Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3051

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201011473/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

j besluit van 21 september 2010, kenmerk OLOGMK02, heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Vlijmen, inclusief de Vliedberg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2010, [appellante sub 5] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2010, [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2010, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2010, en de erven [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2010, beroep ingesteld. [appellante sub 3] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 14 januari 2011.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2012/36 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3898

Uitspraak

201011473/1/R3.

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Vlijmen, gemeente Heusden,

2. [appellant sub 2], wonend te Vlijmen, gemeente Heusden,

3. [appellante sub 3] (hierna: [appellante sub 3]), gevestigd te Tiel,

4. [appellant sub 4 A] en [appellant sub 4 B] (hierna samen in enkelvoud: [appellant sub 4]), beiden wonend te Vlijmen, gemeente Heusden,

5. [appellante sub 5], gevestigd te Vlijmen, en anderen (hierna: [appellante sub 5] en anderen),

6. de erven [appellant sub 6], wonend in Vlijmen en omgeving,

en

de raad van de gemeente Heusden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2010, kenmerk OLOGMK02, heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Vlijmen, inclusief de Vliedberg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2010, [appellante sub 5] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2010, [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2010, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2010, en de erven [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2010, beroep ingesteld. [appellante sub 3] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 14 januari 2011.

De raad, [appellante sub 3] en [appellante sub 5] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2011, waar [appellant sub 2], vertegenwoordigd door R. van Laarhoven, [appellante sub 5] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.M.W.H. Holtackers, advocaat te Tilburg, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. A.H.E. van de Klift, advocaat te Nijmegen, [appellant sub 4] en de erven [appellant sub 6], beiden vertegenwoordigd door ing. J.P.M. van der Heijden, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.T.G. Küper, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het beroep van [appellant sub 1]

2.1. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover daarin het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen-2" op zijn perceel [locatie 1] niet is vergroot door de grens daarvan 3 meter in noordelijke richting op te schuiven. Hij voert aan dat het bouwen van een carport ter plaatse geen gevaar voor het zicht van de kruising oplevert omdat de bebouwing binnen de bestaande erfafscheiding blijft.

2.1.1. Ter zitting heeft de raad gesteld dat [appellant sub 1] met juistheid betoogt dat tegen de door hem beoogde wijziging van het plan geen bezwaar bestaat in verband met de reeds aanwezige erfafscheiding. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij de bestemmingen "Wonen-2" en "Tuin" zijn toegekend aan het perceel [locatie 1], dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Het beroep van [appellant sub 2]

2.2. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met het plan voor zover daarbij het machinale timmerbedrijf dat hij exploiteert op zijn perceel [locatie 2] niet volledig als zodanig is bestemd en voor zover op dat perceel de mogelijkheid om een bedrijfswoning op te richten ontbreekt.

2.3. [appellant sub 2] voert aan dat ingevolge de bij het plan behorende staat van bedrijfsactiviteiten een timmerbedrijf een productieoppervlak mag hebben van maximaal 200 m2, terwijl zijn bedrijf een productieoppervlakte heeft van 562,5 m2. Voorts komen de bouwvlakken op de verbeelding niet overeen met de bestaande bebouwing, terwijl de raad blijkens de Nota van zienswijzen heeft beoogd het bedrijf als zodanig te bestemmen.

2.3.1. Niet in geschil is dat [appellant sub 2] met juistheid aanvoert dat zijn bedrijf op bovengenoemde punten in het plan niet overeenkomstig de bestaande situatie is bestemd. Ter zitting heeft de raad bevestigd dat hij heeft beoogd het bedrijf van [appellant sub 2] wel als zodanig te bestemmen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2.4. [appellant sub 2] voert aan dat het perceel, dat in het voorheen geldende plan deel uitmaakt van het buitengebied, door het plan onderdeel wordt van meer stedelijk gebied, zodat de beperking met betrekking tot het oprichten van bedrijfswoningen die voor het buitengebied geldt, niet meer van toepassing is. Voorts is het noodzakelijk een bedrijfswoning bij zijn bedrijf op te richten met het oog op het toezicht op de opgeslagen materialen en producten. Het oprichten van een bedrijfswoning zal geen beperking opleveren voor de omliggende bedrijven of voor het aangrenzende gebied dat in de structuurvisie is aangeduid als uitbreidingsgebied voor wonen. Evenmin zal het oprichten van een bedrijfswoning afbreuk doen aan het karakter van het gebied. Nu in de Nota van zienswijzen niet op deze punten is ingegaan, voldoet het plan niet aan het vereiste dat aan een bestemmingsregeling een gedegen planologische afweging ten grondslag dient te liggen.

