Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3049

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201003902/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2010" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2012/37 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden

Uitspraak

201003902/1/R4.

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te Bladel,

2. [appellant sub 2], wonend te Casteren, gemeente Bladel,

3. [appellant sub 3], wonend te Netersel, gemeente Bladel,

4. [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]) wonend te Hapert, Gemeente Bladel

5. [appellant sub 5], wonend te Hoogeloon, gemeente Bladel,

6. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], wonend te Hoogeloon, gemeente Bladel,

7. [appellant sub 7], wonend te Bladel,

8. [appellant sub 8], wonend te Hapert, gemeente Bladel,

9. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] (hierna tezamen: [appellanten sub 9]), wonend te Hapert, gemeente Bladel,

10. [appellant sub 10], wonend te Hapert, gemeente Bladel, en anderen,

11. [appellant sub 11A] en [appellante sub 11B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 11]), wonend te Hapert, gemeente Bladel,

12. [appellant sub 12], wonend te Bladel,

13. [appellant sub 13], wonend te Bladel,

14. [appellant sub 14], wonend te Bladel,

15. [appellant sub 15], wonend te Hapert, gemeente Bladel,

16. [appellant sub 16], wonend te Oost- West- en Middelbeers, gemeente Oirschot,

17. [appellant sub 17], wonend te Casteren, gemeente Bladel,

18. [appellant sub 18], wonend te Bladel,

19. [appellant sub 19], wonend te Netersel, gemeente Bladel,

20. [appellante sub 20], gevestigd te Bladel, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Bladel,

21. [appellant sub 21], wonend te Bladel,

22. [appellant sub 22], wonend te Bladel,

en

de raad van de gemeente Bladel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3],

[appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellanten sub 9], [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [maat A], [appellant sub 19], [appellante sub 20], [appellant sub 21] en [appellant sub 22] tijdig beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellante sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellanten sub 9], [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 14], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 19], [appellante sub 20], [appellant sub 21], [appellant sub 22] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 14], [appellant sub 17], [appellant sub 22] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 en 11 januari 2012, waar een aantal partijen is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Bladel.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.2. [appellante sub 1] kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch" die is toegekend aan haar perceel Het Bosch 11A. Zij betoogt dat de op haar perceel aanwezige tot woning omgebouwde veeschuur met bijbehorende opstallen ten onrechte niet als zodanig is bestemd, maar opnieuw onder de beschermende werking van het overgangsrecht is gebracht nu het gemeentebestuur heeft aangegeven dat er geen reden is om het met het plan strijdige gebruik te beëindigen. Zij wijst erop dat de voormalige veeschuur al vanaf 1972 onafgebroken gebruikt wordt als woning. Volgens [appellante sub 1] had zij, gelet op de gewekte verwachtingen, er redelijkerwijs op mogen vertrouwen dat een woonbestemming aan haar perceel werd toegekend. Ten slotte betoogt zij dat het beleid niet in de weg staat aan een woonbestemming.

2.2.1. De raad heeft er voor gekozen om het gebruik als woning van de voormalige veeschuur niet als zodanig te bestemmen. De raad stelt zich op het standpunt dat legalisatie van het gebruik als woning in strijd is met het beleid om geen nieuwe woningen in het buitengebied toe te staan. Bovendien drukt een extra woning op het maximale aantal woningen in de gemeente waardoor andere woningbouwprojecten in gevaar komen. Volgens de raad mag het gebruik als woning op grond van het overgangsrecht worden voortgezet en de bestaande bebouwing in stand worden gelaten; meewerken aan vernieuwing en/of vergroting van de woning is volgens de raad niet wenselijk.

2.2.2. Ingevolge artikel 3.1 van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor wonen in een bedrijfswoning binnen het bouwvlak.

Ingevolge artikel 41.2, onder a, van de planregels, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, worden voorgezet.

Ingevolge artikel 41.2, onder d, van de planregels, is het bepaalde onder 41.2, onder a, niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.2.3. Gelet op het gemeentelijke en provinciale beleid dat gericht is op het tegengaan van verstening van het buitengebied, heeft de raad in redelijkheid het bestemmen van de voormalige veeschuur met opstallen als woning, zoals door [appellante sub 1] wordt bepleit, niet wenselijk kunnen achten. Dat ten tijde van de aanvang van het gebruik als woning dit beleid niet zou hebben gegolden en dat een woonbestemming op het perceel niet wordt beperkt door en geen negatieve gevolgen heeft op de omgeving, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval niet aan het gemeentelijke en provinciale beleid heeft kunnen vasthouden. Ook faalt het betoog dat het beleid niet in de weg staat aan een woonbestemming omdat van verstening als gevolg van een nieuwe woning geen sprake is. De verstening waarop het gemeentelijke en provinciale beleid doelt, betreft het juridisch-planologisch toevoegen van permanente woonvoorzieningen en niet slechts het feitelijk toevoegen van een nieuwe woning.

2.2.4. Het betoog van [appellante sub 1] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden door niet te voorzien in een woonbestemming op haar perceel, faalt. Uit de omstandigheid dat sinds de aanvang van het gebruik als woning niet is opgetreden tegen dit gebruik en uit de omstandigheid dat het gebruik al langere tijd onder de beschermende werking van het overgangsrecht valt, volgt niet dat aan het perceel een woonbestemming moet worden toegekend. In beginsel doet gebruik in strijd met een geldende bestemming dan wel gebruik dat onder het overgangsrecht valt geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen ontstaan. Aan de verlening van een bouwvergunning voor een carport-hondenhok-berging en van een uitwegvergunning kon evenmin de gerechtvaardigde verwachting worden ontleend dat de raad bij de vaststelling van het voorliggende plan het bestaande gebruik van het perceel als zodanig zou bestemmen. Hiervoor is van belang dat in deze vergunningen niet het recht besloten ligt de voormalige veeschuur te mogen gebruiken voor permanente bewoning.

