Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3342

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
201103208/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat zal zijn, eventueel met behulp van NAPTIP, een nieuw netwerk op te bouwen en zich te hervestigen. Gelet hierop, heeft de minister zich met de in 2.4.2. weergegeven motivering in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van de vreemdeling kan worden gevergd dat zij Nederland verlaat. De omstandigheid dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, in het ambtsbericht is vermeld dat slechts een zeer klein percentage van alle vrouwen die slachtoffer zijn geworden van mensenhandel, die in Europa in de prostitutie hebben gewerkt en die vrijwillig of gedwongen zijn teruggekeerd naar Nigeria in één van de NAPTIP-shelters terechtkomt, leidt niet tot een ander oordeel, nu volgens het ambtsbericht aan degenen die de hulp van NAPTIP willen aanvaarden, opvang en bijstand wordt geboden.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/243

Uitspraak

201103208/1/V1.

Datum uitspraak: 10 april 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 21 februari 2011 in zaak nr. 10/4706 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 11 januari 2010 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 februari 2011, verzonden op 22 februari 2011, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag (lees: het gemaakte bezwaar) neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 maart 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2.2. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen over de beperkingen regels worden gesteld.

Ingevolge artikel 3.52 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: de Vb 2000) kan, in andere gevallen dan genoemd in de artikelen 3.50 en 3.51, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000 heeft gehad en van wie naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.

In paragraaf B16/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld.

<small>"Een slachtoffer of getuige-aangever van mensenhandel aan wie voor de duur en in het belang van het strafproces tijdelijk verblijf in Nederland was toegestaan en die van oordeel is dat het verblijf dient te worden voortgezet om onaanvaardbare gevolgen bij terugzending te voorkomen, kan een beroep doen op artikel 3.52 Vb.

Van de volgende categorieën slachtoffers kan de aanvraag om voortgezet verblijf, mits zich verder geen algemene weigeringsgrond voordoet, in ieder geval worden ingewilligd:

a) slachtoffers die aangifte hebben gedaan ten behoeve van, of op andere wijze medewerking hebben verleend aan, een strafzaak die uiteindelijk heeft geleid tot een veroordeling;

b) slachtoffers die aangifte hebben gedaan ten behoeve van, of op andere wijze medewerking hebben verleend aan, een strafzaak die uiteindelijk niet heeft geleid tot een veroordeling, die op het moment van de rechterlijke uitspraak reeds gedurende drie jaar of langer op basis van een verblijfsvergunning op grond van B9 in Nederland verblijven.

[…] Aanvragen om voortgezet verblijf na afloop van de B9-regeling van vreemdelingen die niet onder één van de twee hierboven genoemde categorieën vallen, waaronder slachtoffers mensenhandel wier aangifte of andersoortige medewerking niet tot een strafzaak dan wel rechterlijke uitspraak heeft geleid én getuige-aangevers van mensenhandel, kunnen alleen voor inwilliging in aanmerking komen indien naar het oordeel van de Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden van de vreemdeling niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.

Bij de beoordeling van een dergelijke aanvraag kunnen de volgende factoren een belangrijke rol spelen:

- risico van represailles jegens betrokkene en haar of zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden;

- risico van vervolging in het land van herkomst, bijvoorbeeld op grond van prostitutie;

- de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst, rekening houdend met specifieke culturele achtergrond en het eventuele prostitutieverleden van betrokkene, duurzame ontwrichting van familierelaties, de eventuele maatschappelijke opvattingen over prostitutie en het overheidsbeleid terzake.

[…] De vreemdeling geeft aan welke klemmende redenen van humanitaire aard naar zijn mening tot voortgezet verblijf dienen te leiden en onderbouwt het beroep met terzake relevante gegevens en bescheiden. Het is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf aan te geven welke factoren van belang zijn, en die met terzake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Hij is daartoe de meest gerede partij."</small>

2.3. Niet in geschil is dat de vreemdeling niet onder de in paragraaf B16/4.5 van de Vc 2000 genoemde categorie a of b valt.

2.4. In de enige grief betoogt de minister dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat van de vreemdeling kan worden gevergd dat zij Nederland verlaat.

2.4.1. De vreemdeling heeft in bezwaar betoogd dat van haar niet kan worden gevergd dat zij naar Nigeria terugkeert. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij het risico loopt op represailles, terwijl uit het thematisch ambtsbericht inzake Nigeria over de positie van vrouwen en minderjarigen van november 2008 (hierna: het ambtsbericht) blijkt dat de National Agency for Prohibition of Traffic in Persons and Other Related Matters (NAPTIP) slechts tijdelijk opvang en bescherming kan bieden. Voorts heeft de vreemdeling, onder verwijzing naar het ambtsbericht, aangevoerd dat – kort samengevat – sociale en maatschappelijke herintegratie in haar geval problematisch zal zijn, gelet op het stigma van vrouwen die in de prostitutie hebben gewerkt en het feit dat zij een alleenstaande vrouw zonder sociaal netwerk is.

