Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3055

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201108130/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2011 heeft het college geweigerd aan Latexfalt B.V. een veranderingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een inrichting voor het vervaardigen van producten voor vloeren, daken, wegenbouw en industrie, gelegen op het perceel Hoogewaard 183 te Koudekerk aan den Rijn. Dit besluit is op 23 juni 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/526

Uitspraak

201108130/1/A4.

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Latexfalt B.V., gevestigd te Koudekerk aan den Rijn, gemeente Rijnwoude,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2011 heeft het college geweigerd aan Latexfalt B.V. een veranderingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een inrichting voor het vervaardigen van producten voor vloeren, daken, wegenbouw en industrie, gelegen op het perceel Hoogewaard 183 te Koudekerk aan den Rijn. Dit besluit is op 23 juni 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft Latexfalt B.V. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201008312/1 ter zitting behandeld op 20 februari 2012, waar Latexfalt B.V., vertegenwoordigd door mr. A. Collignon, advocaat te Amsterdam, B.J. Lommerts, ir. F.B.H. de Bree, ir. M.H. van de Pavoordt en drs. A.M.C. van Hagen-van Rooijen, en het college, vertegenwoordigd door J.H.O. van Noppen, ing. H.W. Bartels, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst West-Holland, en ir. A.M. Schakel, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit het tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3. Voor de inrichting geldt een op 18 april 2007 verleende revisievergunning. Ingevolge voorschrift 3.3.1 van deze vergunning dient de geuremissie vanwege de inrichting te voldoen aan de geurcontour zoals opgenomen in bijlage 10 van de vergunning. Deze geurcontour is gebaseerd op een geuremissie van 2 ge/m3 (98 percentiel). De dichtstbijzijnde woningen liggen buiten de geurcontour. Ingevolge voorschrift 3.3.4 dient het verwijderingsrendement met betrekking tot geur van de installatie ten minste 85% te bedragen.

Naar aanleiding van in 2007 en 2008 uitgevoerde onderzoeken naar het verwijderingsrendement van de ontgeuringsinstallatie en de geuremissie vanwege de inrichting is in 2009 de ontgeuringsinstallatie op een aantal punten aangepast en uitgebreid. Volgens Latexfalt B.V. is hierdoor het rendement van de installatie verbeterd maar kan niettemin niet worden voldaan aan de geldende geurcontour. De aanvraag om een veranderingsvergunning omvat de vernieuwde ontgeuringsinstallatie en de daarbij behorende, verruimde geurcontour.

2.4. Het college heeft de vergunning geweigerd omdat een verruiming van de geurcontour leidt tot een volgens hem onaanvaardbare geurbelasting voor de omgeving. Het toestaan van een grotere geurcontour verdraagt zich volgens het college niet met het Milieubeleidsplan 2003-2010 van de gemeente Rijnwoude en evenmin met het landelijk geurbeleid.

Verder stelt het college dat een verruiming van de geurcontour niet nodig is omdat de inrichting kan voldoen aan de geurcontour die in de revisievergunning van 2007 is opgenomen. Het college wijst er op dat die geurcontour is vastgesteld op basis van het bij de aanvraag om revisievergunning gevoegde geurrapport van Tauw B.V. van 7 december 2006 en de in die aanvraag vermelde emissies en geurreducerende maatregelen. Uit de notitie van Witteveen+Bos van 13 november 2008 blijkt volgens het college dat aan de geurcontour kon worden voldaan. In de notitie van Witteveen+Bos van augustus 2010 is geconcludeerd dat ook na de aanpassing van de installatie de geurcontour kan worden nageleefd, aldus het college.

2.5. Latexfalt B.V. betoogt allereerst dat uit de rapporten van Buro Blauw B.V. van 18 januari 2010 en van Tauw B.V. van 19 januari 2010 blijkt dat de geldende geurcontour niet kan worden nageleefd. Zij wijst er verder op dat de uitgangspunten op grond waarvan de geurcontour in de vergunning van 2007 is vastgesteld zijn achterhaald en dat de notitie van Witteveen+Bos van augustus 2010 berust op een eenmalige meting. Uit die notitie kunnen geen algemeen geldende conclusies worden getrokken, aldus Latexfalt B.V.