Voor zover [appellante sub 1] een beroep doet op gedane toezeggingen inhoudende dat op termijn aan haar perceel een woonbestemming zou worden toegekend en dat medewerking zou worden verleend aan een nieuwbouwplan via een procedure op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, overweegt de Afdeling dat in dit geval niet is gebleken van concrete toezeggingen namens de raad inhoudende dat de bestemming zou worden gewijzigd in de door [appellante sub 1] gewenste zin. In het algemeen kunnen geen rechten worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. Het betoog faalt.

2.2.5. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch" wat betreft het perceel Het Bosch 11A strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het voor het overige door [appellante sub 1] aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.3. Het beroep van [appellant sub 2] richt zich tegen de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch" en "Maatschappelijk" voor het perceel [locatie 1] te Casteren, gemeente Bladel, voor zover het niet is toegestaan zijn dierenpension ter plaatse uit te breiden. Hij voert aan dat uitbreiding op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" wel mogelijk was. Volgens [appellant sub 2] is hij van de herziening van laatstgenoemd plan in 2002 ten onrechte niet op de hoogte gesteld. Daarnaast stelt [appellant sub 2] te beschikken over een in 1979 verleende bouwvergunning voor een varkensstal waarmee in het plan ten onrechte geen rekening is gehouden. Volgens [appellant sub 2] brengt het ontbreken van uitbreidingsmogelijkheden de bedrijfsvoering van zijn dierenpension in gevaar. [appellant sub 2] voert verder aan dat aan het voornemen van de gemeente om woningen te realiseren in de omgeving van het dierenpension geen zwaarder gewicht mag worden toegekend dan aan zijn wens tot uitbreiding van het dierenpension.

Voorts richt [appellant sub 2] zich tegen de vaststelling van het plan voor zover aan het deel van zijn woning dat buiten het bouwvlak valt de bestemming "Agrarisch" is toegekend.

2.3.1. De raad stelt dat het voorheen geldende plan "Buitengebied gemeente Bladel 1998, 1e herziening 2002" [appellant sub 2] geen uitbreidingsmogelijkheden bood en dat de in 1979 verleende bouwvergunning voor een varkensstal door het college van burgemeester en wethouders zal worden ingetrokken. De raad heeft in het plan niet voorzien in uitbreidingsmogelijkheden voor het dierenpension, omdat het plan conserverend van aard is en [appellant sub 2] geen concrete plannen voor uitbreiding heeft ingediend. De raad heeft ter zitting weersproken dat een rol heeft gespeeld dat het voornemen bestaat in de nabijheid van het dierenpension woningen te realiseren.

Dat een deel van de woning van [appellant sub 2] buiten het bouwvlak valt, is volgens de raad een vergissing die bij de volgende herziening van het plan zal worden gecorrigeerd.

2.3.2. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Bladel 1998, 1e herziening 2002" is aan een deel van het perceel [locatie 1] de bestemming "Buitengebied gebonden bedrijven" toegekend.

Ingevolge artikel 2.4 van de voorschriften van dat plan, gelezen in samenhang met de daarbij behorende "staat van niet-agrarische bedrijven/functies" is, voor zover hier van belang, op de gronden aan [locatie 1] een dierenpension toegestaan met 610 m2 bestaande bedrijfsbebouwing en 10% uitbreiding.

2.3.3. In het voorliggende plan is aan een deel van het perceel [locatie 1] de bestemming "Maatschappelijk" toegekend met de nadere aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension". Het maximale bebouwingsoppervlak van deze gronden is blijkens de aanduiding op de verbeelding 671 m2. Aan de overige gronden is de bestemming "Agrarisch" toegekend.

2.3.4. Gelet op het vorenstaande mocht zowel op grond van het voorheen geldende als het voorliggende plan maximaal 671 m2 van het perceel [locatie 1] worden bebouwd ten behoeve van het dierenpension. De bebouwingsmogelijkheden van [appellant sub 2] zijn dan ook niet beperkt ten opzichte van het voorheen geldende plan. [appellant sub 2] voert in dit verband tevergeefs aan dat hij ten onrechte niet op de hoogte is gesteld van de herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" in 2002. Die herziening staat in deze procedure niet ter beoordeling en in de Wet op de Ruimtelijke Ordening noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan de verplichting bestaat eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerp van een bestemmingsplan.

[appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een concreet plan voor uitbreiding aan de raad heeft voorgelegd. Voorts heeft [appellant sub 2] zijn stelling dat de mogelijkheid om uit te breiden van wezenlijk belang is voor het voortbestaan van het dierenpension niet onderbouwd.

Aldus heeft de raad, mede gelet op het conserverende karakter van het plan, in redelijkheid kunnen afzien van het in het plan opnemen van de door [appellant sub 2] gewenste uitbreidingsmogelijkheid voor het dierenpension. Voor zover [appellant sub 2] wijst op de bouwvergunning die in 1979 is verleend voor de bouw van een varkensstal, overweegt de Afdeling dat deze bouwvergunning tot op heden niet is gebruikt, het college van burgemeester en wethouders voornemens is tot intrekking hiervan over te gaan en [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vergunde varkensstal zou kunnen worden gebruikt ten behoeve van het dierenpension. Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in de in 1979 verleende bouwvergunning geen aanleiding hoeven te zien de door [appellant sub 2] gewenste uitbreiding in het plan mogelijk te maken.

2.3.5. Nu de raad heeft erkend dat de woning van [appellant sub 2] bij vergissing gedeeltelijk binnen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" is gesitueerd en zich aldus op een ander standpunt stelt dan bij het nemen van het besluit zonder dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, slaagt het betoog in zoverre.

2.3.6. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 1] te Casteren, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

2.3.7. In hetgeen [appellant sub 2] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel "Maatschappelijk" voor het perceel [locatie 1] te Casteren strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het voor het overige door [appellant sub 2] aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.4. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 3]. Volgens de raad is [appellant sub 3] geen belanghebbende, als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb, bij het plandeel Polderdijk omdat het perceel [locatie 2] op ruime afstand ligt en vanaf de locaties waar de nieuw te bouwen woningen worden gerealiseerd evenmin zicht bestaat op het plandeel Polderdijk.

2.4.1. Het plan voorziet op het plandeel Polderdijk in de mogelijkheid om binnen de bestaande bebouwing een houtbewerkingsbedrijf uit te oefenen met een maximale oppervlakte van 800 m². Volgens het deskundigenbericht is de afstand tussen het perceel [locatie 2] en het plandeel Polderdijk 80 meter. Gelet op deze afstand en gelet op de maximale oppervlakte van het houtbewerkingsbedrijf waarin het plan voorziet, acht de Afdeling niet uitgesloten dat de woning en de nieuwbouwlocaties op het perceel [locatie 2] nadelige milieugevolgen van het houtbewerkingsbedrijf kunnen ondervinden. Hieruit volgt dat [appellant sub 3] een rechtstreeks betrokken en een in voldoende mate van anderen onderscheidend persoonlijk belang heeft bij het plandeel Polderdijk en derhalve kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het beroep van [appellant sub 3] is derhalve ontvankelijk.

2.5. Het beroep van [appellant sub 3] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-houtbewerkingsbedrijf" voor zover het betreft het perceel Polderdijk 9 te Netersel, gemeente Bladel (hierna: het plandeel Polderdijk). Daartoe voert hij aan dat het plan ten onrechte een houtbewerkingsbedrijf mogelijk maakt in de directe nabijheid van zijn perceel [locatie 2], waarop hij twee woningen wil bouwen.

[appellant sub 3] betoogt dat geen rekening is gehouden met de uitbreidingsmogelijkheden van de houtzagerij. Daarnaast voert hij aan dat ten onrechte niet voldaan wordt aan de richtafstanden voor geluid, stof en gevaar in de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgegeven brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de VNG-brochure). Verder voert hij aan dat geen rekening is gehouden met rook- en geurhinder vanwege het gebruik van houtkachels door de houtzagerij.

Daarnaast betoogt hij dat gelet op de milieubelastende activiteiten het toestaan van een bedrijf in milieucategorie 3 in het kernrandgebied, in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.5.1. De raad heeft ervoor gekozen het bestaande gebruik van het perceel voor een houtbewerkingsbedrijf als zodanig te bestemmen. De raad stelt zich op basis van het door SRE Milieudienst opgestelde rapport van 31 augustus 2010 over de beoordeling van het woonklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen en de gevolgen daarvan voor de omliggende bedrijven op het standpunt dat het houtbewerkingsbedrijf de bouw van de woningen niet belemmert. De raad wijst erop dat het plan niet in uitbreidingsmogelijkheden voor het houtbewerkingsbedrijf voorziet. Volgens de raad wordt nagenoeg voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure. Ten slotte stelt de raad dat op een verantwoorde wijze een categorie 3-bedrijf binnen het kernrandgebied mogelijk wordt gemaakt.

2.5.2. Aan het mogelijk maken van een houtbewerkingsbedrijf op het plandeel Polderdijk ligt een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag die is neergelegd in het bijlagenboek behorend bij de toelichting van het plan. In deze onderbouwing is ervan uitgegaan dat de uitoefening van het houtbewerkingsbedrijf binnen de bestaande bebouwing plaatsvindt en een oppervlakte beslaat van maximaal 800 m². Op de verbeelding is daarvoor aan het plandeel Polderdijk ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - houtbewerkingsbedrijf" de aanduiding "800" toegekend. Het plan voorziet niet in uitbreidingsmogelijkheden voor het houtbewerkingsbedrijf. Gelet op het vorenstaande mist het betoog van [appellant sub 3], dat geen rekening is gehouden met de uitbreidingsmogelijkheden van het houtbewerkingsbedrijf, feitelijke grondslag.

2.5.3. Niet in geschil is dat het houtbewerkingsbedrijf behoort tot een bedrijfstype in milieucategorie 3 van de VNG-brochure.

Het toepasselijke provinciale beleid, ten tijde van de vaststelling van het plan neergelegd in de Interimstructuurvisie Noord-Brabant, de Paraplunota ruimtelijke ordening en de Beleidsnota Buitengebied in Ontwikkeling, geeft in het buitengebied binnen bebouwingsconcentraties, waaronder kernrandzones, ruimte aan het benutten van voormalige agrarische bedrijfslocaties voor niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid. Daarbij is de voorwaarde gesteld dat als het om een inrichting in de zin van de van de Wet milieubeheer gaat, het in beginsel slechts een inrichting mag zijn die behoort tot de categorieën 1 en 2 van de lijst van bedrijfstypen opgenomen in de VNG-Brochure.

2.5.4. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In de ruimtelijke onderbouwing die aan het plandeel ten grondslag ligt, is expliciet aandacht besteed aan voornoemd beleid. De raad is tot de conclusie gekomen dat het houtbewerkingsbedrijf door middel van een maatbestemming ruimtelijk kan worden ingepast. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het toepasselijke provinciale beleid onvoldoende in de belangenafweging heeft betrokken.