2.4.1. In zijn zienswijze heeft [appellant sub 2] gemotiveerd verzocht om de mogelijkheid om een bedrijfswoning op zijn perceel te realiseren in het plan op te nemen. Blijkens de Nota van zienswijzen, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen, acht de raad het oprichten van een bedrijfswoning ter plaatse afweegbaar, maar zal een afweging eerst worden gemaakt bij de planvorming over het toekomstige woongebied "De Grassen" omdat het perceel binnen de grenzen van dat gebied zal vallen. Nu het perceel echter deel uitmaakt van het plangebied van het voorliggende plan en de raad bij het vaststellen van een bestemmingsplan de vraag onder ogen dient te zien of het plan voor de gronden waar het op ziet strekt tot een goede ruimtelijke ordening, is het standpunt van de raad dat de zienswijze van [appellant sub 2] geen gevolgen heeft voor het plan, onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Het betoog slaagt.

2.5. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op het perceel [locatie 2], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.6. [appellant sub 4] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover op de percelen [locatie 3 en 4] de daar rechtmatig in gebruik zijnde bedrijfswoningen niet als zodanig zijn bestemd.

2.7. Ter zitting heeft de raad gesteld dat bedoelde bedrijfswoningen in het plan ten onrechte niet overeenkomstig de bestaande situatie zijn bestemd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2.8. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op de percelen [locatie 3 en 4], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 4] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van de erven [appellant sub 6]

2.9. De erven [appellant sub 6] kunnen zich niet verenigen met de in het plan opgenomen bestemmingsregeling voor de percelen, kadastraal bekend als gemeente Vlijmen, sectie L, nummers 2844, 2843 en 2845, gelegen aan de [locatie 5] te Vlijmen. Zij voeren aan dat op de percelen ingevolge het voorheen geldende plan "De Vlaemsche Hoeve" tenminste drie vrijstaande woningen konden worden gebouwd of maximaal zes twee-onder-een-kapwoningen, terwijl ingevolge het plan slechts een woning is toegelaten. Dit is in strijd met conserverende karakter van het plan. Voorts vormen de in het voorheen geldende plan opgenomen bouwmogelijkheden deel van de compensatie behorende bij de minnelijke verkoop van gronden en de beëindiging van de melkveehouderij van [appellant sub 6], waardoor de realisatie van het voorheen geldende plan werd mogelijk gemaakt. Door de in het plan opgenomen bestemmingsregeling voor de percelen wordt deze compensatie achteraf ingeperkt, hetgeen voor de erven [appellant sub 6] onaanvaardbaar is. De in artikel 17.4 van de planregels opgenomen ontheffingsmogelijkheid is onvoldoende om de inperking te compenseren, nu daardoor niet zeker is dat de bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende plan niet worden ingeperkt.

2.9.1. Ingevolge artikel 17, lid 17.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen-2" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 17.2.1, onder c, mag het aantal woningen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" is aangegeven.

Ingevolge lid 17.4 kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 17.2.1, onder c, voor het bouwen van extra woningen, met dien verstande dat ontheffing uitsluitend kan worden verleend voor vrijstaande woningen en de toepasselijke grenswaarden voor het risico en risicoafstanden ten aanzien van kwetsbare objecten in acht wordt genomen.

2.9.2. Niet in geschil is dat ingevolge het voorheen geldende plan meer dan een woning mocht worden opgericht op de percelen van de erven [appellant sub 6] en dat dat op grond van het voorliggende plan niet bij recht mogelijk is omdat binnen het bouwvlak op de percelen als maximum aantal wooneenheden "1" vermeld staat.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het niet de bedoeling is om de bestaande bouwmogelijkheden op de percelen van de erven [appellant sub 6] te laten vervallen. Er is echter gekozen voor een ontheffingsstelsel in plaats van het toekennen van bouwmogelijkheden bij recht om enige regie mogelijk te maken bij het realiseren van nieuwe bouwplannen. Gezien de afmetingen van het bouwvlak en de maatvoeringsregels van het plan is zeker mogelijk om binnen het toegekende bouwvlak meerdere woningen op te richten.