2.5.1. Het geurrapport van Tauw B.V. van 7 december 2006, dat mede ten grondslag ligt aan de voorgeschreven geurcontour, is onder meer gebaseerd op een proefopstelling voor de productie van Surmac Eco. Op grond van het verhandelde ter zitting kan worden aangenomen dat dit rapport niet representatief is voor de vergunde en feitelijke situatie, mede omdat de emissiewaarden blijken te fluctueren. Volgens het rapport van Tauw B.V. van 29 augustus 2007, gebaseerd op metingen uit juli 2007, wordt niet voldaan aan het in de vergunning voorgeschreven rendement van 85% en evenmin aan de voorgeschreven geurcontour. In de notitie van Witteveen+Bos van 13 november 2008 is daarentegen geconcludeerd dat met de installatie, zoals vergund, aan de geurcontour kan worden voldaan. Naar aanleiding van rapporten van Ingenia Consultants & Engineers B.V. van 16 september 2008 en 25 februari 2009 en van Tauw B.V. van 2 december 2008 heeft Latexfalt B.V. in overleg met de Milieudienst West-Holland de ontgeuringsinstallatie aangepast. Nadien, op 18 augustus 2009, heeft Tauw B.V. opnieuw geurmetingen verricht waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 19 januari 2010. In dit rapport wordt geconcludeerd dat het rendement wordt behaald en de geurcontour wordt overschreden. Het standpunt van Latexfalt B.V. dat de aangepaste installatie is verbeterd ten opzichte van de vergunde, is door het college niet bestreden. In de rapporten van Advies- en Ingenieursbureau Kuiper & Burger van 11 januari 2010 en van Buro Blauw B.V. van 18 januari 2010 wordt ervan uitgegaan dat de geurcontour niet kan worden nageleefd. Deze rapporten zijn niet gebaseerd op nieuwe metingen maar behelzen onder meer een evaluatie van de in 2009 verrichte metingen. Ten slotte heeft Witteveen+Bos, in opdracht van de Milieudienst West-Holland, op 17 augustus 2010 een geurmeting uitgevoerd. In de daarop gebaseerde notitie van augustus 2010 is geconcludeerd dat aan de voorgeschreven geurcontour ruimschoots wordt voldaan.

Op grond van de genoemde onderzoeken, die geen eenduidige uitkomst laten zien, kan niet als vaststaand worden aangenomen dat met de aangevraagde installatie de geurcontour kan worden nageleefd. Gelet ook op het verhandelde ter zitting is het aannemelijk dat in bepaalde situaties de geurcontour wordt overschreden.

Nu het college bij de beoordeling van de aanvraag om een veranderingsvergunning ervan is uitgegaan dat de geurcontour kan worden nageleefd, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.

2.6. Latexfalt B.V. betoogt voorts dat het college heeft nagelaten te beoordelen of de aangevraagde geurcontour acceptabel is. Zij wijst er daarbij op dat in de inrichting de beste beschikbare technieken worden toegepast en dat in de Nederlandse Emissierichtlijnen (NeR) een onderscheid is gemaakt in het beschermingsniveau ten aanzien van geurgevoelige objecten. Verder stelt Latexfalt B.V. dat het verlenen van de gevraagde vergunning niet in strijd is met het Milieubeleidsplan 2003-2010 en het landelijk beleid en dat het college bovendien de mogelijkheid om in bepaalde gevallen van het beleid af te wijken, niet heeft onderkend.

2.6.1. Ten aanzien van de vaststelling van het acceptabel hinderniveau en de toetsing daaraan verwijst het college in het bestreden besluit naar de overwegingen daarover in het besluit van 18 april 2007 tot verlening van de revisievergunning. Het college ziet geen aanleiding deze overwegingen te herzien en een hogere geurbelasting als acceptabel te beschouwen. Verder heeft het college in het bestreden besluit overwogen dat het verruimen van de geurcontour een onacceptabel hinderniveau en meer geurgehinderden tot gevolg heeft, hetgeen in strijd is met de doelstellingen van het Milieubeleidsplan 2003-2010 en het landelijk beleid. Daarbij vermeldt het dat in het milieubeleidsplan is opgenomen dat in 2010 "overal een acceptabel geurhinderniveau is bereikt" en dat de doelstelling van het landelijk beleid is dat "hinder en zeker nieuwe hinder moet worden voorkomen".

Uit het bestreden besluit blijkt niet dat het college de omstandigheid heeft betrokken dat het hier gaat om een bestaande installatie, waarvoor eerder vergunning is verleend. Onbestreden is dat door de aanpassingen van deze installatie het rendement is verbeterd en de geuremissie is verminderd. Evenmin is gebleken dat het college heeft onderzocht of - zoals Latexfalt B.V. onder verwijzing naar paragraaf 2.9.2 van de Ner betoogt - een gedifferentieerd beschermingsniveau ten aanzien van geurgevoelige objecten kan worden toegepast. Verder heeft het college niet duidelijk gemaakt wat in het milieubeleidsplan wordt verstaan onder acceptabel geurhinderniveau en evenmin hoe aan de hierboven weergeven doelstelling van het landelijk beleid is getoetst. Ook is niet duidelijk op welke punten het verlenen van de vergunning strijdig is met het door het college gevoerde beleid. Ten slotte is niet gebleken dat het college de mogelijkheid om van het beleid af te wijken heeft betrokken bij de beoordeling.

Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. Het betoog slaagt.

2.7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgermeester en wethouders van Rijnwoude van 20 juni 2011, kenmerk 2010005626;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude tot vergoeding van bij Latexfalt B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude aan Latexfalt B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

190-693.