2.5.5. Het betoog van [appellant sub 3] ten aanzien van rook en geurhinder vanwege het gebruik van houtkachels mist feitelijke grondslag nu de eigenaren van het houtbewerkingsbedrijf ter zitting onweersproken hebben gesteld dat geen houtkachels worden gebruikt.

2.5.6. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3] dat niet voldaan wordt aan de richtafstanden voor geluid, stof en gevaar uit de VNG-brochure overweegt de Afdeling als volgt. De VNG-brochure is een hulpmiddel bij het opstellen van bestemmingsplannen en kent indicatieve afstanden die door de raad gemotiveerd kunnen worden toegepast. De bestaande woning en de nieuw te bouwen woningen op het perceel [locatie 2] liggen binnen de milieuzonering van het houtbewerkingsbedrijf waarvoor het maatgevende milieuaspect geluid is. In het rapport van 31 augustus 2010 wordt voor de motivering van de afwijking van de richtafstand voor geluid verwezen naar het akoestisch onderzoek van Prinssen en Bus raadgevende ingenieurs van 29 april 2002 (hierna: het akoestisch onderzoek). De raad heeft zich op basis van de resultaten uit het akoestisch onderzoek op het standpunt gesteld dat voor de bestaande woning en de nieuw te bouwen woningen op het perceel [locatie 2] van de richtafstand voor geluid kan worden afgeweken. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat wat betreft bestaande woningen van derden aan de toepasselijke geluidnormen kan worden voldaan waaronder de woning op het perceel [locatie 3]. Deze woning is van de bestaande woningen het dichtst bij het houtbewerkingsbedrijf gelegen en ligt dichterbij het houtbewerkingsbedrijf dan de nieuw te bouwen woningen op het perceel [locatie 2]. De door [appellant sub 3] ingediende notitie "Second opinion akoestisch onderzoek Polderdijk 9 te Netersel" van AGEL adviseurs, geeft naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding om op dit punt aan de juistheid van de resultaten uit het akoestisch onderzoek te twijfelen. Gelet hierop heeft [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid heeft kunnen baseren op de resultaten uit het akoestisch onderzoek.

In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onder verwijzing naar het akoestisch onderzoek van de richtafstand voor geluid niet in redelijkheid heeft kunnen afwijken. Gelet op het vorenstaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter plaatse van de bestaande woning en de nieuw te bouwen woningen op het perceel [locatie 2] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

2.5.7. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-houtbewerkingsbedrijf" voor zover het betreft het perceel Polderdijk 9 te Netersel, gemeente Bladel, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.6. [appellant sub 4] betoogt dat ten onrechte geen bouwvlakken zijn toegekend aan de schuilgelegenheden voor paarden op zijn percelen kadastraal bekend sectie G 193 en kadastraal bekend sectie G 33 te Hoogeloon, gemeente Bladel, maar dat de schuilgelegenheden ten onrechte opnieuw onder het overgangsrecht zijn gebracht. In dit verband wijst hij erop dat de schuilgelegenheden met vergunning zijn gerealiseerd en ook als zodanig in gebruik zijn.

2.6.1. Volgens de raad is ten aanzien van het niet toekennen van bouwvlakken aan de schuilgelegenheden sprake van voortzetting van bestaand beleid. Aan de schuilgelegenheden waren ook onder de voorheen geldende bestemmingplannen geen bouwvlakken toegekend. Daarnaast zijn nieuwe bouwvlakken op de voor "Agrarisch met waarden - Natuur en Landschapswaarden" aangewezen gronden niet gewenst. De raad stelt te streven naar het saneren van de schuilgelegenheden maar beraadt zich nog over het gewenste beleid op dit punt. Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 4] dat de schuilgelegenheden worden gebruikt in het kader van de bedrijfsvoering stelt de raad dat een nadere inventarisatie nodig is om hierin inzicht te verwerven en hiervoor zo nodig een bestemmingsregeling op te stellen.

2.6.2. Niet in geschil is dat de schuilgelegenheden met bouwvergunningen zijn gebouwd. In beginsel dienen legale bouwwerken als zodanig in het plan te worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven, kan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien en kunnen de bouwwerken onder het overgangsrecht worden gebracht. Dan dient wel aannemelijk te zijn dat de bouwwerken binnen de planperiode verdwijnen. Met het overgangsrecht wordt immers beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen.

2.6.3. De omstandigheid dat de schuilgelegenheden met bouwvergunning zijn gebouwd brengt met zich mee dat, tenzij aannemelijk is dat de schuilgelegenheden binnen de planperiode zullen verdwijnen, deze in beginsel dienovereenkomstig dienen te worden bestemd. De schuilgelegenheden zijn in het voorliggende plan echter niet als zodanig bestemd.

Uit de stukken en ter zitting is duidelijk geworden dat [appellant sub 4] niet voornemens is de schuilgelegenheden te verwijderen. Nu ter zitting is gebleken dat geen concreet zicht op beleidsbeslissingen of plannen van het gemeentebestuur ten aanzien van de sanering van de schuilgelegenheden bestaat, is niet aannemelijk geworden dat de schuilgelegenheden desondanks binnen de planperiode zullen worden verwijderd. De schuilgelegenheden zijn derhalve ten onrechte niet als zodanig bestemd.

2.6.4. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden- Natuur en Landschapswaarden" wat betreft de percelen kadastraal bekend sectie G 193 en kadastraal bekend sectie G 33, te Hoogeloon,

gemeente Bladel.