Nu de raad heeft beoogd de bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende plan te respecteren maar dit plan dat niet zeker stelt doordat bij recht slechts één woning op de percelen mag worden opgericht, is het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

2.10. In hetgeen de erven [appellant sub 6] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat door de erven [appellant sub 6] is bestreden, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

De beroepen van [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 3]

2.11. [appellante sub 5] en anderen hebben bedrijven op het bedrijventerrein Nassaulaan, dat is gelegen aan de zuidzijde van de rijksweg A59. [appellante sub 3] heeft daar een perceel waarop zij een bouwplan wil ontwikkelen. [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 3] kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover daarbij het oprichten van geluidsschermen van 8 meter hoog langs de A59 mogelijk wordt gemaakt. Het beroep van [appellante sub 5] en anderen ziet voorts op de omvang van het plangebied en op een aantal planregels.

Omvang van de beroepen

2.12. Het beroep van [appellante sub 3] heeft betrekking op het bestreden besluit, voor zover daarbij het plan met betrekking tot de mogelijkheid om geluidsschermen op te richten gewijzigd is vastgesteld. Dat brengt mee dat het beroep betrekking heeft op een strook van vijf meter breed aan de zuidzijde van het plandeel met de bestemming "Verkeer-Snelweg" die bij de vaststelling van het plan aan het plangebied is toegevoegd. Voorts heeft het beroep betrekking op artikel 14, lid 14.2.2, onder d, van de planregels, waarin, voor zover hier van belang, is bepaald dat de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen maximaal 8 meter mag bedragen.

2.13. Ter zitting is komen vast te staan dat de beroepen van [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 3] voor wat betreft de mogelijkheid om geluidsschermen te realiseren nog slechts betrekking hebben op bovengenoemde planregel en het gedeelte van de in 2.12 bedoelde strook dat is gelegen ten noorden van het bedrijventerrein Nassaulaan, zoals dat is aangegeven op een van de door hen nader ingezonden stukken.

[appellante sub 5] en anderen hebben het beroep, voor zover gericht tegen het mogelijk maken van geluidsschermen aan de noordzijde van de A59 en aan de zuidzijde buiten vorenbedoelde strook ter zitting ingetrokken. Verder hebben [appellante sub 5] en anderen ter zitting het beroep ingetrokken voor zover het betrekking heeft op de artikelen 13 en 14 van de planregels, op de wijziging van de tekst van artikel 24 van de planregels ten opzichte van het voorontwerp van het plan en op het ontbreken van de woorden "vast te stellen" in het bestreden besluit.

[appellante sub 3] heeft ter zitting de betogen over de terinzagelegging van op het plan betrekking hebbende stukken en over de uitvoerbaarheid van het plan ingetrokken.

Terinzagelegging

2.14. [appellante sub 5] en anderen betogen dat het rapport "Akoestisch onderzoek geluidsbeperkende maatregelen wegverkeerslawaai rijksweg A59 in de gemeente Heusden volgens de PréNoMo systematiek" van Raadgevend ingenieursbureau Metz B.V. van 22 maart 2010 (hierna: het akoestisch rapport) ten onrechte niet met het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd.

2.14.1. De raad voert aan dat het akoestisch rapport ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp nog niet gereed was. Omdat het gemeentebestuur van mening was dat de geluidsschermen pasten binnen de voorheen geldende bestemmingsregelingen, werd het rapport niet gezien als een op het ontwerp betrekking hebben stuk en werd niet besloten de terinzagelegging van het plan uit te stellen. Wel is het rapport bij het vastgestelde plan ter inzage gelegd.

2.14.2. Het ontwerpplan is met ingang van 11 maart 2010 ter inzage gelegd. Het akoestisch rapport dateert van na die datum. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 januari 2012 in zaak nr. 201012504/1/R3) staat er geen rechtsregel aan in de weg dat tijdens of na de terinzagelegging van het ontwerpplan nog nader onderzoek wordt verricht ter voorbereiding van het besluit omtrent vaststelling van het plan. Ook kan de motivering van een plan bij de vaststelling worden aangevuld. In hun zienswijzen hebben [appellante sub 5] en anderen de noodzaak om de oprichting van geluidsschermen in het plan mogelijk te maken betwist en gesteld dat een geluidsrapport ten onrechte ontbrak. Naar aanleiding daarvan is het akoestisch rapport aan [appellante sub 5] en anderen verstrekt. Niet valt in te zien dat de raad de noodzaak om de mogelijkheid om geluidsschermen op te richten in het plan op te nemen bij de vaststelling hiervan niet nader heeft mogen onderbouwen door het akoestisch rapport met het vastgestelde plan ter inzage te leggen. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 5] en anderen aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3:11 van de Awb is vastgesteld. Het betoog faalt.

