Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3050

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201008312/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit waarbij het college geweigerd heeft een aantal voorschriften te wijzigen die zijn verbonden aan de revisievergunning als bedoeld in art. 8.4, lid 3 van de Wm voor een inrichting voor het vervaardigen van producten voor vloeren, daken, wegenbouw en industrie. Het dagelijks bestuur heeft het verzoek van vergunninghouder om wijziging van een voorschrift afgewezen omdat inwilliging van dat verzoek er toe zou leiden dat de grondslag van de aanvraag voor de revisievergunning wordt verlaten. De Afdeling overweegt dat volgens haar vaste jurisprudentie, onder meer neergelegd in de uitspraak van 2 juni 2004, in zaak nr. 200306586/1 (LJN: AP0406), een vergunning verleend krachtens de Wet milieubeheer niet met toepassing van art. 8.24, lid 1 van de Wet milieubeheer zodanig kan worden gewijzigd, dat daarmee de grondslag van de aanvraag om die vergunning wordt verlaten. Voor een dergelijke verandering dient een veranderings- of revisievergunning te worden verleend. De Afdeling overweegt verder dat art. 8.24 van de Wet milieubeheer in het algemeen grondslag biedt voor een versoepeling van een milieunorm die is vastgelegd in de voorschriften van de vergunning of in de aanvraag om die vergunning. De wijziging van voorschrift 3.3.1, die strekt tot een verruiming van de geurcontour, brengt op zichzelf geen uitbreiding of verandering van de vergunde activiteiten met zich. Met de wijziging van dit voorschrift ontstaat evenmin een andere inrichting dan destijds is aangevraagd. Het enkele feit dat de in de aanvraag of het vergunningvoorschrift vastgelegde geurcontour wordt verruimd, betekent niet dat de grondslag van de aanvraag of van de vergunning wordt verlaten. Anders dan waar het dagelijks bestuur van uitgaat, is de omvang van de geuremissie en in verband daarmee het aantal gehinderden, niet van belang bij de beantwoording van de vraag of de grondslag van de in 2007 verleende vergunning of de aanvraag daarvan wordt verlaten, maar alleen bij de milieuhygiënische beoordeling van het verzoek om wijziging. Het bestreden besluit, voor daarbij het verzoek om wijziging van een voorschrift is afgewezen, is in strijd met art. 3:46 Awb dat bepaalt dat een besluit berust op een deugdelijke motivering.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/518
Milieurecht Totaal 2012/5663
ABkort 2012/159

Uitspraak

201008312/1/A4.

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Latexfalt B.V., gevestigd te Koudekerk aan den Rijn, gemeente Rijnwoude,

appellante,

en

het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland, thans Omgevinsgdienst West-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2010 heeft het dagelijks bestuur geweigerd een aantal voorschriften te wijzigen die zijn verbonden aan de bij besluit van 18 april 2007 verleende vergunning als bedoeld in artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer voor een inrichting voor het vervaardigen van producten voor vloeren, daken, wegenbouw en industrie, gelegen op het perceel Hoogewaard 183 te Koudekerk aan den Rijn. Dit besluit is op 15 juli 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft Latexfalt B.V. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2010, beroep ingesteld. Bij brief van 22 september 2010 zijn de gronden van het beroep aangevuld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Latexfalt B.V. en het dagelijks bestuur hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met de zaak nr. 201108130/1 ter zitting behandeld op 20 februari 2012, waar Latexfalt B.V., vertegenwoordigd door mr. A. Collignon, advocaat te Amsterdam, B.J. Lommerts, ir. F.B.H. de Bree, ir. M.H. van de Pavoordt, en drs. A.M.C. van Hagen-van Rooijen, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door J.H.O. van Noppen, ing. H.W. Bartels, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst, en ir. A.M. Schakel, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Bij brief van 20 januari 2010, aangevuld bij brief van 1 april 2010, heeft Latexfalt B.V. verzocht om met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer de voorschriften 3.3.1, 3.3.2, 3.3.3, 3.3.9 en 3.3.16 die zijn verbonden aan de bij besluit van 18 april 2007 aan haar verleende revisievergunning, te wijzigen. De wijziging van voorschrift 3.3.1 strekt er toe om de daarin voorgeschreven geurcontour van 2 ge/m3 te vervangen door de geurcontour als aangegeven in bijlage 3 van het rapport van Tauw B.V. van 19 januari 2010, kenmerk R001-4670343ANE-nja-V02-NL. De wijziging van de overige voorschriften houdt hiermee verband en strekt tot actualisering van die voorschriften.

