Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3060

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201102442/1/A1 en 201109453/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2011:BP8925, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 mei 2010 heeft het college [appellante sub 1] onder ontheffing van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het voor 5 jaar oprichten van een kantoorgebouw op het perceel [locatie] te Zuidoostbeemster (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201102442/1/A1 en 201109453/1/A1

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellante sub 1], gevestigd te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 18 januari 2011 in zaak nr. 10/3314 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B] (hierna: [wederpartijen])

en

het college van burgemeester en wethouders van Beemster, (hierna: het college),

alsmede het hoger beroep van:

2. [appellante sub 1]

3. het college

appellanten,

tegen de uitspraak van die rechtbank van 18 januari 2011 in zaak nr. 10/3319 in het geding tussen:

de stichting Stichting Behoud Waterland, gevestigd te Broek in Waterland, (hierna: de stichting), [belanghebbende], wonend te Zuidoostbeemster en het Bewonersplatform Nekkerzoom (hierna: het bewonersplatform)

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2010 heeft het college [appellante sub 1] onder ontheffing van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het voor 5 jaar oprichten van een kantoorgebouw op het perceel [locatie] te Zuidoostbeemster (hierna: het perceel).

Bij afzonderlijke uitspraken van 18 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door de stichting, [belanghebbende], het bewonersplatform en de door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen de uitspraak in zaak nr. 10/3319 hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2011, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op de volgende dag, hoger beroep ingesteld. [appellante sub 1] heeft de gronden aangevuld bij brieven van 23 maart en 20 april 2011, het college heeft dat gedaan bij brief van 23 maart 2011.

De stichting, [belanghebbende] en het bewonersplatform hebben een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellante sub 1] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Tegen de uitspraak in zaak nr. 10/3314 heeft [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

De stichting, [belanghebbende], het bewonersplatform en [appellante sub 1] hebben elk nog nadere stukken ingediend.

De zaken zijn door een meervoudige kamer van de Afdeling naar een enkelvoudige verwezen.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd en ter zitting behandeld op 13 maart 2012, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. G.H.J. Heutink en mr. F. Güner, beiden advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.J.W. Bult, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [belanghebbende] in persoon, de stichting, het bewonersplatform, beide vertegenwoordigd door [belanghebbende] en W. van Rooijen, en [wederpartij B] in persoon gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling volgt [wederpartijen] niet in het betoog dat het door [appellante sub 1] ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 10/3314 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is. De rechtbank heeft de aangevallen uitspraken weliswaar aan [appellante sub 1] verzonden, maar niet ook aan haar gemachtigde. De uitspraken zijn aldus niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Onder die omstandigheden heeft [appellante sub 1] het hoger beroep niet te laat ingesteld.

2.2. De Afdeling heeft [wederpartijen] in het geding in hoger beroep tegen de uitspraak in zaak nr. 10/3319 toegelaten, omdat zij een aan dat van [appellante sub 1] en het college tegengesteld belang hebben.

2.3. [appellante sub 1] exploiteert sinds 1945 op het perceel een aannemerij. Er bevindt zich een opslagterrein. Voorts zijn er kantoorgebouwen. Het college heeft aan [appellante sub 1] bij besluit van 2 oktober 2000 onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het oprichten van een opslagloods, waardoor in afwijking van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994", waarin is bepaald dat maximaal 15% van de voor bebouwing bestemde terreinoppervlakte mag worden bebouwd, maximaal 35% van deze gronden mocht worden bebouwd. Vanwege gebrek aan kantoorruimte heeft [appellante sub 1] in 2007 zogeheten portocabins op het perceel geplaatst, zonder daartoe over een bouwvergunning te beschikken. Naar aanleiding van een door haar ingediend schetsplan voor een op te richten permanent kantoorgebouw op het perceel heeft het college haar bij brief van 4 november 2008 te kennen gegeven dat het de besluitvorming over dit schetsplan aanhoudt, totdat duidelijkheid over de planologische ontwikkelingen in het gebied Nekkerzoom bestaat. Om in afwachting van de uitwerking van de beleidsontwikkeling over de Nekkerzoom aan de verder groeiende behoefte aan extra kantoorruimte te kunnen voldoen, voorziet het bouwplan in de oprichting van nog een tijdelijk kantoorgebouw.

2.4. Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kan het college met het oog op de voorziening in een tijdelijke behoefte voor een bepaalde termijn ontheffing verlenen van een bestemmingsplan. De termijn kan ten hoogste vijf jaar belopen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

2.5. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994". Om voor de verwezenlijking ervan toch bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college daarvan krachtens artikel 3.22 van de Wro ontheffing verleend.

2.6. [appellante sub 1] en het college betogen dat de rechtbank, door onvoldoende objectieve gegevens aanwezig te achten die het waarschijnlijk maken dat binnen vijf jaar een permanent kantoorgebouw opgericht zal worden, heeft miskend dat het in voorbereiding zijnde nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied 2011", dat voor dit perceel een conserverend karakter zal hebben en een bebouwingspercentage van 35 zal bevatten voor het voor bebouwing bestemde gebied, naar verwachting in 2012 zal worden vastgesteld en dat het gevoerde provinciaal beleid geen belemmering vormt voor het nieuwe bestemmingsplan, omdat onder het huidig planologisch regime reeds een bebouwingspercentage van 35 is toegestaan en het bestemmingsplan derhalve niet tot verdere verstedelijking zal leiden.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 maart 2010 in zaak nr. 200907936/1/H1), is voor toepassing van artikel 3.22, eerste lid, van de Wro vereist dat aannemelijk is dat na het verstrijken van de vergunde termijn geen behoefte meer aan de tijdelijke voorziening zal bestaan.

Het college heeft aan het in beroep bestreden besluit de verwachting ten grondslag gelegd dat de beleidsontwikkelingen voor de Nekkerzoom op korte termijn zullen zijn afgerond en [appellante sub 1] daarna aan de hand van de nieuwe regels een permanent kantoorgebouw kan laten ontwerpen en hiervoor een aanvraag om verlening van bouwvergunning kan indienen. Het gaat hierbij uit van de veronderstelling dat het beoogde permanente kantoorgebouw binnen het toekomstig planologisch regime zal passen. Nu ten tijde van het besluit van 25 mei 2010 echter onvoldoende duidelijkheid bestond over het ter plaatse te voeren ruimtelijk beleid en het nieuwe bestemmingsplan, waarvan het voorontwerp in april 2011 ter inzage is gelegd, om die reden voor het desbetreffende gebied een conserverend karakter heeft, zodat de oprichting van het beoogde permanente kantoorgebouw hiermee niet planologisch mogelijk wordt gemaakt, bestond ten tijde van de besluitvorming onvoldoende zekerheid dat [appellante sub 1] het permanente kantoorgebouw binnen vijf jaar zal hebben gerealiseerd, zodat het tijdelijke kantoorgebouw niet meer nodig is. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank het terecht door het college onvoldoende aannemelijk gemaakt geacht dat het tijdelijke kantoorgebouw niet langer dan vijf jaar op het perceel aanwezig zal zijn. Het college kon dan ook niet krachtens artikel 3.22 van de Wro ten behoeve van de tijdelijke bebouwing ontheffing van het bestemmingsplan verlenen, als het heeft gedaan.

Het betoog faalt.

2.7. Het college en [appellante sub 1] betogen voorts dat de rechtbank, in het geval de aangevallen uitspraak wordt bevestigd, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit ten onrechte niet in stand heeft gelaten. Hiertoe voeren zij aan dat [appellante sub 1] inmiddels op 22 augustus 2011 een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning heeft ingediend voor het oprichten van een nieuw kantoorgebouw op het perceel, de welstandscommissie op hoofdlijnen akkoord is gegaan met het bouwplan en de raad op 24 januari 2012 heeft besloten hieraan in beginsel planologische medewerking te verlenen, alsmede dat geen verklaring van geen bedenkingen is vereist.

2.7.1. Dat betoog faalt evenzeer. Dat [appellante sub 1] thans een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning heeft ingediend, biedt evenmin voldoende zekerheid dat [appellante sub 1] het permanente kantoorgebouw binnen vijf jaar zal hebben gerealiseerd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het bouwplan in strijd is met, zowel het thans geldende, als het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Voorts is niet in geschil is dat het bouwplan niet strookt met het gevoerde provinciaal beleid, zoals dat is neergelegd in artikel 14 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie. Voor de juistheid van de stelling dat desondanks op korte termijn een omgevingsvergunning voor het bouwplan zal kunnen worden verleend, heeft de rechtbank in hetgeen het college en [appellante sub 1] in dit verband naar voren hebben gebracht terecht onvoldoende aanknopingspunten gevonden. Het betoog faalt.

2.8. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraken;

II. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van het college van burgemeester en wethouders van Beemster griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

604.