Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3341

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
201101082/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BP5374, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft vreemdeling 1 ten onrechte gevolgd in haar betoog dat de hiervoor onder 2.4.1 weergegeven conclusie in het BMA advies onjuist is omdat zij, gezien de hiervoor onder 2.4.2 vermelde informatie, niet zal kunnen worden behandeld door de instelling. Uit bedoelde informatie kan niet worden afgeleid dat de instelling geen patiënten meer aanneemt en dat fysieke overdracht van vreemdeling 1 aan de instelling bij voorbaat onmogelijk moet worden geacht. Dit in aanmerking genomen, heeft de minister in dit kader, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2011 in zaak nr. 201105916/1/V1 (www.raadvanstate.nl), terecht met zijn hiervoor onder 2.4 vermelde standpunt, zoals dat nader is toegelicht in de omtrent vreemdeling 1 genomen besluiten van 21 mei 2010, volstaan. Daarbij is van belang dat de minister heeft toegezegd dat uitzetting achterwege zal blijven, indien overdracht aan de instelling niet geregeld kan worden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201101082/1/V1.

Datum uitspraak: 10 april 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 24 december 2010 in zaken nrs. 10/19279, 10/19283 en 10/19285 in de gedingen tussen:

[vreemdeling 1] (hierna: vreemdeling 1), mede voor haar minderjarig kind (hierna: vreemdeling 2), (hierna gezamenlijk: de vreemdelingen)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 31 maart 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 16 juli 2009 heeft de staatssecretaris een aanvraag van vreemdeling 1 om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij onderscheiden, op 21 mei 2010 verzonden besluiten (hierna: de besluiten van 21 mei 2010) heeft de minister van Justitie de tegen de onderscheiden besluiten van 31 maart 2008 en het besluit van 16 juli 2009 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. De besluiten van 21 mei 2010 zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 24 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 21 mei 2010 vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. Op het hoger beroep zijn de Vw 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) en de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) van toepassing, zoals die luidden tot 1 juli 2010.

2.3. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, (hierna: de aanvraag) worden afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd (hierna: het mvv vereiste).

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, wordt de aanvraag niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het een vreemdeling betreft voor wie het, gelet op diens gezondheidstoestand, niet verantwoord is te reizen.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, wordt de aanvraag niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

Ingevolge artikel 64 blijft uitzetting achterwege, zolang het gelet op de gezondheidstoestand van een vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de aanvraag afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet over een geldige mvv beschikt.

Ingevolge het vierde lid kan de minister het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Volgens paragraaf B1/4.1.1 van de Vc 2000 dient voor de in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 neergelegde vrijstelling te worden beoordeeld of de desbetreffende vreemdeling in staat is te reizen naar zijn land van herkomst of bestendig verblijf en in staat kan worden geacht daar de behandeling af te wachten van een door hem in te dienen mvv aanvraag. Voorts kan ingevolge artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 vrijstelling worden verleend van het mvv vereiste, indien de terugkeer van een vreemdeling in verband met een medische noodsituatie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Volgens paragraaf B8/3.1 wordt onder medische noodsituatie verstaan: die situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Onder “op korte termijn” wordt verstaan binnen een termijn van drie maanden.

Volgens paragraaf B8/10 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, blijft uitzetting krachtens voormeld artikel 64 achterwege indien:

- het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) te kennen geeft dat het vanwege de gezondheidstoestand van een vreemdeling of één van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen; of

- de stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en

- de medische behandeling van de desbetreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen; en

- de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting één jaar of korter zal duren.

2.4. De minister klaagt in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij - in het kader van het voldoen aan zijn vergewisplicht - in de omtrent vreemdeling 1 genomen besluiten van 21 mei 2010 ten onrechte heeft volstaan met het standpunt dat voorafgaand aan het vertrek van vreemdeling 1 naar China contact zal worden opgenomen met een psychiater dan wel psychiatrisch verpleegkundige van het Sixth Hospital, gevestigd in Beijing, China, (hierna: de instelling) en dat indien fysieke overdracht van vreemdeling 1 aan de instelling niet kan worden geregeld, zij niet zal worden uitgezet, aangezien vreemdeling 1 gemotiveerd heeft betoogd dat de instelling lange wachtlijsten kent en daarom de kans dat die haar dan kunnen overnemen, nihil moet worden geacht. Hiertoe voert de minister aan dat de rechtbank uit de door vreemdeling 1 overgelegde informatie ten onrechte heeft afgeleid dat fysieke overdracht aan de instelling niet zal kunnen plaatsvinden.