2.3. Ingevolge artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag op aanvraag van de vergunninghouder beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden.

2.4. Het dagelijks bestuur heeft het verzoek om wijziging van voorschrift 3.3.1 afgewezen omdat inwilliging van dat verzoek er toe zou leiden dat de grondslag van de aanvraag voor de revisievergunning wordt verlaten. Naar de mening van het dagelijks bestuur moet voor de wijziging een veranderingsvergunning of een revisievergunning worden aangevraagd. Het dagelijks bestuur wijst er op dat de voorgeschreven geurcontour is ontleend aan de in de vergunningaanvraag genoemde geuremissies, uitgangspunten en maatregelen. Door verruiming van de geurcontour zou hiervan worden afgeweken en zou meer worden vergund dan destijds is aangevraagd. Verder zou de verruiming van de geurcontour er toe leiden dat woningen worden blootgesteld aan de geurhinder terwijl dat in de huidige situatie niet het geval is. Het aantal potentieel gehinderden en klachten over stank zal daardoor vermoedelijk toenemen. Volgens het dagelijks bestuur zijn de nadelige gevolgen voor het milieu zodanig groot, dat daarmee de grondslag van de aanvraag wordt verlaten.

Het dagelijks bestuur heeft het verzoek om wijziging van de voorschriften 3.3.2, 3.3.3, 3.3.9 en 3.3.16 afgewezen wegens de samenhang met voorschrift 3.3.1.

2.4.1. Latexfalt B.V. betoogt dat het dagelijks bestuur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met het verzoek om wijziging de grondslag van de aanvraag voor de revisievergunning wordt verlaten. Volgens haar is een wijziging van de revisievergunning met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer wel mogelijk, aangezien het alleen de wijziging van een milieunorm betreft. Anders dan in de door het dagelijks bestuur aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2004, in zaaknr. 200306586/1, gaat het hier niet om een verandering of uitbreiding van de activiteiten waarvoor de eerdere vergunning was aangevraagd en verleend. Latexfalt B.V. stelt verder dat de wijziging van de vergunning geen gevolgen heeft voor de omwonenden. Feitelijk verandert er niets in de bedrijfsvoering en er zal ook geen extra overlast worden veroorzaakt.

2.4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer neergelegd in de uitspraak van 2 juni 2004, in zaak nr. 200306586/1, kan een vergunning verleend krachtens de Wet milieubeheer niet met toepassing van artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer zodanig worden gewijzigd, dat daarmee de grondslag van de aanvraag om die vergunning wordt verlaten. Voor een dergelijke verandering dient een veranderings- of revisievergunning te worden verleend.

Artikel 8.24 van de Wet milieubeheer biedt in het algemeen grondslag voor een versoepeling van een milieunorm die is vastgelegd in de voorschriften van de vergunning of in de aanvraag om die vergunning. De wijziging van voorschrift 3.3.1, die strekt tot een verruiming van de geurcontour, brengt op zichzelf geen uitbreiding of verandering van de vergunde activiteiten met zich. Met de wijziging van dit voorschrift ontstaat evenmin een andere inrichting dan destijds is aangevraagd. Het enkele feit dat de in de aanvraag of het vergunningvoorschrift vastgelegde geurcontour wordt verruimd, betekent niet dat de grondslag van de aanvraag of van de vergunning wordt verlaten. Anders dan waar het dagelijks bestuur van uitgaat, is de omvang van de geuremissie en in verband daarmee het aantal gehinderden, niet van belang bij de beantwoording van de vraag of de grondslag van de in 2007 verleende vergunning of de aanvraag daarvan wordt verlaten, maar alleen bij de milieuhygiënische beoordeling van het verzoek om wijziging.

2.4.3. Het bestreden besluit, voor daarbij het verzoek om wijziging van voorschrift 3.1.1 is afgewezen, is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dat bepaalt dat een besluit berust op een deugdelijke motivering.

2.4.4. Het beroep is gegrond. Gelet op de samenhang met de afwijzing van het verzoek om wijziging van de voorschriften 3.3.2, 3.3.3, 3.3.9 en 3.3.16 dient het gehele besluit te worden vernietigd.

2.5. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland van 14 juli 2010, kenmerk 201000679;

III. veroordeelt het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst West-Holland tot vergoeding van bij Latexfalt B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst West-Holland aan Latexfalt B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

190-693.