Omvang plangebied

2.15. [appellante sub 5] en anderen voeren aan dat het bedrijventerrein Nassaulaan had moeten worden meegenomen in de planontwikkeling omdat het uitgangspunt van het plan is om te voorzien in een duurzaam veilig verkeerssysteem, wat niet mogelijk is zonder de parallelstructuur voor de ontsluiting van het bedrijventerrein te realiseren. De realisering van de parallelstructuur wordt al jaren door de gemeente toegezegd en staat als uitgangspunt van het duurzaam veilig verkeerssysteem vermeld in de toelichting bij het plan. Voorts is de met het plan beoogde terugdringing van de automobiliteit binnen het aan het bedrijventerrein grenzende woongebied in grote mate afhankelijk van realisering van de parallelstructuur ter ontsluiting van het bedrijventerrein.

2.15.1. Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

2.15.2. Volgens de plantoelichting is met de begrenzing van het plangebied aansluiting gezocht bij de komgrenzen, zoals die in 2008 door het college zijn vastgesteld, waarbij de bedrijventerreinen Vliedberg en Nassaulaan buiten het plangebied zijn gehouden. Voor die terreinen is een bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" in voorbereiding. Volgens de Nota van zienswijzen wordt de door [appellante sub 5] en anderen gewenste aanpassing van de verkeersstructuur in dat plan opgenomen en maakt deze geen deel uit van het onderhavige plan omdat dat in hoofdzaak een conserverend plan is dat voorziet in een beheersregeling voor de bestaande kom Vlijmen. De aanpassing van de verkeersstructuur is nog niet zodanig uitgekristalliseerd dat het passend was die in dit plan mee te nemen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de keuze om het bedrijventerrein niet in het plan op te nemen vooral is gebaseerd op overwegingen van planologische en methodische aard. Omdat bedrijventerreinen sterk verschillen van woongebieden - waarop het plan in hoofdzaak betrekking heeft - vergt opstellen van een plan voor bedrijventerreinen een andere expertise en aanpak. Daarom is ervoor gekozen het bedrijventerrein Nassaulaan te betrekken bij de actualisatie van de bestemmingsplannen van alle bedrijventerreinen in de gemeente en niet met de actualisatie van het plan voor de kom van Vlijmen. Wat de parallelstructuur betreft heeft de raad toegelicht dat in het plan uitsluitend ontwikkelingen zijn opgenomen die voldoende zijn uitgekristalliseerd om vast te leggen op een verbeelding en in regels, en dat de parallelstructuur die fase nog niet heeft bereikt.

Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 5] en anderen aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog dat het bedrijventerrein Nassaulaan ten onrechte geen deel uitmaakt van het plangebied faalt.

Vrijwaringszone

2.16. [appellante sub 5] en anderen voeren aan dat op de verbeelding geen vrijwaringszone staat ingetekend op de strook ten zuiden van de A59 met de bestemming "Verkeer-Snelweg" die bij de vaststelling van het plan aan het plangebied is toegevoegd. Hierdoor mogen op deze strook ten onrechte ook niet met de A59 verband houdende bouwwerken opgericht.

2.16.1. De raad betoogt dat de aanduiding "vrijwaringszone - weg 1" op bedoelde strook inderdaad ontbreekt, maar dat toevoegen daarvan weinig waarde zou hebben omdat de bestemmingsomschrijving "Verkeer-Snelweg" een duidelijk kader biedt voor mogelijke bouwwerken. De aanduiding heeft wel een functie op gronden met een andere bestemming, en daar ontbreekt hij niet. Daarbij heeft Rijkswaterstaat de gronden waar het om gaat zelf in beheer, zodat er geen gevaar is dat bebouwing wordt opgericht die de functie van de A59 zou belemmeren.

