Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3064

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201106599/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ3571, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het college aan Greenplan B.V. vrijstelling verleend voor, onder meer, het realiseren van een landschapscamping aan het Bakkerpad ongenummerd te Nijnsel, gemeente Sint-Oedenrode (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201106599/1/A1.

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te Sint-Oedenrode (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 mei 2011 in zaken nrs. 08/4121 en 09/1480 in het geding tussen onder meer:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het college aan Greenplan B.V. vrijstelling verleend voor, onder meer, het realiseren van een landschapscamping aan het Bakkerpad ongenummerd te Nijnsel, gemeente Sint-Oedenrode (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 4 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 juli 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2012, waar [appellanten], en het college, vertegenwoordigd door J.C.A.M. den Otter, werkzaam bij de gemeente, en mr. H. Groeneveld, zijn verschenen. Voorts is Greenplan B.V., vertegenwoordigd door [directeur] van Greenplan B.V., ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het project voorziet onder meer in natuurontwikkeling, het realiseren van een landschapscamping ten behoeve van 60 kampeerplaatsen, sanitairgebouw en een voorziening voor logies en ontbijt met circa 28 bedden. Het recreatieve deel van de camping zal worden ingericht ten behoeve van kort toeristisch verblijf (circa 1.85 ha). Het overige deel (circa 5.54 ha) zal worden ingericht ten behoeve van natuur en landschap.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1997" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en / of abiotische waarden - Alca - ". Tevens heeft een gedeelte van het perceel de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden - A - ".

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de gronden aangewezen voor "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" bestemd voor de volgende doeleinden:

a. een duurzame agrarische bedrijfsvoering;

b. instandhouding van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden;

c. extensief recreatief medegebruik, met uitzondering van een kano-rustplaats.

2.3. Een landschapscamping is op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan. Om dit evenwel mogelijk te maken heeft het college bij besluit van 7 oktober 2008 aan Greenplan B.V. vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend ten behoeve van het realiseren van een landschapscamping, overeenkomstig de bij dat besluit behorende ruimtelijke onderbouwing van 16 augustus 2007.

2.4. De rechtbank heeft volgens [appellant] miskend dat het hotel en de landschapscamping onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, zodat de bouwvergunningplichtige bouwwerken waarin is voorzien, dienden te worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen ten behoeve van de niet-bouwvergunningplichtige activiteiten.

2.4.1. Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, wordt de verlening van de vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht geacht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 24 maart 2004 in zaak nr. 200303721/1, moet uit artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet worden afgeleid dat de wetgever een concentratie van rechtsbescherming voor ogen heeft gehad om aldus onnodige procedures te voorkomen. Voor zover vrijstelling is vereist teneinde bouwvergunning voor een project te kunnen verlenen, kan tegen het besluit op het vrijstellingsverzoek worden opgekomen in het kader van de beschikking op een voor dat project ingediende bouwaanvraag.

De bij besluit van 7 oktober 2008 verleende vrijstelling heeft, naast het gebruik en de inrichting van het perceel voor natuurontwikkeling en een camping, blijkens de ruimtelijke onderbouwing eveneens betrekking op de realisering van gebouwen op het perceel, zoals een sanitairgebouw, een gebouw ten behoeve van logies en ontbijt, door [appellant] als hotel aangeduid, en een bedrijfswoning. Ten tijde van dit besluit waren, naar niet in geschil is, nog geen bouwvergunningen voor deze gebouwen verleend, zodat gelet op artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet, in dit geval in zoverre tegen het besluit nog niet in rechte kon worden opgekomen. Daarnaast staat het onderhavige gebruik van het perceel als landschapscamping in functioneel en bouwkundig opzicht los van de bouwvergunningplichtige werkzaamheden voorzien op het perceel, zodat de vrijstelling in zoverre zelfstandig voor beroep vatbaar is. Dat de in de ruimtelijke onderbouwing opgenomen resultatenrekening beweerdelijk aantoont dat het gehele project financieel niet haalbaar zou zijn, indien alleen uitgegaan wordt van de inkomsten voortvloeiende uit de activiteiten die betrekking hebben op de landschapscamping, betekent niet dat het enkele gebruik van het perceel als landschapscamping onlosmakelijk is verbonden met de te realiseren logiesvoorziening. Hierbij is van belang dat de landschapscamping, zoals ter zitting toegelicht door het college en Greenplan B.V., al functioneert zonder dat de logiesvoorziening op het perceel is gerealiseerd. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank in hetgeen door [appellant] is aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de bouwvergunningplichtige werkzaamheden onlosmakelijk zijn verbonden met de te realiseren landschapscamping. De bij besluit van 7 oktober 2008 verleende vrijstelling heeft, voor zover hier van belang, betrekking op het realiseren van een landschapscamping op het perceel. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de in de ruimtelijke onderbouwing voorziene bouwvergunningplichtige werkzaamheden niet aan de orde zijn in deze procedure. Voor zover de onderhavige vrijstelling ziet op bouwvergunningplichtige bouwwerken, kan deze in zoverre nog in volle omvang in rechte worden bestreden in de procedure met betrekking tot een daartoe verleende bouwvergunning.

Het betoog faalt.

2.5. Gelet op het voorgaande behoeven het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de door het college van gedeputeerde staten verleende verklaring van geen bezwaar van 1 juli 2008 onvoldoende is gemotiveerd, omdat blijkens de aanvraag om bouwvergunning ter realisering van het hotel/logies is voorzien in een volwaardig hotel met een hoogte van 9 m, en het betoog over de ruimtelijke onderbouwing met betrekking tot de bedrijfswoning en het sanitairgebouw geen bespreking, nu deze gebouwen in de onderhavige procedure niet aan de orde zijn.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen, nu geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de vrijstelling uit een oogpunt van geluid- licht-, geur- en uitzichthinder en een toename van verkeersbewegingen.

2.6.1. De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van in dit geval het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft, zodat de rechter de beslissing in zoverre terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

2.6.2. Volgens de ruimtelijke onderbouwing is de landschapscamping gelegen aan de rand van Nijnsel waardoor een goede ontsluiting op de A50 mogelijk is. Door een duidelijke en goede bebording vanaf de verschillende aanvoerroutes naar de landschapscamping wordt volgens het college de verkeersoverlast voor omwonenden beperkt. Daarnaast zal het Bakkerpad worden verbeterd ter voorkoming van overlast. Voorts richt de camping zich blijkens de ruimtelijke onderbouwing met name op de extensieve recreant met interesse voor rust, ruimte, natuur en landschap en dient het volgens de huisregels van de camping rond 22.00 uur fluisterstil te zijn op de camping. Verder is de camping volgens Greenplan B.V. alleen gedurende de periode van april tot en met oktober geopend en zal volgens het college in die periode door de aanleg van een houtsingel het zicht van de woningen op de landschapscamping grotendeels worden ontrokken. Weliswaar zal ten gevolge van het realiseren van de landschapscamping mogelijk enige overlast ontstaan, maar gegeven de omstandigheid dat de afstand van de dichtstbijgelegen woning tot de camping ongeveer 50 meter is, worden in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat deze overlast van dien aard is dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid groter gewicht heeft kunnen hechten aan de belangen die zijn gebaat bij het verlenen van de vrijstelling voor het realiseren van een landschapscamping, waardoor een toeristische-recreatieve ontwikkeling van Sint-Oedenrode wordt bevorderd, dan aan de belangen die gebaat zijn bij weigering daarvan.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. T.C. van Sloten en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

357-700.