Het beroep van [appellant sub 5]

2.7. [appellant sub 5] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Recreatie-B" en de aanduiding "verblijfsrecreatie" wat betreft het perceel [locatie 4] te Hoogeloon, gemeente Bladel (hierna: het plandeel [locatie 4]). Hij voert aan dat aan het plandeel [locatie 4] een woonbestemming toegekend had moeten worden, nu de woning sinds de bouw veertig jaar geleden lange tijd in gebruik is geweest als burgerwoning. [appellant sub 5] betoogt dat de recreatieve bestemming van het plandeel [locatie 4] in de twee voorgaande plannen op een fout berust. Tevens voert hij aan dat gelet op de jurisprudentie het gebruik als burgerwoning niet een tweede maal onder het overgangsrecht mag worden gebracht.

Daarnaast betoogt [appellant sub 5] dat het college in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte niet ingegaan is op zijn voorstel om, al dan niet via een wijzigingsbevoegdheid, een burgerwoning mogelijk te maken onder de voorwaarde dat deze naar elders verplaatst wordt.

2.7.1. De raad stelt dat het plandeel [locatie 4] en de omliggende percelen, in overleg en met instemming van [appellant sub 5], in 1995 in het kader van een herbestemming van het agrarische bedrijf aan [locatie 5] en de verplaatsing van de werktuigencoöperatie Hoogeloon zijn bestemd voor recreatief gebruik en dat de woning [locatie 4] toen is aangemerkt als tweede bedrijfswoning. Deze bestemming is opnieuw opgenomen in het voorheen geldende bestemmingsplan "Herziening Hoeve Biestheuvel". Tegen de bestemming "Recreatie" in de voorgaande plannen is volgens de raad geen bezwaar gemaakt. De raad stelt dat, nu het gebruik als burgerwoning door de oorspronkelijke bewoner is beëindigd, gebruik in overeenstemming met de bestemming thans mogelijk is.

De raad acht het bestemmen als burgerwoning niet passend vanwege een intensief recreatief bedrijf in de directe nabijheid.

2.7.2. Het plandeel [locatie 4] maakt deel uit van het terrein van het recreatiebedrijf Hoeve Biestheuvel dat is gevestigd op het perceel [locatie 5]. De woning [locatie 4] ligt tezamen met bedrijfsbebouwing en de eerste bedrijfswoning ten behoeve van het recreatiebedrijf binnen het bouwvlak binnen de bestemming "Recreatie-B". De gronden met deze bestemming zijn ingevolge artikel 17.1, aanhef en onder i, van de planregels bestemd voor wonen in een bedrijfswoning tot maximaal 2 bedrijfswoningen. Gebouwen mogen alleen binnen het bouwvlak worden opgericht.

In het bestemmingsplan "Hoeve Biestheuvel" is aan [locatie 4] de bestemming "Recreatie" toegekend. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Herziening Hoeve Biestheuvel" is deze bestemming opnieuw opgenomen. Op grond van de bestemming "Recreatie" is het gebruik van de woning alleen toegestaan als bedrijfswoning.

2.7.3. De raad heeft gelet op het conserverende karakter van het plan, de recreatieve bestemming van [locatie 4] in het voorheen geldende plan en de ligging van [locatie 4] ten opzichte van het recreatiebedrijf de Hoeve Biestheuvel zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemming "Recreatie-B" voor het plandeel [locatie 4] in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Voor zover [appellant sub 5] betoogt dat een woonbestemming aan het plandeel [locatie 4] had moeten worden toegekend, nu de woning overeenkomstig de bouwvergunning als burgerwoning is opgericht en altijd als zodanig is gebruikt, overweegt de Afdeling als volgt. Daargelaten de vraag of met de bouwvergunning in strijd met het destijds geldende planologische regime een titel is gegeven voor het gebruik van [locatie 4] als burgerwoning, kan [appellant sub 5] thans geen aanspraak meer maken op het op grond van die bouwvergunning vergunde gebruik. Dat gebruik is immers de eerste keer dat aan het plandeel [locatie 4] een recreatieve bestemming is toegekend, waarbij de woning als bedrijfswoning is aangemerkt, onder de beschermende werking van het overgangsrecht gebracht. Nu niet in geschil is dat het gebruik van de woning als burgerwoning ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan was beëindigd, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen regeling voor dat gebruik in het voorliggende plan behoeft te worden opgenomen.

Gezien de ligging van de woning [locatie 4] ten opzichte van het recreatiebedrijf de Hoeve Biestheuvel heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een bestemming "Wonen" niet passend is. De raad heeft dan ook in redelijkheid het voorstel tot wijziging van het plandeel [locatie 4] naar de bestemming "Wonen", waarbij deze bestemming vervolgens verplaatst kan worden, wat er ook zij van de aanvaardbaarheid van de voorgestelde regeling, reeds op grond van het niet passend zijn van de woonbestemming, kunnen afwijzen.

2.7.4. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie-B" en de aanduiding "verblijfsrecreatie" wat betreft het perceel [locatie 4] te Hoogeloon, gemeente Bladel, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 6]

2.8. [appellanten sub 6] richten zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "recreatiewoning" wat betreft het perceel [locatie 6] te Hoogeloon, gemeente Bladel (hierna: het plandeel Landrop). Zij betogen dat aan het plandeel Landrop ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Daartoe voeren zij aan dat de woning op het plandeel al sinds 1998 permanent wordt bewoond en dat hiertegen niet is opgetreden. Een woonbestemming past volgens [appellanten sub 6] in de omgeving en is niet in strijd met het beleid, waaronder de structuurvisie. Voorts wijzen zij op vergelijkbare woningen in het plangebied waaraan wel een woonbestemming is toegekend.

2.8.1. De raad stelt dat het beleid geen nieuwe woningen in het buitengebied toestaat. Op grond van gelijkluidend beleid is ook in voorgaande plannen een woonbestemming geweigerd. Het toekennen van een woonbestemming zou volgens de raad ten koste gaan van het aantal woningen dat gebouwd mag worden, waardoor andere projecten in het gedrang komen.

2.8.2. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" is aan het plandeel Landrop de bestemming "Woningen" met de aanduiding "recreatiewoning" toegekend. In haar uitspraak van 15 juni 2001 (zaak nr. 199901718/1 (Gst. 2001, 7151, 6)) heeft de Afdeling geoordeeld dat het bestemmen van de woning van [appellanten sub 6] als recreatiewoning in laatstgenoemd plan niet in strijd was met een goede ruimtelijke ordening.

Volgens het deskundigenbericht ligt de recreatiewoning in een bebouwingslint met een hoge dichtheid aan burgerwoningen en met al dan niet agrarische bedrijven.

In de plantoelichting staat dat het uitgangspunt van het voorliggende plan is dat bestaande legale woningen als woning worden bestemd en dat nieuwe burgerwoningen niet zijn toegestaan, met uitzondering van nieuwe woningen in het kader van de Ruimte-voor-Ruimteregeling.

Voorts kunnen volgens de gemeentelijke structuurvisie niet-woonfuncties binnen de linten worden getransformeerd naar wonen, indien de te transformeren functie overbodig is geworden en er geen sprake is van belemmeringen voor bestaande functies.

Volgens het Uitwerkingsplan stedelijke regio Zuid-Oost Brabant ligt het plandeel Landrop in het landelijke gebied en niet binnen stedelijk gebied.

2.8.3. Het gemeentelijke beleid is een voortzetting van eerder beleid en is nog steeds gericht op het tegengaan van verdere verstening van het buitengebied. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het bestemmen van de recreatiewoning als woning in strijd is met dat beleid. Het betoog dat het beleid niet in de weg staat aan een woonbestemming omdat van verstening als gevolg van een nieuwe woning geen sprake is, faalt. De verstening waarop het gemeentelijke beleid doelt, betreft immers niet slechts het feitelijk toevoegen van nieuwe bebouwing, maar het juridisch-planologisch toevoegen van een permanente woonvoorziening.

Dat een woonbestemming voor het plandeel geen negatieve gevolgen zou hebben voor de omgeving en ook anderszins niet leidt tot belemmeringen voor bestaande functies, geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in een woonbestemming had moeten voorzien. Gelet op het conserverende karakter van het plan en mede gezien de kenmerken van dit gebied, ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 6] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een recreatiewoning op deze locatie ruimtelijk aanvaardbaar is. [appellanten sub 6] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de recreatieve functie van de woning, die door [appellanten sub 6] in ieder geval van 1993 tot 1998 recreatief werd gebruikt, overbodig is geworden zoals bedoeld in de gemeentelijke structuurvisie. Reeds hierom kan het beroep op dat beleid niet slagen.

Dat [appellanten sub 6] de woning al sinds 1998 in strijd met de bestemming permanent bewonen en dat handhavend optreden door het gemeentebestuur vooralsnog is uitgebleven, acht de Afdeling voorts ontoereikend voor het oordeel dat in afwijking van het gemeentelijke beleid een op permanent woongebruik toegesneden bestemming toegekend had moeten worden.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid het toekennen van een woonbestemming aan het plandeel Landrop niet wenselijk kunnen achten.

2.8.4. Ten aanzien van de door [appellanten sub 6] gemaakte vergelijking met de woningen Landrop 17, Egypte 2 en Egyptische Dijk 19 stelt dat de raad dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie. Wat betreft Landrop 17 te Hoogeloon is sprake van een splitsing van een voormalige agrarische bedrijfswoning en de woningen Egypte 2 en Egyptische Dijk 19 te Bladel liggen, anders dan het plandeel Landrop, ingevolge het uitwerkingsplan stedelijke regio Zuid-Oost Brabant binnen stedelijk gebied en zijn daarenboven reeds in het voorheen geldende bestemmingsplan als burgerbewoning bestemd.

Nu [appellanten sub 6] dit niet gemotiveerd hebben betwist, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten sub 6] genoemde situaties niet overeenkomen met hun situatie.

2.8.5. In hetgeen [appellanten sub 6] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 6] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

2.9. [appellant sub 7] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension" voor een deel van zijn perceel [locatie 7]-[locatie 8] te Bladel. Volgens [appellant sub 7] had aan deze gronden de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" toegekend dienen te worden, omdat hij hier, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, een paardenpension wil beginnen met als nevenactiviteit een paardenfokkerij. Volgens [appellant sub 7] was een paardenpension, een gebruiksgerichte paardenhouderij, op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Bladel 1998" toegestaan. [appellant sub 7] is van mening dat het toelaten van de door hem gewenste gebruiksgerichte paardenhouderij, anders dan de raad stelt, niet in strijd is met het gemeentelijke beleid, omdat zijn perceel een voormalige agrarische bedrijfslocatie is. Als de raad slechts het bestaande gebruik had willen bestemmen, had volgens [appellant sub 7] de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - hondenfokkerij" dienen te worden toegekend. [appellant sub 7] wijst er in dit verband op dat de hondenfokkerij en -pension aan Het Bosch 21 wel de bestemming "Agrarisch" heeft en bovendien mag uitbreiden. Voorts is volgens [appellant sub 7] het maximaal toegelaten oppervlak aan bebouwing op zijn gronden ten onrechte teruggebracht tot 550 m2.

[appellant sub 7] richt zich verder tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor zover zijn paardenstal en voormalige recreatiewoning, die volgens hem met bouwvergunning zijn gebouwd, niet als zodanig zijn bestemd.

2.9.1. De raad stelt dat, voor zover aan de gronden van [appellant sub 7] de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension" is toegekend, deze bestemming overeenkomt met de bestemming in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Bladel 1998, 1e herziening 2002".