2.4.1. In het aan voormelde besluiten ten grondslag gelegde BMA advies van 22 maart 2010 (hierna: het BMA advies) heeft het BMA geconcludeerd dat psychiatrische behandeling van de klachten van vreemdeling 1 in de instelling beschikbaar is.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 25 juli 2006 in zaak nr. 200601304/1; JV 2006/351) is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan de minister ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1; www.raadvanstate.nl) moet de minister, indien hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan vergewissen dat dit naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

2.4.2. Ter motivering van het in 2.4 vermelde betoog hebben de vreemdelingen in beroep bij de rechtbank gewezen op een bericht van de Volkskrant van 30 april 2010, een bericht van de China Daily van 13 juli 2010 en informatie van de website 'Chinese psychiatry online'.

In het bericht van de Volkskrant is uiteengezet dat en waarom de Chinese zorg voor geesteszieken schromelijk tekortschiet. Verder is uiteengezet hoeveel personen met geestelijke stoornissen daar daadwerkelijk worden behandeld en hoe de openbare gezondheidszorg zich in China ontwikkelt. In het bericht van de China Daily is beschreven dat er een gebrek aan ruimte bestaat in de zich in Beijing bevindende psychiatrische ziekenhuizen en wat de oorzaken hiervan zijn, zoals 'loopholes in the medical system'. In dat verband is vermeld dat een woordvoerder van de instelling heeft opgemerkt dat ook zij 'overloaded' zijn. Ook worden uitlatingen van Yin Li, vice-minister van het Chinese ministerie van Gezondheid, aangehaald, die stelt dat 'the government is putting the issue of the overburdened mental health care system high on the agenda' en dat '550 psychiatric hospitals and psychiatric departments within general hospitals will be enhanced and expanded in the coming two years'. In informatie van de website 'Chinese psychiatry online' is uiteengezet hoe de instelling is ontstaan, wat voor medische zorg daar wordt geleverd en op welke wijze de rechten van de patiënt in de medische praktijk worden beschermd. Omtrent de medische zorg is opgemerkt dat '[de instelling] has an outpatient department service, and the in-patient department with 200 beds. Usually there are 400-500 hundred visits in outpatient-clinic each day and the utilization rate of beds is nearly 100%'.

2.4.3. De rechtbank heeft vreemdeling 1 ten onrechte gevolgd in haar betoog dat de hiervoor onder 2.4.1 weergegeven conclusie in het BMA advies onjuist is omdat zij, gezien de hiervoor onder 2.4.2 vermelde informatie, niet zal kunnen worden behandeld door de instelling. Uit bedoelde informatie kan niet worden afgeleid dat de instelling geen patiënten meer aanneemt en dat fysieke overdracht van vreemdeling 1 aan de instelling bij voorbaat onmogelijk moet worden geacht. Dit in aanmerking genomen, heeft de minister in dit kader, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2011 in zaak nr. 201105916/1/V1 (www.raadvanstate.nl), terecht met zijn hiervoor onder 2.4 vermelde standpunt, zoals dat nader is toegelicht in de omtrent vreemdeling 1 genomen besluiten van 21 mei 2010, volstaan. Daarbij is van belang dat de minister heeft toegezegd dat uitzetting achterwege zal blijven, indien overdracht aan de instelling niet geregeld kan worden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Grief 1 slaagt.

2.5. De minister klaagt in grief 2 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat uitzetting van vreemdeling 1 geen strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden oplevert.

2.5.1. De rechtbank heeft de bestreden overweging alleen doen steunen op de omstandigheid dat vreemdeling 1 gemotiveerd heeft betoogd dat de beschikbaarheid van de voor haar vereiste behandeling in de instelling illusoir moet worden geacht. Nu uit het hiervoor onder 2.4.3 overwogene volgt dat, zoals de minister terecht aanvoert, vreemdeling 1 niet aannemelijk heeft gemaakt dat die behandeling daar niet beschikbaar is, kan de bestreden overweging geen standhouden.

Reeds hierom slaagt grief 2.

2.6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu de aanvraag van vreemdeling 2 een volledig van die van vreemdeling 1 afhankelijk karakter draagt, de beroepen van de vreemdelingen tegen de besluiten van 21 mei 2010 alsnog ongegrond verklaren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat aan de in eerste aanleg voorgedragen, maar hiervoor niet besproken beroepsgronden, niet wordt toegekomen. Over die gronden heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden dan wel onderdelen van de besluiten van 21 mei 2010 waarop ze betrekking hebben, en hetgeen partijen in hoger beroep aan de orde hebben gesteld. Die gronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 24 december 2010 in zaken nrs. 10/19279, 10/19283 en 10/19285;

III. verklaart de in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. De Vink

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2012

154-636.

Verzonden: 10 april 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser