Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3058

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201100974/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2010, kenmerk RAAD/10/00245, heeft de raad het bestemmingsplan "Vierde Kwadrant" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 4.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/503

Uitspraak

201100974/1/R2.

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Kockengen, gemeente Stichtse Vecht, en anderen,

2. de stichting Stichting Behoud Veenweidegebieden Kockengen, gevestigd te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht, en anderen,

en

de raad van de gemeente Breukelen, thans: Stichtse Vecht,

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2010, kenmerk RAAD/10/00245, heeft de raad het bestemmingsplan "Vierde Kwadrant" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2011, en de Stichting en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

De Stichting en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2012, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, de Stichting en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.H. Jonkhof, advocaat te Haarlem, en de raad, vertegenwoordigd door mr. H.Ph. Polman, T. Verkammen en ir. H.G. Steutel, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het gebied ten noordoosten van de kern Kockengen, in de polder Portengen. Met dit plan is beoogd ter plaatse een nieuwe woonwijk te realiseren.

De Provinciale Ruimtelijke Verordening

2.2. De Stichting en anderen betogen dat het plan in strijd is met de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht 2009 (hierna: de Verordening), omdat het bestemmingsplan op de bij de Verordening behorende kaart is aangeduid als "Waardevolle natuur buiten EHS".

2.2.1. De raad heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de Verordening. Ter zitting heeft de raad aangevoerd dat weliswaar met de provincie geen overleg is gevoerd over de aanduiding van het gebied als "Waardevolle natuur buiten EHS", maar dat hij wel vanwege deze aanduiding onderzoek heeft laten verrichten naar de waardevolle natuur ter plaatse.

2.2.2. Provinciale staten van Utrecht hebben de Verordening op 21 september 2009 op grond van artikel 4.1, eerste en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) vastgesteld. De Verordening is op 23 december 2009 bekendgemaakt en op 24 december 2009 in werking getreden.

Het plangebied is op de bij de Verordening behorende kaart zowel aangeduid met "Stedelijk gebied" als met "Waardevolle natuur buiten EHS".

Ingevolge artikel 7.1, eerste lid, van de Verordening, voor zover hier van belang, bevat een bestemmingsplan voor het gebied dat is aangeduid als "Stedelijk gebied" bestemmingen en regels voor woningbouw op nieuwe uitbreidingslocaties waarbij de woningbouwaantallen genoemd in bijlage Woningbouwaantallen, onder het kopje nieuwe uitbreiding, richtinggevend zijn.

Ingevolge artikel 5.3, eerste lid, van de Verordening bevat een bestemmingsplan voor het gebied dat is aangeduid als "Waardevolle natuur buiten EHS" bestemmingen en regels ter bescherming en versterking van de in het plangebied voorkomende geconcentreerde actuele natuurwaarden.

2.2.3. De Verordening bevat regels die de raad bij de vaststelling van het plan in acht diende te nemen.

De Afdeling interpreteert de Verordening aldus dat bij vaststelling van een bestemmingsplan voor het onderhavige gebied niet tegelijkertijd aan de regels van artikel 7.1, eerste lid, en artikel 5.3, eerste lid, van de Verordening behoeft te worden voldaan. Een redelijke uitleg van de Verordening brengt met zich dat de raad zolang hij nog geen plan vaststelt voor de realisatie van woningbouw met bijbehorende voorzieningen, bij de vaststelling van een plan voor het betrokken gebied bestemmingen en regels ter bescherming en versterking van in het gebied voorkomende natuurwaarden dient vast te stellen. Indien echter de raad de keuze maakt het betrokken gebied aan te wijzen voor de realisatie van woningbouw en bijbehorende voorzieningen, hoeft de raad niet meer artikel 5.3, eerste lid, maar dient hij wel artikel 7.1, eerste lid, van de Verordening in acht te nemen. Steun voor de lezing vindt de Afdeling in de omstandigheid dat provinciale staten er uitdrukkelijk voor hebben gekozen om op deze locatie te verstedelijken: zij hebben de keuze gemaakt in het als provinciale structuurvisie geldende "Streekplan 2005-2015", vastgesteld op 13 december 2004 (hierna: de Structuurvisie 2005-2015), de ligging van de rode contour aan te passen om de kern Kockengen aan de noordoostzijde uit te breiden ten behoeve van de realisatie van 100 woningen, waaraan in het onderhavige plan invulling wordt gegeven.

Gelet op het vorenstaande behoefde de raad in dit geval geen betekenis toe te kennen aan artikel 5.3, eerste lid, van de Verordening en heeft de raad niet in strijd met de Verordening in het plan bestemmingen en regels voor woningbouw op deze uitbreidingslocatie opgenomen.

Nationaal en provinciaal beleid

2.3. De Stichting en anderen betogen dat het plan in strijd is met het rijksbeleid als vervat in de in 2006 vastgestelde Nota Ruimte, omdat een uitbreiding van woningen in het nationaal landschap Groene Hart niet is toegestaan en evenmin aan het uitgangspunt 'behoud door ontwikkeling' wordt voldaan. Voorts betogen de Stichting en anderen dat het plan in strijd is met de Structuurvisie 2005-2015. De Stichting en anderen voeren in dit verband aan dat bepaalde delen van het plangebied daarbij ten onrechte buiten de rode contour zijn voorzien. De voorzieningen die verband zullen houden met de waterhuishouding dienen volgens hen binnen de rode contour te worden gerealiseerd. Volgens de Stichting en anderen beoogt de raad de wijk in de toekomst overigens buiten de rode contour verder uit te breiden, terwijl het provinciebestuur nieuwe uitbreidingen niet in verhouding acht tot de omvang en opbouw van de kern Kockengen. Zij voeren aan dat het plan tevens in strijd is met de provinciale eis dat ongeveer 100 woningen strikt voor de eigen behoefte van de kern Kockengen dienen te worden gerealiseerd. In dit verband achten zij van belang dat een faseringsregeling ten aanzien van de woningbouw, welke een dergelijke waarborg zou kunnen bieden, niet in het bestemmingsplan is neergelegd.

2.3.1. De raad stelt dat de uitwerking van de genoemde nationale beleidslijn 'behoud door ontwikkeling' is doorvertaald in het provinciale beleid. Volgens de raad is het plan een uitwerking van verschillende beleidsuitgangspunten, die zijn neergelegd in de Structuurvisie 2005-2015 en voorts in gemeentelijke beleidsstukken, zoals de structuurvisie Breukelen "Op weg naar 2015" uit 2002, het structuurplan "Vierde Kwadrant", de Woonvisie 2008-2012 en het landschapsontwikkelingsplan Breukelen-Loenen. De raad acht het plan daarmee in overeenstemming. De raad stelt dat ten behoeve van zowel de agrarische functie als de woonfunctie gedeeltelijk buiten de rode contour waterkerende maatregelen dienen te worden getroffen. Voorts wordt volgens de raad met de woningen in het plan voorzien in de eigen behoefte van de kern Kockengen, omdat uit een recent woningbehoefte onderzoek is gebleken dat Kockengen een groeikern is en de vraag naar woningen in de toekomst gehandhaafd blijft. Ook al past een verdere uitbreiding van Kockengen in de toekomst niet in het provinciale beleid, met uitbreiding kan wel rekening gehouden worden in de planvorming.

2.3.2. Het plangebied is gelegen in het nationaal landschap het Groene Hart. Binnen nationale landschappen is 'behoud door ontwikkeling' het uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid en geldt in algemene zin dat ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, mits de kernkwaliteiten van het landschap worden behouden of worden versterkt ('ja, mits'-regime). Tevens geldt dat slechts ruimte bestaat voor ten hoogste de eigen bevolkingsgroei (migratiesaldo nul). Uit de Nota Ruimte volgt dat provincies verantwoordelijk zijn voor de uitwerking van het beleid voor nationale landschappen.

Uit het provinciale beleid zoals neergelegd in de Structuurvisie 2005-2015 volgt dat het mogelijk is aan de noordoostzijde van Kockengen 100 woningen te realiseren, waarbij het van belang is dat deze woningen bestemd zijn voor de eigen behoefte. Gezien de ligging van de kern in het veenweidegebied, moet het stedenbouwkundig ontwerp en de inrichting afgestemd worden op de natte omstandigheden en op de geringe draagkracht van de veenbodem. Nieuwe uitbreiding achten provinciale staten niet meer in verhouding tot de omvang en opbouw van de kern en het beleid voor het Groene Hart en het veenweidegebied.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 maart 2010 in zaak nr. 200902832/1/R3) is met de inwerkingtreding van de Wro de Structuurvisie 2005-2015, behoudens concrete beleidsbeslissingen, niet meer rechtstreeks bindend voor het gemeentebestuur bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Bij diezelfde uitspraak heeft de Afdeling vastgesteld dat de Structuurvisie 2005-2015 van de provincie Utrecht geen concrete beleidsbeslissingen bevat, hetgeen overigens is aangegeven op pagina 10 van de Structuurvisie 2005-2015. Evenmin is de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan gebonden aan beleid van het Rijk dat is opgenomen in structuurvisies of in andere beleidsdocumenten. Wel dient de raad met deze beleidsstukken van het Rijk en de provincie rekening te houden, hetgeen betekent dat deze in de belangenafweging dienen te worden betrokken.

In de plantoelichting is expliciet aandacht besteed aan het beleid van Rijk en provincie en is ingegaan op de verhouding van dit beleid tot het gemeentelijke beleid ter zake. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad het Rijks- en provinciale beleid onvoldoende in zijn belangenafweging heeft betrokken.

In dit verband komt betekenis toe aan de namens het college van gedeputeerde staten aan het gemeentebestuur verzonden brief van 1 juni 2010 waarin is geconcludeerd dat het ontwerpplan niet strijdig was met de provinciale belangen en hij geen aanleiding zag om een zienswijze in te dienen.

Woningbehoefte

2.4. [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen betwisten dat het woningmarktonderzoek, dat is verricht ten behoeve van de Woonvisie 2008-2012 van de toenmalige gemeente Breukelen van juni 2008 (hierna: de Woonvisie 2008-2012), aan het plan ten grondslag kon worden gelegd, omdat dit onderzoek niet specifiek op het dorp Kockengen was gericht. Volgens de Stichting en anderen bevat dat woningmarktonderzoek bovendien onjuistheden. De noodzaak en wenselijkheid van de woningen hadden volgens de Stichting en anderen opnieuw moeten worden bezien in het kader van de gemeentelijke herindeling. De Stichting en anderen wijzen er voorts op dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de steeds breder onderkende toekomstige krimp van de bevolking in de regio. Evenmin heeft de raad voldoende rekening gehouden met de huidige toestand van de woningmarkt.

2.4.1. De raad voert aan dat het genoemde woningmarktonderzoek, dat in opdracht van de gemeenten Loenen en Breukelen werd uitgevoerd, is gebaseerd op verschillende beschikbare demografische gegevens. Voor beide gemeenten is een apart rapport opgesteld en voor de gemeente Breukelen zijn per kern de specifieke vraag- en aanbodgegevens nader uitgesplitst. De onvolkomenheden in het woningmarktonderzoek hebben volgens de raad geen betrekking op de kern Kockengen. Voorts stelt de raad dat inmiddels in een nieuw woningbehoefteonderzoek, dat is uitgevoerd in het kader van de herindeling, eveneens is geconcludeerd dat in Kockengen behoefte aan woningen blijft bestaan. Verder voert de raad aan dat, ondanks de gewijzigde economische omstandigheden, de woonwensen en de druk op de woningmarkt ongewijzigd zijn gebleven. Door middel van differentiatie in het woningbouwprogramma wordt tegemoet gekomen aan de woningbehoefte van diverse doelgroepen en inkomenscategorieën, zo stelt de raad.

2.4.2. In de zienswijzennota staat dat het woningbouwplan van 92 woningen is gebaseerd op de Woonvisie 2008-2012, waaraan een woningmarktonderzoek ten grondslag heeft gelegen. Uit de Woonvisie 2008-2012 kan worden afgeleid dat samen met de gemeente Loenen en drie lokaal werkzame woningcorporaties in 2006 een woningmarktonderzoek is uitgevoerd, waarvan de uitkomsten zijn neergelegd in het rapport "De woningmarkt in Breukelen en Loenen 2007-2011". Onweersproken is door de raad gesteld dat de onvolkomenheden die in het woningmarktonderzoek zitten, slechts betrekking hebben op de woningaantallen die voor de kern Breukelen zijn meegenomen in de berekeningen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet op deze stukken bij de voorbereiding van het plan in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in Kockengen een tekort bestaat aan woningen. Voorts heeft de raad een nieuw woningbehoefteonderzoek laten uitvoeren, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "De woningbehoefte van Stichtse Vecht, Onderzoek naar de huidige en toekomstige woningmarktpositie" van Companen van 11 november 2010. Uit dit rapport, dat overigens dateert van vóór de vaststelling van het plan zodat de raad dit anders dan de Stichting en anderen stellen bij de vaststelling heeft kunnen betrekken, volgt dat Kockengen een groeikern blijft en voor de periode 2010-2020 behoefte bestaat aan 140 woningen. Voorts is in het rapport van 11 november 2010 door middel van een zogenoemd "crisisscenario" rekening gehouden met de gewijzigde economische omstandigheden. Mede gelet hierop hebben [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de raad onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de huidige toestand van de woningmarkt. Gelet op het voorgaande en nu [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen voorts niet aannemelijk hebben gemaakt dat het rapport van 11 november 2010 onvolledig of anderszins ondeugdelijk is, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er behoefte is aan de in het plan voorziene woningen.

Het betoog faalt.

Woningdichtheid

2.5. Tevens stellen de Stichting en anderen dat het bestemmingsplan wat betreft de woningdichtheid in strijd is met de stedenbouwkundige planopzet uit het voorontwerp- en ontwerpbestemmingsplan.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de nu opgenomen woningdichtheid noodzakelijk is vanwege de optimalisatie van het plan, in die zin dat een zo divers mogelijk woningbouwprogramma dient te worden aangeboden. De raad heeft de ruimtelijke gevolgen hiervan beschouwd en acht de thans in het plan opgenomen dichtheid acceptabel.

2.5.2. In de plantoelichting staat dat de uitgangspunten van het structuurplan Vierde Kwadrant in juni 2008 zijn geactualiseerd in verband met het opstellen van het verkavelingsplan. Een van deze uitgangspunten was, gelet op de plantoelichting, een woonmilieutypologie "landelijk dorps", waarmee werd gekozen voor een bebouwingsdichtheid van maximaal 25 woningen per hectare. Niet in geschil is dat de bebouwingsdichtheid van de woningen in het plan thans boven de 25 woningen per hectare uitkomt. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat de in het plan voorziene dichtheid ruimtelijk bezien acceptabel is, niet onredelijk. De raad heeft in dit verband van belang mogen achten dat het bebouwde oppervlak in het plangebied niet is toegenomen. Zoals de raad in zijn verweerschrift heeft aangegeven is sprake van een hogere dichtheid vanwege gestapeld bouwen en niet door het verdichten van het plan in de zin van het vervangen van tweekappers of vrijstaande woningen door rijenwoningen.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die met een zo divers mogelijk woningbouwprogramma zijn gediend dan aan het belang bij het vasthouden aan het uitgangspunt van een woningdichtheid van maximaal 25 woningen per hectare.

Landschappelijke waarden

2.6. [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen betogen dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de unieke landschappelijke waarden van het gebied, nu dit het meest gave voorbeeld in Nederland is van een zogenoemd "cope-landschap", dat zich kenmerkt door een zeer specifieke, historisch bepaalde maat en vormgeving van de verkaveling, binnen een veenweidegebied. Het gebied is volgens hen niet voor niets aangewezen als Belvedèregebied. Volgens [appellant sub 1] en anderen heeft de raad te weinig belang gehecht aan de omstandigheid dat in de cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht is aangegeven dat wordt gestreefd om de kwaliteiten in het gebied veilig te stellen. De Stichting en anderen betogen in dit verband voorts dat de raad onvoldoende tegemoet is gekomen aan de kritiek ten aanzien van de "harde dorpsrand" die aan de noordelijke en oostelijke zijde van het plangebied zal ontstaan. Aan de oostzijde is met een appartementenblok met een bouwhoogte van 12 meter hoog ten onrechte een hoogteaccent gecreëerd, waardoor een zo zacht mogelijke overgang tussen het landelijke en het stedelijke gebied niet wordt gewaarborgd.

2.6.1. De raad beaamt dat elke handeling voor nieuwbouw in het buitengebied het landschap met bijbehorende kenmerken zal aantasten. De raad stelt dat de door [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen genoemde belangen zijn meegewogen, maar dat de uitbreiding van Kockengen met woningen de voorkeur geniet boven het in stand houden van de landschappelijke waarden in het plangebied. De raad voert aan dat aan de oostkant van het plangebied tijdens de planprocedure voor een "zachtere" vormgeving van de bebouwing is gekozen met als gevolg dat de overgang naar het landelijk gebied is verbeterd. Gelet op de aard van een dorp als Kockengen acht de raad het niet wenselijk om gestapelde woningen hoger te laten zijn dan grondgebonden woningen. De raad heeft een uitzondering gemaakt voor het appartementenblok aan de oostzijde omdat dit een accentfunctie heeft en voor afwisseling in de bebouwing zorgt.

2.6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwen in een uniek landschap zoals het veenweidegebied rondom Kockengen gevoelig ligt. De Afdeling acht van belang dat de raad, om de woningbouw landschappelijk in te passen, door BRO het "Beeldkwaliteits- en inrichtingsplan het Vierde Kwadrant, Kockengen" heeft laten opstellen, welk dateert van 16 februari 2010. Zo is de hoofdopzet van het plan gebaseerd op de bestaande karakteristieke strokenverkaveling van het Utrechts Veenweidegebied en blijven onder meer de watergangen in de huidige vorm behouden, hetgeen de raad ter zitting opnieuw heeft bevestigd. Zoals de raad voorts in zijn verweerschrift heeft gesteld, wordt in het plangebied gestreefd naar compactere bebouwing, zoals in de vorm van appartementen, zodat ook in de toekomst aan de woningbehoefte kan worden voldaan. De in het plan opgenomen maximale bouwhoogte ter plaatse van het appartementencomplex is daarbij noodzakelijk om enig verloop in bouwhoogten te creëren, hetgeen vanuit stedenbouwkundig oogpunt wenselijk wordt geacht. Gelet hierop acht de Afdeling de keuze van de raad niet onredelijk om aan de oostzijde door middel van een appartementenblok met een bouwhoogte van 12 meter een hoogteaccent te realiseren ten opzichte van de omliggende bebouwing waarvoor een bouwhoogte van 9 meter is voorzien. Overigens staat in de plantoelichting vermeld dat tussen het stedelijk en het landelijk gebied thans reeds nauwelijks sprake is van een zachte overgang.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zijn belangenafweging doorslaggevend gewicht diende toe te kennen aan de landschappelijke waarden van het gebied.

Alternatieven

2.7. Voorts stellen [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen dat de raad onvoldoende heeft onderzocht of alternatieve woningbouwlocaties aanwezig zijn. [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen voeren in dit verband aan dat de zuidrand van Kockengen een goede alternatieve locatie is. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben de Stichting en anderen het deskundigenrapport "Contra-expertise locatie Vierde Kwadrant ten behoeve van woningbouw Kockengen" van Taraxacum B.V. van mei 2011 overgelegd. Volgens [appellant sub 1] en anderen is het alternatief aan de zuidrand - in tegenstelling tot het thans voorliggende gebied dat nog net binnen de provinciale rode contour valt - ook geschikter om in de toekomst met meer woningbouw uit te breiden. [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen voeren aan dat de flexibiliteitsbepalingen in de Structuurvisie 2005-2015 uitdrukkelijk toestaan dat buiten de rode contour van Kockengen zal worden gebouwd. De Stichting en anderen dragen voorts de locatie Groenlust Oost als alternatieve locatie aan.

2.7.1. De raad stelt dat hij bij de totstandkoming van het plan alternatieve locaties in ogenschouw heeft genomen. In de locatie aan de zuidrand van Kockengen ziet de raad geen goed alternatief, omdat de thans aan de Zuidrand aanwezige voorzieningen in dat geval dienen te worden verplaatst, terwijl daarvoor binnen de rode contour van Kockengen geen ruimte is. De raad stelt voorts dat de ontsluiting van de locatie aan de Zuidrand problemen op zal leveren.

2.7.2. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

Blijkens de stukken, waaronder de zienswijzennota, heeft de raad het door [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen aangevoerde alternatief voor woningbouw aan de zuidrand van Kockengen in zijn afweging betrokken. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat geen onderzoek is gedaan naar deze alternatieve locatie. Vast staat voorts dat de voorgestelde locaties aan de zuidrand van Kockengen grotendeels en de locatie Groenlust Oost in het geheel - in tegenstelling tot het onderhavige plangebied - in de Verordening zijn aangeduid als "Landelijk gebied". Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er, gezien het bepaalde in artikel 4.1, derde lid, van de Verordening, terecht voor gekozen om die locaties niet te willen verstedelijken.

Ook overigens acht de Afdeling niet onredelijk dat de raad het alternatief aan de zuidrand als minder geschikt heeft beoordeeld. Zo heeft de raad ter zitting onweersproken gesteld dat de brandweer voorschrijft dat een wijk met een omvang als de onderhavige meerdere toegangswegen moet hebben en dat dit bij het alternatief aan de zuidrand niet goed valt te realiseren. Verder is ter zitting gebleken dat op de locatie aan de zuidrand slechts ruimte bestaat om ongeveer tweederde van het onderhavige plangebied te kunnen realiseren. Het standpunt van de raad dat dit onwenselijk is omdat hierdoor niet dezelfde kwaliteit in het woningbouwprogramma kan worden behaald, wordt niet onredelijk geacht. Ten slotte heeft de raad van belang mogen achten dat - in tegenstelling tot hetgeen is gesteld in het deskundigenrapport van Taraxacum B.V. - de verwerving van gronden aan de zuidrand ongunstiger is. Weliswaar is onweersproken gesteld dat de gronden aan op die locatie reeds in eigendom zijn van de gemeente, maar voor de verplaatsing van de aldaar aanwezige sportterreinen zouden niettemin nieuwe gronden moeten worden aangekocht.

Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de door hen voorgestelde alternatieven heeft kunnen afwijzen.

Flora- en fauna

2.8. Voorts stellen de Stichting en anderen dat het onderzoek dat de raad heeft laten verrichten naar de natuurwaarden in het plangebied onjuistheden bevat en onvolledig is. Zo worden een aantal diersoorten die regelmatig in of nabij het gebied worden waargenomen, ten onrechte niet in het rapport vermeld, hetgeen de Stichting en anderen tevens bevestigd zien in het door hen overgelegde deskundigenrapport "Kockengen, Toetsing in het kader van de Flora- en faunawet" van ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot uit 2007. Volgens de Stichting en anderen zijn de natuurwaarden van het gebied ten onrechte niet in de belangenafweging betrokken en had het op de weg van de raad gelegen om aanvullend onderzoek te verrichten.

De Stichting en anderen voeren verder aan dat in het plangebied elk jaar grutto's broeden. De vaste voortplantingsplaats van de grutto's wordt bedreigd met de realisatie van het plan, zo stellen zij. De Stichting en anderen achten dit in strijd met artikel 11 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw).

2.8.1. De raad heeft onderzoek laten verrichten naar de in het plangebied aanwezige beschermde diersoorten en heeft de resultaten daarvan weergegeven in paragraaf 6.8 van de plantoelichting. Onderzoeksbureau BRO heeft in dit verband een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Quickscan natuurwaarden Vierde Kwadrant te Kockengen" van 20 december 2006. Bureau Waardenburg B.V. heeft vervolgens aanvullend natuuronderzoek verricht en de bevindingen daarvan zijn vastgelegd in het rapport "Aanvullend natuuronderzoek Vierde Kwadrant Kockengen" van 15 oktober 2007. De raad stelt naar aanleiding van deze onderzoeken dat de huidige of toekomstige aanwezigheid van beschermde dier- of plantensoorten in het plangebied geen onoverkomelijke bezwaren oplevert voor de uitvoerbaarheid van het plan.

2.8.2. Ingevolge artikel 8 van de Ffw is het verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen.

Ingevolge artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

2.8.3. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het bestemmingsplan niet had kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat.

2.8.4. In het door de Stichting en anderen overgelegde deskundigenrapport uit 2007 is vastgesteld dat het onderzoeksgebied in potentie geschikt is voor een aantal soortgroepen, zoals planten, vissen, amfibieën, vogels en (kleine) zoogdieren. Volgens het deskundigenrapport kunnen in het onderzoeksgebied beschermde amfibieën, vissen en zoogdieren voorkomen en wordt vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. In tegenstelling tot hetgeen de Stichting en anderen menen, kunnen aan het door haar overgelegde deskundigenrapport niet de door haar gewenste conclusies worden verbonden. De Stichting en anderen hebben met dit onderzoek, noch anderszins, aannemelijk gemaakt dat daaraan voorafgaande onderzoek naar de natuurwaarden in het plangebied dat de raad heeft laten verrichten onjuistheden bevat of onvolledig is.

Verder is van belang dat aanvullend onderzoek door Bureau Waardenburg B.V. heeft plaatsgevonden. In haar rapport concludeert Bureau Waardenburg B.V. dat de zwanenbloem, gewone dotterbloem, bittervoorn, kleine modderkruiper en platte schijfhoren in het plangebied aanwezig zijn. Voorts is in het advies "Beschermde soorten in het Vierde Kwadrant te Kockengen" van onderzoeksbureau BRO van 19 oktober 2007 naar aanleiding van de uitgevoerde onderzoeken vastgesteld dat de huidige of toekomstige aanwezigheid van beschermde dier- of plantensoorten in het plangebied geen onoverkomelijke bezwaren oplevert voor de ontwikkeling van het plan, mits bepaalde maatregelen worden getroffen. Volgens dit advies kunnen de genoemde planten worden verplaatst ter voldoening de zorgplicht van artikel 2 van de Ffw en wordt een ontheffing op grond van de Ffw voor de dieren vrijwel zeker verkregen. Voorts staat in dit advies dat binnen het plangebied geen grutto's zijn waargenomen, maar dat niet is uitgesloten dat deze soort in het plangebied zou kunnen gaan broeden. Volgens de plantoelichting zullen de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, zodat broedende vogels niet zullen worden verstoord. De Stichting en anderen hebben de resultaten van het onderzoek van Bureau Waardenburg B.V. en van het advies van BRO niet gemotiveerd, bijvoorbeeld door middel van een nieuw deskundigenonderzoek, betwist.

Gelet op het vorenstaande geeft hetgeen de Stichting en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het perceel [locatie 1]

2.9. De Stichting en anderen voeren aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van [eigenaren], eigenaren van het perceel [locatie 1]. De Stichting en anderen stellen dat op een deel van hun sloot en tuin ten onrechte werkzaamheden en waterwerken zijn gepland.

2.9.1. Volgens de raad dienen de bedoelde voorzieningen te worden aangelegd om het stedelijk watersysteem en het polderwatersysteem van elkaar te scheiden. De raad acht de voorzieningen noodzakelijk om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het polderwater zal verslechteren. De raad wil tezijnertijd met [eigenaren] overleggen over een passende oplossing voor de vaste dam die hij ter plaatse van hun perceel beoogt te realiseren.

2.9.2. Het perceel [locatie 1] ligt gedeeltelijk in het plangebied. In de verbeelding is aan het tuingedeelte de bestemming "Wonen (W)" en de aanduiding "bijgebouwen uitgesloten (-bg)" toegekend. De aan deze gronden grenzende sloot, die ook deels bij het perceel [locatie 1] behoort, is bestemd voor "Water (WA)".

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn de voor "Wonen (W)" aangewezen gronden onder meer bestemd voor watergangen en een onderdoorgang ten behoeve van de aanwezige watergang(en).

Ingevolge artikel 7, lid 7.2.2, onder d, mogen ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen uitgesloten (-bg)" geen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, zijn de voor "Water (WA)" aangewezen gronden onder meer bestemd voor waterberging, waterhuishouding, stuwen en dammen ten behoeve van de waterhuishouding, en waterlopen en waterpartijen.

2.9.3. In de plantoelichting staat dat het plangebied, in navolging van de wens van het hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden, net als de rest van Kockengen een stedelijk watersysteem zal krijgen. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat voorkomen moet worden dat de waterkwaliteit van het watersysteem van de aangrenzende polder verslechtert, niet onredelijk. Omdat het stedelijk waterpeil hoger ligt dan het polderpeil dienen aan de rand van het plangebied maatregelen te worden genomen om het peilverschil te handhaven. Zoals de raad heeft gesteld is dit onder meer mogelijk door de aanleg van stuwen en dammen. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de ter plaatse beoogde dam niet richting het woongebied kan worden opgeschoven, omdat daarmee het sloten- en verkavelingspatroon zal worden aangetast. Dat de raad ervoor heeft gekozen om ter plaatse van het perceel van [eigenaren] te voorzien in een dergelijk waterwerk, acht de Afdeling derhalve niet onredelijk. Nu voorts ter zitting vast is komen te staan dat slechts een klein deel van de in het plan betrokken gronden van [eigenaren] noodzakelijk zal zijn voor de aanleg van de beoogde dam, heeft de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht mogen toekennen aan het belang dat is gemoeid met het behoud van de kwaliteit van het water in de aangrenzende polder, dan aan het belang van [eigenaren] bij het niet voorzien in waterwerken op hun perceel.

Financiële uitvoerbaarheid

2.10. [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen stellen dat het exploitatieplan onvoldoende zekerheid biedt over de financiële uitvoerbaarheid van het plan, omdat in het daarbij behorende overzicht van kosten en opbrengsten onder meer kosten zoals planschade, bodemonderzoekskosten en kosten voor het bouw- en woonrijp maken, te laag zijn ingeschat. Gelet op deze onvolkomenheden in de exploitatieopzet, achten zij het bestemmingsplan in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening.

2.10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan financieel uitvoerbaar is. In zijn verweerschrift heeft de raad een toelichting gegeven over hoe de in het overzicht van kosten en opbrengsten geraamde bedragen tot stand zijn gekomen.

2.10.2. In het exploitatieplan staat dat de gemeente ten aanzien van dit plan een actieve grondpolitiek voert. De gemeente streeft ernaar om zelf de grondexploitatie te voeren. De kosten van de grondexploitatie zullen worden gedekt door de gronduitgifte, aldus het exploitatieplan. Uit het overzicht van de kosten en opbrengsten in bijlage 6.12 van het exploitatieplan volgt een positief saldo van € 328.373,-. De wijze waarop de kostenposten planschade, bodemonderzoekskosten en kosten voor het bouw- en woonrijp zijn berekend, komt de Afdeling - gelet op hetgeen de raad in zijn verweerschrift uiteen heeft gezet - niet onaannemelijk voor. Evenmin ziet de Afdeling reden om aan te nemen dat de raad de inbrengwaarden onredelijk laag zou hebben geraamd. Weliswaar zijn de totale inbrengwaarden in de "Rapportage inbrengwaarde" van 27 november 2010, die de raad bij zijn verweerschrift heeft overgelegd wat hoger geraamd dan in het overzicht van kosten en opbrengsten in het exploitatieplan, maar vast staat dat dergelijke kosten en opbrengsten ramingen kunnen zijn en in dat geval mogelijk afwijken van de daadwerkelijk te realiseren kosten en opbrengsten. De ramingen kunnen daarna immers verder worden uitgewerkt, gedetailleerd, aangepast of worden vervangen bij een herziening van het overzicht van kosten en opbrengsten. Dat bij een dergelijke herziening bedragen worden aangepast, maakt nog niet dat de raad ten tijde van de vaststelling had moeten inzien dat de financiële uitvoerbaarheid niet zou zijn gegarandeerd.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de raad zich ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan, vanwege gebreken in het overzicht van kosten en opbrengsten, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in geding was.

Verwijzing naar eerdere bezwaren

2.11. De Stichting en anderen hebben zich in hun beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van eerder door hen ingediende bezwaren. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze bezwaren. De Stichting en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bezwaren in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

2.12. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

2.13. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Konings

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

612.