2.4.2. Bij besluit van 11 januari 2010 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat, voor zover thans van belang, de vreemdeling aldus niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als voormalig slachtoffer van mensenhandel na terugkeer in Nigeria onvoldoende bescherming en hulp bij re-integratie zou kunnen krijgen. De minister heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit het ambtsbericht blijkt dat NAPTIP onder meer als taak heeft om (potentiële) slachtoffers van mensenhandel op te vangen, te beschermen tegen mensenhandelaren en hen (indien nodig) te helpen bij hun re-integratie in de samenleving. Verder heeft de minister van belang geacht dat uit het ambtsbericht blijkt dat, als hereniging met de familie niet mogelijk blijkt of het slachtoffer per se niet terug wil naar de familie, NAPTIP een oplossing op maat probeert te vinden, hetgeen kan betekenen dat het slachtoffer met steun van NAPTIP of een niet-gouvernementele organisatie tijdelijk onderdak krijgt en dat men hem of haar aan een baantje probeert te helpen, en dat NAPTIP geen slachtoffers van mensenhandel op straat zet zonder dat ze ergens naar toe kunnen.

2.4.3. De rechtbank heeft overwogen dat, hoewel uit het ambtsbericht kan worden afgeleid dat NAPTIP een oplossing op maat kan bieden, in die zin dat ze geen slachtoffers van mensenhandel op straat zet zonder dat ze ergens naar toe kunnen, uit het ambtsbericht ook volgt dat het verblijf in een shelter slechts tijdelijk is en dat hervestiging in de praktijk onmogelijk is indien betrokkene in de nieuwe woonplaats geen netwerk heeft van familieleden of personen met dezelfde regionale of etnische afkomst. Uit het ambtsbericht blijkt verder, zo overweegt de rechtbank, dat slechts een zeer klein percentage van alle vrouwen die slachtoffer zijn geworden van mensenhandel, die in Europa in de prostitutie hebben gewerkt en die vrijwillig of gedwongen zijn teruggekeerd naar Nigeria, in één van de NAPTIP-shelters terechtkomt en zij een groot risico lopen opnieuw gerekruteerd te worden voor de prostitutie in Europa.

Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat de vreemdeling geen sociaal netwerk heeft, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat van de vreemdeling kan worden gevergd dat zij Nederland verlaat. In dit verband heeft de rechtbank tevens van belang geacht dat de minister ter zitting geen antwoord heeft kunnen geven op de vraag welke ervaringen er sinds het uitkomen van het ambtsbericht zijn met slachtoffers van mensenhandel die zijn teruggekeerd naar Nigeria en of NAPTIP in die gevallen inderdaad de oplossing op maat heeft geboden.

2.4.4. Volgens de minister heeft de rechtbank aldus miskend dat de vreemdeling meerderjarig is en dat, als zij niet wil of kan terugvallen op familie, het dan ook op haar weg ligt om elders een nieuw netwerk op te bouwen en dat zij daarbij de keuze heeft om zich al dan niet bij stamgenoten te hervestigen. Bovendien volgt uit het ambtsbericht dat NAPTIP kan helpen bij het vinden van werk of het verstrekken van microkrediet, hetgeen de vreemdeling kan baten bij het opbouwen van een nieuw netwerk, aldus de minister.

2.4.5. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat zal zijn, eventueel met behulp van NAPTIP, een nieuw netwerk op te bouwen en zich te hervestigen. Gelet hierop, heeft de minister zich met de in 2.4.2. weergegeven motivering in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van de vreemdeling kan worden gevergd dat zij Nederland verlaat. De omstandigheid dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, in het ambtsbericht is vermeld dat slechts een zeer klein percentage van alle vrouwen die slachtoffer zijn geworden van mensenhandel, die in Europa in de prostitutie hebben gewerkt en die vrijwillig of gedwongen zijn teruggekeerd naar Nigeria in één van de NAPTIP-shelters terechtkomt, leidt niet tot een ander oordeel, nu volgens het ambtsbericht aan degenen die de hulp van NAPTIP willen aanvaarden, opvang en bijstand wordt geboden.

De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4.6. De grief slaagt.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 11 januari 2010 alsnog ongegrond worden verklaard.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 21 februari 2011 in zaak nr. 10/4706;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Oudeboon van Rooij, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Oudeboon-van Rooij

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2012

487.

Verzonden: 10 april 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser