Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3068

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201110049/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie A]" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.2
Besluit milieueffectrapportage
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2012/82 met annotatie van S.M. van Velsen

Uitspraak

201110049/1/R1.

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Afferden, gemeente Bergen (Lb),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Bergen (Lb),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie A]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2011, beroep ingesteld. Hij heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 13 oktober 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door H.S.W. Banken, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts zijn daar [partijen] (hierna tezamen en in enkelvoud: [partij]) als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de mogelijkheid van vervanging van bestaande bedrijfsbebouwing en het oprichten van een nieuwe kas op het perceel [locatie A] te Afferden ten behoeve van de uitbreiding van het thans aanwezige tuincentrum met kwekerij van [partij] tot een volwaardig tuincentrum. [appellant] is woonachtig op het perceel [locatie B], in de nabijheid van het tuincentrum.

2.2. De raad neemt het standpunt in dat de beroepsgronden van [appellant] wat betreft het ontbreken van een milieueffectrapport en het handelen in strijd met een principeakkoord voor het oprichten van een recreatiewoning niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat deze beroepsgronden niet eerst in de zienswijze zijn aangevoerd.

2.2.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. [appellant] heeft in zijn zienswijze het gehele ontwerpplan bestreden. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure naar voren zijn gebracht. [appellant] heeft de beroepsgronden reeds bij brief van 13 oktober 2011 ingebracht. Er bestaat geen aanleiding de beroepsgronden buiten beschouwing te laten.

2.3. [appellant] voert aan dat een omgevingsvergunning voor het afwijken van het gebruik als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel een milieuvergunning die is verleend krachtens de Wet milieubeheer ten onrechte niet tezamen met het ontwerpplan ter inzage is gelegd.

2.3.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing met dien verstande dat in voormeld artikel enkele aanvullende voorschriften worden gegeven.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.3.2. Vaststaat dat een milieuvergunning dan wel een omgevingsvergunning niet met het ontwerpplan ter inzage is gelegd.

2.3.3. De Afdeling is van oordeel dat de door [appellant] bedoelde mogelijke vergunningen niet kunnen worden aangemerkt als op het ontwerpplan betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerp, als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Hiertoe wordt overwogen dat deze niet zijn betrokken bij de besluitvorming over het bestemmingsplan.

2.4. [appellant] betoogt dat bij de vaststelling van het plan ten onrechte ambtshalve wijzigingen zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerp.

2.4.1. De raad is bevoegd om bij de vaststelling van het plan daarin al dan niet ambtshalve wijzigingen aan te brengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat sprake is van een wezenlijk ander plan, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. De afwijking van het ontwerp betreft in dit geval, afgezien van een wijziging van de plantoelichting, de toevoeging van de aanduiding "groen" en is in het onderhavige geval naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt.

2.5. [appellant] acht het toegekende bebouwingsoppervlak in strijd met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (hierna: POL) vanwege de aanzienlijke omvang van dit oppervlak en de ligging van het tuincentrum in landelijk gebied.

2.5.1. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In de plantoelichting is uitdrukkelijk aandacht besteed aan het POL en de verhouding van het POL tot het plan. Gelet hierop is aannemelijk dat de raad dit beleid in de belangenafweging heeft betrokken. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad hierbij van een onjuiste uitleg van het beleid is uitgegaan.

2.6. [appellant] betoogt dat ten behoeve van het bestemmingsplan ten onrechte geen milieueffectrapport is gemaakt.

2.6.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het tweede lid, voor zover van belang, worden terzake van de activiteiten, genoemd in het eerste lid, bij de maatregel de categorieën van plannen aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Een plan wordt slechts aangewezen indien het plan het kader vormt voor een besluit als bedoeld in het derde of vierde lid.

Ingevolge het derde lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a, de categorieën van besluiten aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge het vierde lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 van de Wet milieubeheer moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

2.6.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieueffectrapportage, voor zover van belang, worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de wet aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

Ingevolge het tweede lid, voor zover van belang, worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de wet, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

2.6.3. De Afdeling stelt vast dat de uitbreiding van het tuincentrum niet valt onder een van de activiteiten als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Gelet hierop faalt het betoog dat de raad ten onrechte heeft nagelaten een milieueffectrapport te maken.

2.7. [appellant] betoogt voorts dat aan het plan geen zorgvuldig en onafhankelijk haalbaarheidsonderzoek ten grondslag is gelegd. Hiertoe voert hij aan dat niet is aangetoond dat het tuincentrum, mede gelet op de ligging van andere tuincentra, voldoende klanten zal trekken.

2.7.1. In het onderzoek "Markt- en haalbaarheidsonderzoek" van Groenrijk Afferden in oprichting van mei 2010 staat dat is aangetoond dat er in het gebied nog ruimte in de markt aanwezig is voor het oprichten van een tuincentrum. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat niet van de conclusie in dit onderzoek kan worden uitgegaan. De raad heeft derhalve in redelijkheid van de uitvoerbaarheid van het plan kunnen uitgaan. De enkele omstandigheid dat dit onderzoek is opgesteld door de initiatiefnemer van het plan, maakt dit niet anders.

2.8. [appellant] betoogt dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat het tuincentrum kan uitbreiden met een nieuwe kas, terwijl hem onlangs vergunning is geweigerd voor de aanleg van een natuurlijke vijver op zijn kavel T134 met als reden dat dit niet wordt toegestaan op een stuk agrarische grond met landschappelijke waarden. In dit verband stelt hij dat aan de gronden waar de uitbreiding van het tuincentrum is voorzien in het voorheen geldende bestemmingsplan ook een bestemming was toegekend die was gericht op het behoud van de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden.

2.8.1. Wat betreft deze vergelijking wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt stelt dat de door [appellant] genoemde situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat in de nabijheid van de bouwlocatie percelen liggen die worden gebruikt voor landbouw, wonen, horeca en recreatie, waardoor de bouwlocatie niet dezelfde landschappelijke waarden heeft als de kavel T134. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Strijd met het gelijkheidsbeginsel doet zich derhalve niet voor.

2.9. [appellant] voert aan dat het plan leidt tot een aantasting van het zicht vanuit zijn woning aan het [locatie B] vanwege de kas die op het perceel [locatie A] kan worden gebouwd.

2.9.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie] de bestemming "Detailhandel - Tuincentrum" toegekend. Aan een gedeelte van het perceel is de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Voorts is de maatvoeringsaanduiding "maximale goothoogte (8 m)" toegekend aan een gedeelte van het perceel met de aanduiding "bouwvlak".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Detailhandel - Tuincentrum" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een tuincentrum;

[…];

d. kassen.

Ingevolge lid 3.2.1, voor zover van belang, mogen op de voor "Detailhandel - Tuincentrum" aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd:

a. gebouwen ten behoeve van de in lid 3.1 genoemde bestemming;

[…].

Ingevolge lid 3.2.2, voor zover van belang, gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:

a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak";

b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;

[…];

d. de goothoogte mag maximaal 6 m bedragen en de bouwhoogte mag maximaal 13 m bedragen, met dien verstande dat voor de goothoogte ter plaatse van de aanduiding "maximale goothoogte" de aangeduide maximale goothoogte geldt tot maximaal 50% van het aangeduide maatvoeringsvlak.

2.9.2. Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat het vorige plan voorzag in een vergelijkbare mogelijkheid voor het oprichten van bebouwing op het perceel [locatie A], overweegt de Afdeling dat in het kader van het nu voorliggende plan alle betrokken belangen behoren te worden afgewogen, waarbij wordt bezien in hoeverre het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Niet valt uit te sluiten dat het zicht vanuit de woning van [appellant] in enige vorm kan worden aangetast door de uitbreiding van het tuincentrum met een kas. Deze kan immers worden gebouwd op ongeveer 70 m afstand van zijn woning met een goothoogte van deels 6 m en deels 8 m en een bouwhoogte van 13 m. De raad heeft hieraan echter in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen. Hierbij wordt in aanmerking genomen het standpunt van de raad dat het uitzicht van [appellant] op de gronden achter de bestaande kwekerij in de bestaande situatie reeds wordt belemmerd door hoge beplanting van het tuincentrum en de kwekerij zelf en door de aarden wal op het perceel van [appellant]. Daarnaast wordt in aanmerking genomen dat de kas, gelet op de positionering daarvan op de verbeelding ten opzichte van de woning van [appellant], niet recht tegenover deze woning kan worden opgericht, maar schuin daar tegenover. Ten slotte heeft de raad in aanmerking kunnen nemen dat de gronden ten noorden, oosten en zuiden op geruime afstand van de woning van [appellant] onbebouwd zijn.

2.10. [appellant] vreest verder voor een onaanvaardbare verkeerstoename. Dit leidt volgens hem tot ernstige geluidhinder ter plaatse van zijn woning en het ontstaan van een verkeersonveilige situatie op de N271. Wat betreft het aspect geluidhinder voert hij aan dat de geluidsoverlast vanwege het verkeer zal toenemen, mede in aanmerking genomen de weerkaatsing van geluid tegen de glazen wand van de op te richten kas. Hij betoogt dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek is verricht.

[appellant] voert verder aan dat de uitbreiding van het tuincentrum leidt tot een verkeeronveilige situatie als gevolg van een toename van het auto- en vrachtverkeer en meer specifiek het vrachtverkeer dat achteruit het terrein van het tuincentrum oprijdt. Dit klemt temeer, nu thans reeds sprake is van een verkeeronveilige situatie, aldus [appellant]. Hij betoogt dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoeveel ongelukken op de N271 hebben plaatsgevonden.

2.10.1. In het verweerschrift heeft de raad aangegeven dat de gemiddelde weekdagverkeersintensiteit ter plaatse in 2008 ongeveer 9.700 motorvoertuigen bedroeg. In de plantoelichting staat dat de maximale verkeersgeneratie als gevolg van de uitbreiding van het tuincentrum is berekend op basis van de CROW-normen en dat deze 543 motorvoertuigen extra per dag bedraagt ten opzichte van de huidige situatie. Het aandeel dat bestaat uit vrachtverkeer is daarbij bepaald op 2%, oftewel ongeveer tien vrachtwagens per dag. Vermeld is dat dit aantal naar verwachting hoger is dan in de werkelijkheid, omdat het tuincentrum maximaal twee keer per dag wordt bevoorraad en ook maximaal twee keer per dag met de eigen vrachtwagen wordt gereden. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. De raad stelt voorts dat het plan niet leidt tot een verkeersonveilige situatie als gevolg van een belemmering voor vrachtwagens die het terrein van het tuincentrum oprijden dan wel verlaten. De enkele stelling van [appellant] dat hij heeft gezien dat vrachtwagens in het verleden achteruit het terrein zijn opgereden, leidt niet tot het oordeel dat het plan hiertoe dwingt en zodoende een verkeersonveilige situatie zal ontstaan. De raad stelt voorts dat de verkeersintensiteit, rekening houdend met de toename hiervan als gevolg van het plan, de maximale capaciteit van de N271 niet overschrijdt. Hij stelt dat hierdoor niet aannemelijk is dat de verkeersveiligheid op de N271 ernstig zal verslechteren. [appellant] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Dat op deze weg in 2006, 2007 en 2008 ongevallen hebben plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe wordt overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitbreiding van het tuincentrum de kans op ongevallen vergroot.

Met betrekking tot het aspect geluid staat in de plantoelichting dat aansluiting is gezocht bij de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure) aanbevolen afstand tussen een tuincentrum en omliggende woningen. In de VNG-brochure wordt in een rustige woonwijk - daargelaten de vraag of het gebied vanwege de aanwezigheid van de N271 kan worden aangemerkt als rustige woonwijk - een afstand van 30 m aanbevolen tussen een tuincentrum en een woning. De afstand tussen de woning van [appellant] en de met het plan toegestane nieuwe bebouwing van het tuincentrum bedraagt ongeveer 70 m. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een onaanvaardbare toename van de geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant].

[appellant] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de verkeersaantrekkende werking van het tuincentrum dan wel de weerkaatsing van verkeersgeluid tegen de glazen wand van de op te richten kas dusdanig is dat hij aanzienlijke geluidsoverlast zal ondervinden.

2.11. [appellant] betoogt dat de nieuwe kas een obstakel gaat vormen tussen twee natuurgebieden en daarmee nadelige gevolgen heeft voor flora en fauna.

2.11.1. Op een afstand van ongeveer 360 m ten noordoosten van het perceel voor het tuincentrum ligt het Natura 2000-gebied Maasduinen. Niet is gebleken dat in de nabijheid van het perceel voor het tuincentrum een ander natuurgebied ligt dan het Natura 2000-gebied Maasduinen. Zodoende bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat vanwege de uitbreiding van het tuincentrum een obstakel tussen twee natuurgebieden zal ontstaan. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitbreiding van het tuincentrum geen significant verstorend effect zal hebben op het Natura 2000-gebied Maasduinen.

2.12. [appellant] betoogt dat de procedure niet transparant is verlopen en dat ambtenaren in dienst van de gemeente niet objectief zijn. In dit verband wijst hij onder meer op hetgeen is vermeld in artikel 6.3 van de overeenkomst van maart 2010 die is gesloten tussen de gemeente en tuincentrum [partij] en die is gericht op wijziging van het vorige bestemmingsplan.

2.12.1. In de door [appellant] bedoelde passage in de overeenkomst staat dat toe te kennen vergoedingen in het kader van planschade door het tuincentrum aan de gemeente wordt vergoed. Vóór het toekennen van een vergoeding spannen partijen zich in om het bedrag dat wordt toegekend tot een minimum te beperken.

2.12.2. In de enkele omstandigheid dat door de partijen bij de overeenkomst is afgesproken dat zij zich inspannen om eventuele planschadevergoedingen tot een minimum te beperken ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat gemeenteambtenaren in de bestemmingsplanprocedure niet objectief zijn geweest dan wel dat de bestemmingsplanprocedure niet transparant is verlopen.

2.13. [appellant] betoogt verder dat in de besluitvorming geen rekening is gehouden met een principeakkoord dat hij met de gemeente heeft gesloten voor het oprichten van een recreatiewoning.

2.13.1. De raad stelt dat hij enkele jaren geleden heeft toegezegd dat hij in beginsel medewerking verleent aan het oprichten van een recreatiewoning op het perceel [locatie B]. Het onderhavige plan doet aan die toezegging geen afbreuk, aldus de raad. Hiertoe stelt hij dat het tuincentrum op het perceel [locatie] op een goede wijze landschappelijk wordt ingepast, hetgeen volgens de raad is geborgd in een overeenkomst die is gesloten tussen de eigenaren van het tuincentrum en de gemeente. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat desondanks in de besluitvormingsprocedure onvoldoende rekening is gehouden met het principeakkoord voor het oprichten van een recreatiewoning op zijn perceel.

2.14. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant] is ongegrond.

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Bechinka

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

371-646.