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat een gebruiksgerichte paardenhouderij volgens het gemeentelijke beleid alleen wordt toegestaan op gronden waar agrarische activiteiten worden beëindigd. De raad wijst erop dat de agrarische activiteiten op de gronden van [appellant sub 7] reeds in 1998 beëindigd zijn en dat de gronden waarop [appellant sub 7] de paardenhouderij zou willen vestigen in het voorheen geldende plan niet voor agrarische doeleinden waren bestemd. Verder is volgens de raad van belang dat [appellant sub 7] geen concreet plan voor een gebruiksgerichte paardenhouderij heeft ingediend op basis waarvan kon worden beoordeeld of van het beleid kan worden afgeweken.

De raad acht het beperken van de uitbreidingsmogelijkheden van [appellant sub 7] redelijk. Volgens de raad is ter plaatse 500 m2 bebouwing aanwezig en is dat veel minder dan op grond van het vorige plan was toegestaan. Volgens de raad heeft [appellant sub 7] voldoende tijd gehad zijn bedrijf uit te breiden, maar heeft hij van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Het voorliggende plan biedt volgens de raad aan [appellant sub 7] nog 10% uitbreidingsruimte.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat de voormalige recreatiewoning naar zijn mening niet meer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar op basis van het overgangsrecht voorlopig kan worden gehandhaafd.

Ten slotte is volgens de raad de paardenstal aangemerkt als een bijgebouw bij de woning.

2.9.2. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Bladel 1998, 1e herziening 2002" is aan het perceel [locatie 7]-[locatie 8] te Bladel de bestemming "Buitengebied gebonden bedrijven" toegekend.

Ingevolge artikel 2.4 van de voorschriften van dat plan, gelezen in samenhang met de daarbij behorende "staat van niet-agrarische bedrijven/functies" en voor zover hier van belang, is op het perceel Het Bosch 11 een hondenkennel/pension toegestaan met 1.200 m2 bedrijfsbebouwing met 25% uitbreiding.

2.9.3. In het voorliggende plan is aan een deel van het perceel [locatie 7]-[locatie 8] de bestemming "Maatschappelijk" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension". Het maximale bebouwingsoppervlak is 550 m2. Aan de gronden daaromheen is, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch" toegekend.

Ingevolge artikel 13.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn de op de verbeelding voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension" bestemd voor een dierenpension.

Ingevolge artikel 13.2.1, onder b, mag de maximale oppervlakte zoals aangeduid op de verbeelding niet worden overschreden.

2.9.4. Gelet op de aangehaalde voorschriften en regels was zowel in het voorheen geldende plan als het voorliggende plan op de gronden van [appellant sub 7] een hondenpension toegestaan. Nu [appellant sub 7] ter plaatse een hondenpension exploiteert en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ter plaatse tevens een hondenfokkerij exploiteert, ziet de Afdeling anders dan [appellant sub 7] niet dat de raad het bestaande gebruik niet als zodanig heeft bestemd.

2.9.5. In de plantoelichting staat dat nieuwvestiging van paardenhouderijen in de gemeente niet is toegestaan. Het gemeentelijke beleid laat evenwel een uitzondering op dit uitgangspunt toe in het geval een agrarisch bedrijf wordt beëindigd.

[appellant sub 7] exploiteert een hondenpension op de gronden waarop hij een gebruiksgerichte paardenhouderij wenst te vestigen. Deze gronden waren in het voorheen geldende plan bestemd voor een hondenkennel/pension. Een hondenpension is niet een agrarisch bedrijf waarvan het gemeentelijke beleid het toelaat dat het bij beëindiging wordt omgezet in een paardenhouderij. Voorts is van belang dat [appellant sub 7] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een concreet plan voor een gebruiksgerichte paardenhouderij aan de raad heeft voorgelegd. Aldus heeft de raad in redelijkheid het verzoek van [appellant sub 7] op zijn gronden een gebruiksgerichte paardenhouderij toe te staan kunnen afwijzen.

2.9.6. Over het betoog van [appellant sub 7] over de maximaal toegelaten oppervlakte aan bebouwing wordt als volgt overwogen. Aan een geldend bestemmingsplan kunnen geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

2.9.6.1. Gelet op de aangehaalde voorschriften en regels kon [appellant sub 7] op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan maximaal 1.500 m2 aan bedrijfsbebouwing oprichten en heeft het voorliggende plan dit teruggebracht tot 550 m2.

2.9.6.2. Niet in geschil is dat [appellant sub 7] niet beschikt over een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen om het hondenpension uit te breiden. [appellant sub 7] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan concrete uitbreidingsplannen had voor het hondenpension. Ook heeft [appellant sub 7] niet weersproken dat de oppervlakte van de bestaande bebouwing 500 m2 bedraagt en het plan het toestaat de oppervlakte van de bestaande bebouwing met 10% uit te breiden. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de uitbreidingsmogelijkheden van [appellant sub 7] heeft kunnen beperken.

2.9.7. Ten oosten van de bedrijfswoning van [appellant sub 7] staat een paardenstal. Ten zuidoosten van de bedrijfswoning van [appellant sub 7] staat een voormalige recreatiewoning. De raad heeft niet weersproken dat de paardenstal en de voormalige recreatiewoning met bouwvergunning zijn gebouwd.

2.9.8. In beginsel dienen legale bouwwerken als zodanig in het plan te worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven, kan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien en kunnen de bouwwerken onder het overgangsrecht worden gebracht. Dan dient wel aannemelijk te zijn dat de bouwwerken binnen de planperiode verdwijnen. Met het overgangsrecht wordt immers beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen.

