelen van C1000 de bestemming "Detailhandel" is toegekend. De omstandigheid dat voor haar percelen ook de aanduiding "wro-zone wijzigingsgebied 2" is opgenomen, betekent niet dat C1000 niet als zodanig is bestemd. De beroepsgrond mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.8. Voor zover C1000 haar beroep heeft gericht tegen de in artikel 16 van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid behorend bij de gebiedsaanduiding "wro-zone wijzigingsgebied 2", overweegt de voorzitter dat C1000 ter zitting niet nader heeft onderbouwd waarom zij het niet eens is met deze door haar ook in de zienswijzen aan de orde gestelde wijzigingsbevoegdheid. Gelet daarop ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de gebiedsaanduiding "wro-zone wijzigingsgebied 2" aan deze gronden toe te kennen.

2.9. C1000 heeft ten slotte verzocht de door haar tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze voor het overige als herhaald en ingelast te beschouwen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. C1000 heeft in het beroepschrift noch anderszins redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze voor het overige in het bestreden besluit onjuist is.

2.10. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.11. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het beroep is gericht tegen het plandeel waaraan de bestemming "Gemengd -1" is toegekend voor zover binnen deze bestemming de bouw van een supermarkt met bruto vloeroppervlakte van 6.000 m2 mogelijk is;

II. verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, ongegrond;

III. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Alderlieste

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

590.