2.16.2. Ingevolge artikel 14, lid 14.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer - Snelweg" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een dubbelbaans snelweg, per rijbaan bestaande uit ten minste twee rijstroken;

b. een vluchtstrook;

c. aansluitende en kruisende lokale wegen;

d. parallelwegen;

e. langzaam verkeersverbindingen

en hiermee verband houdende:

f. waterstaatkundige en verkeerskundige werken, zoals op- en afritten, viaducten, geleidrails, duikers, taluds, bruggen, tunnels, rotonden;

g. groenvoorzieningen waaronder mitigerende voorzieningen zoals wildkeren rasters, wildtunnels en dergelijke;

h. geluidwerende voorzieningen;

i. nutsvoorzieningen;

j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

k. een ongelijkvloerse kruising, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - tunnel".

Ingevolge artikel 24, lid 24.1, onder a, mag ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - weg 1", ongeacht het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, geen bebouwing worden gebouwd, met uitzondering van de met rijksweg A59 verband houdende bouwwerken, zoals geluidswerende voorzieningen en ecologische voorzieningen.

2.16.3. Gelet op deze bepalingen stelt de raad zich met juistheid op het standpunt dat het toevoegen van de aanduiding "vrijwaringszone - weg 1" op de gronden met de bestemming "Verkeer-Snelweg" ten zuiden van de A59 geen toegevoegde waarde heeft omdat in artikel 14, lid 14.1, van de planregels reeds is bepaald dat daar geen bebouwing mag worden gebouwd, met uitzondering van met de weg verband houdende bouwwerken. Het betoog dat de aanduiding "vrijwaringszone - weg 1" ten onrechte ontbreekt op de strook ten zuiden van de A59 faalt.

2.17. Wat betreft het betoog van [appellante sub 5] en anderen dat artikel 24, lid 24.1, onder a, van de planregels onvoldoende duidelijk is, wordt overwogen dat dat betoog nu, zoals in 2.13 is overwogen, het beroep van [appellante sub 5] en anderen nog slechts betrekking heeft op de strook van vijf meter breed aan de zuidzijde van het plandeel met de bestemming "Verkeer-Snelweg" ter hoogte van het bedrijventerrein Nassaulaan en artikel 24 van de planregels op die strook niet op van toepassing is, geen bespreking behoeft.

Geluidsschermen

2.18. [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 3] voeren aan dat de raad bij het opnemen in het plan van de mogelijkheid om geluidsschermen op te richten langs de A59 hun belangen onvoldoende heeft meegewogen. Zij zullen schade leiden door de oprichting van geluidsschermen ter plaatse van hun bedrijfspercelen omdat daardoor het zicht vanaf de A59 op het bedrijventerrein verloren zal gaan. Dit leidt voor [appellante sub 5] en anderen tot omzetverlies en voor [appellante sub 3] tot onverkoopbaarheid van de op zijn perceel te realiseren bebouwing. Voorts heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat het oprichten van geluidsschermen ter hoogte van het bedrijventerrein noodzakelijk is. Dat dat niet het geval is blijkt uit de door de gemeente met hen gesloten vaststellingsovereenkomsten. Die strekken ertoe dat de schermen ter hoogte van het bedrijventerrein niet zullen worden opgericht. Voorts bevinden zich op en nabij het bedrijventerrein slechts enkele woningen, waarop de geluidbelasting ook door het toepassen van andere maatregelen kan worden beperkt. Tevens is in het bestreden besluit niet gemotiveerd waarom de schermen 8 meter hoog moeten worden.

2.18.1. De raad betoogt dat de noodzaak om geluidsschermen op te richten blijkt uit het akoestisch rapport. Hieruit blijkt dat er weliswaar geen wettelijke saneringsplicht is voor de geconstateerde geluidsniveaus, maar dat door het plaatsen van de schermen wel een aanzienlijke reductie van de geluidbelasting op de woningen binnen de zone van de weg kan worden bereikt. Hierdoor kan een aanmerkelijke verbetering van het woon- en leefklimaat worden gerealiseerd. Het belang daarvan is afgewogen tegen het belang van [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 3] bij het behoud van hun zichtlocaties. Voorts kan uit de omstandigheid dat met [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 3] is overeengekomen dat vooralsnog geen schermen zullen worden opgericht aan de zuidkant van de A59 ter hoogte van het bedrijventerrein niet worden afgeleid dat de raad de schermen daar niet noodzakelijk acht. De overeenkomsten zijn slechts gesloten om de voortgang van de bouw van de schermen langs de rest van de weg veilig te stellen. De raad wil dan ook de mogelijkheid om schermen op te richten in het bestemmingsplan behouden om deze binnen de planperiode op enig moment alsnog te kunnen realiseren.

2.18.2. Volgens het akoestisch rapport is het onderzoek naar de geluidsbeperkende maatregelen in de gemeente Heusden een van de pilotprojecten die voortvloeien uit de Nota Mobiliteit, waarin de aanpak van geluidsknelpunten ten gevolge van rijkswegen wordt bepleit. Met de pilotprojecten wordt beoogd de geluidsbelasting in Lden terug te brengen tot maximaal 58 dB door middel van geluidsbeperkende maatregelen. Het gaat daarbij om de geluidsbelasting in Lden in het jaar 2008 + 1,5 dB. De conclusie van het akoestisch rapport is dat door het toepassen van geluidsbeperkende maatregelen in vorm van geluidsschermen voor 516 van de 524 in het onderzoek betrokken woningen de geluidbelasting wordt gereduceerd tot een belasting in Lden (+ 1,5 dB) van maximaal 58 dB. Volgens het rapport blijven zonder geluidsschermen slechts 51 woningen onder deze grens. Van de overige 473 woningen ondervinden zonder geluidsschermen 308 woningen een geluidbelasting van tussen de 58dB en 63 dB en 165 woningen een belasting van meer dan 63 dB. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad bij de afweging van de betrokken belangen het belang van het reduceren van de geluidbelasting op de woningen in de nabijheid van de A59 in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 3] bij het behoud van hun zichtlocaties. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat voor zover [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 3] schade lijden ten gevolge van het plan, zij ter zake een planschadeverzoek in kunnen dienen.

Wat betreft het betoog van [appellante sub 3] dat uit het akoestisch onderzoek niet blijkt dat niet volstaan zou kunnen worden met andere geluidwerende voorzieningen om de geluidbelasting terug te brengen wordt overwogen dat volgens hoofdstuk 3 van het rapport een doelmatigheidsafweging is gemaakt, gebaseerd op het puntensysteem uit de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder (Stcrt. 2009, nr. 203267) en dat door het plaatsen van geluidsschermen aan die regeling wordt voldaan. Wat betreft de ingevolge het plan maximaal toegestane hoogte van de schermen wordt overwogen dat uit bijlage 4 bij het akoestisch rapport volgt dat de benodigde hoogte van de schermen varieert, en maximaal 8 meter bedraagt.

Het betoog van [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 3] dat hun belangen onvoldoende zijn meegewogen en de noodzaak om geluidsschermen te plaatsen ontbreekt, faalt.

2.19. [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 3] voeren aan dat ten onrechte geen onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de flora en fauna is verricht zodat onduidelijk is of de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.19.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.19.2. De raad betoogt dat, gelet op de hoeveelheid verkeersbewegingen op de A59 en de daarmee gepaard gaande geluidsbelasting, uitgesloten is dat ter plaatse te beschermen natuurwaarden aanwezig zijn die door het oprichten van geluidsschermen zouden worden aangetast.

2.19.3. [appellante sub 3] en [appellante sub 5] en anderen hebben geen gegevens overgelegd die een begin van bewijs leveren dat zich ter plaatse van de op grond van het plan op te richten geluidsschermen te beschermen planten- en diersoorten bevinden. De enkele stelling dat het perceel van [appellante sub 3] thans nog onbebouwd is en dat voor de reeds opgerichte schermen bomen zijn gekapt, is in dit verband onvoldoende. Er is geen grond voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.20. Wat betreft het betoog van [appellante sub 5] en anderen dat ten onrechte geen onderzoek is uitgevoerd naar de luchtkwaliteit overweegt de Afdeling dat [appellante sub 5] en anderen op geen enkele manier aannemelijk hebben gemaakt dat het plan gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit.

2.21. [appellante sub 3] voert aan dat het plan is vastgesteld in strijd met de artikelen 38a van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet) en 3:2 en 3:46 van de Awb omdat geen onderzoek is gedaan naar de archeologische situatie in het plangebied. De plaatsing van geluidsschermen zoals die door het plan wordt mogelijk gemaakt, is een nieuwe ontwikkeling waarvoor dergelijk onderzoek nodig is. Dat geldt te meer nu in de toelichting bij het plan staat dat de gronden rond het plangebied een hoge indicatieve archeologische verwachtingswaarde hebben en op grond van onderzoek naar de archeologische waarden ter plaatse van het perceel van [appellante sub 3] is aanbevolen te bouwen onder archeologische begeleiding.

2.21.1. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

2.21.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraken van 9 december 2009 in zaak nr. 200801932/1 en 29 september 2010 in zaak nr. 200809200/1/R1) rust op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn.

2.21.3. In de plantoelichting staat dat de gronden rond Vlijmen een hoge indicatieve archeologische verwachtingswaarde hebben volgens de Cultuurhistorische Wandelkaart (lees: Waardenkaart) Noord-Brabant en dat aan de noordzijde en de zuidwestzijde van de kern enkele gronden liggen met een middelhoge indicatieve archeologische verwachtingswaarde. Bij bouw- en grondwerkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat hier archeologische waarden aanwezig zijn. Een aanvullende archeologische inventarisatie voorafgaand aan de verdere planvorming kan voorkomen dat men in een laat stadium wordt geconfronteerd met behoudenswaardige archeologische resten en de mogelijke kosten voor archeologisch onderzoek. Volgens de toelichting is voorts geen beschermende regeling in de planregels opgenomen vanwege de conserverende aard van het plan.

2.21.4. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat archeologisch onderzoek achterwege is gelaten omdat voor slechts een klein deel van het te realiseren scherm geldt dat het plan een verschuiving behelst ten opzichte van de voorheen geldende bestemming, zodat de bestemmingswijziging zeer beperkt is. Daarbij betreft het gronden die bij de aanleg van de weg al zodanig verstoord zijn dat het oprichten van de schermen niet zal leiden tot een significante aantasting van het bodemarchief.

2.21.5. De strook van het plandeel met de bestemming "Verkeer-Snelweg" waar het beroep van [appellante sub 3] betrekking op heeft is vijf meter breed en is gelegen ten zuiden van de A59, aansluitend aan de weg. Gelet hierop is, zoals de raad stelt, aannemelijk dat de grond ter plaatse reeds zodanig is verstoord bij de aanleg van de weg dat geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Dit brengt mee dat de raad, ondanks het gestelde in de toelichting over de archeologische verwachtingswaarde rond het plangebied, in redelijkheid heeft kunnen afzien van het doen van nader onderzoek. De stelling dat ter plaatse van het perceel van [appellante sub 3] is aanbevolen te bouwen onder archeologische begeleiding vormt geen grond voor een ander oordeel nu dat perceel gelegen is ten zuiden van de strook waar het beroep betrekking op heeft, op grotere afstand van de A59. Het betoog dat het plan is vastgesteld in strijd is met artikel 38a van de Monumentenwet omdat geen archeologisch onderzoek is gedaan, faalt.

Conclusie

2.22. In hetgeen [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 3] bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 3] zijn ongegrond.

Proceskosten

2.23. De raad dient op na te melden wijze in de bij [appellant sub 2], [appellant sub 4] en de erven [appellant sub 6] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten te worden veroordeeld. Van bij [appellant sub 1] opgekomen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Voor vergoeding van de bij [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 3] opgekomen proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], van [appellant sub 2], van [appellant sub 4 A] en [appellant sub 4 B] en van de erven [appellant sub 6] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Heusden van 21 september 2010, kenmerk OLOGMK02, voor wat betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Wonen-2" en het plandeel met de bestemming "Tuin" ter plaatse van het perceel [locatie 1];

b. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van het perceel [locatie 2];

c. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van de percelen [locatie 3 en 4];

d. het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de percelen, kadastraal bekend als gemeente Vlijmen, sectie L, nummers 2844, 2843 en 2845, gelegen aan de [locatie 5] te Vlijmen;

III. verklaart de beroepen van [appellante sub 5] en anderen en van [appellante sub 3] ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Heusden tot vergoeding van in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten ten aanzien van:

- [appellant sub 2] tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 4 A] en [appellant sub 4 B] tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- de erven [appellant sub 6] tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Heusden aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 4 A] en [appellant sub 4 B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander,

- en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor de erven [appellant sub 6], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Mathot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

413.