Aan de gronden waarop de paardenstal en de voormalige recreatiewoning van [appellant sub 7] staan, is de bestemming "Agrarisch" toegekend zonder bouwvlak. Anders dan de raad stelt, is de paardenstal niet als een bijgebouw bij de woning aangemerkt. De raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bouwwerken binnen de planperiode verdwijnen. Nu de raad heeft nagelaten de paardenstal en de voormalige recreatiewoning van een bestemmingsregeling te voorzien, heeft de raad het plan in zoverre in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld.

2.9.9. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 7]-[locatie 8] te Bladel. Het beroep van [appellant sub 7] is in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

2.9.10. In hetgeen [appellant sub 7] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension" voor het perceel [locatie 7]-[locatie 8] te Bladel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het voor het overige door [appellant sub 7] aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 7] is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

2.10. [appellant sub 8], woonachtig aan [locatie 9] te Hapert, gemeente Bladel, komt op tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel Lemel 13-15. [appellant sub 8] voert aan dat ten onrechte is voorzien in een planologische regeling voor een bouwvallige schuur waarin asbest is verwerkt. Deze schuur dient volgens hem geheel te worden afgebroken.

Tevens richt [appellant sub 8] zich tegen de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "verwevingsgebied", omdat daarmee aan intensieve veehouderijen in de omgeving van zijn woning teveel uitbreidingsmogelijkheden worden geboden.

2.10.1. Aan het perceel Lemel 13-15 te Hapert is de bestemming "Agrarisch" toegekend met een bouwvlak. Niet in geschil is dat op het bouwvlak een schuur staat. Voorts is niet in geschil dat de schuur met bouwvergunning is gebouwd.

In beginsel dienen legale bouwwerken als zodanig in het plan te worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven, kan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien en kunnen de bouwwerken onder het overgangsrecht worden gebracht. Dan dient wel aannemelijk te zijn dat de bouwwerken binnen de planperiode verdwijnen. Met het overgangsrecht wordt immers beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen.

Nu de eigenaar van de schuur volgens de raad heeft aangegeven geen gebruik te zullen maken van de verleende sloopvergunning, maar de schuur wenst te behouden, is niet aannemelijk dat dit bouwwerk binnen de planperiode verdwijnt. Gelet hierop heeft de raad de schuur terecht als zodanig bestemd. Voor zover [appellant sub 8] hinder vreest als gevolg van de staat van onderhoud van de schuur betreft dit een aspect dat in deze procedure inhoudelijk niet aan de orde is.

2.10.2. In de plantoelichting staat dat het plan conserverend van aard is en dat in een verwevingsgebied bouwvlakken aanwezig zijn tot 1,5 hectare en dat uitbreiding niet rechtstreeks mogelijk is. Hierbij is opgemerkt dat de noodzaak en wenselijkheid van uitbreidingsmogelijkheden van intensieve veehouderijen wordt bediscussieerd. Een eventuele uitbreiding kan volgens de toelichting alleen plaatsvinden met een aparte planologische procedure. [appellant sub 8] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan in weerwil van dit uitgangspunt in het verwevingsgebied in zijn omgeving voorziet in rechtstreekse uitbreidingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.

2.10.3. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel Lemel 13-15 en de gronden met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "verwevingsgebied" strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 9]

2.11. Het beroep van [appellanten sub 9] richt zich tegen de vaststelling van de planregeling voor hun perceel [locatie 10] te Hapert, gemeente Bladel (hierna: het plandeel Ganzestraat). Zij betogen dat sprake is van een ongelijke behandeling nu aan het plandeel Ganzestraat geen bouwvlak is toegekend dat even groot is als het grootste bouwvlak dat in het plan bij een woonbestemming is toegekend. Daarnaast betogen zij dat de begrenzing van het plan onjuist is vastgesteld waardoor voor het plandeel Ganzestraat andere regels gelden dan voor de percelen met een gelijkwaardige omvang en uitstraling en een gelijkwaardig feitelijk gebruik aan de overkant van de straat. Voorts voeren zij aan dat ten onrechte met de inbreng van de klankbordgroep weinig tot niets is gedaan. Ten slotte betogen zij dat in het plan teveel vrijstellingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn opgenomen.

2.11.1. De raad stelt dat bij het bepalen van de omvang van het bouwvlak uitgegaan is van de feitelijke omstandigheden en tot een bouwvlak van 1.500 m² is gekomen. De rechtsgelijkheid die [appellanten sub 9] wensen doet volgens de raad geen recht aan in de praktijk aanwezige verschillen. De raad wijst erop dat voor de woningen aan de overkant van de straat waarnaar [appellanten sub 9] verwijzen het bestemmingsplan "Kempisch bedrijvenpark" geldt. Volgens de raad zijn de bestemmingsregelingen van de plannen nagenoeg gelijk. De raad stelt dat aan de klankbordgroep is toegelicht waarom bepaalde voorstellen niet gehonoreerd konden worden.

2.11.2. Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

2.11.3. In hetgeen [appellanten sub 9] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het bijzonder ziet de Afdeling, gelet op de ligging en de omgeving van het plandeel Ganzestraat, geen grond voor het oordeel dat de raad dit plandeel niet heeft kunnen aanmerken als deel van het buitengebied. De door [appellanten sub 9] bedoelde percelen aan de overkant van de straat maken deel uit van het bestemmingsplan "Kempisch Bedrijvenpark" dat onder meer voorziet in de aanleg van een regionaal bedrijventerrein, in de aanleg van een nieuwe aansluiting op de A67 ter hoogte van Hapert-Zuid en een nieuwe verbinding tussen deze aansluiting en de N284, in woningbouw en een uitbreiding van een motorcrossterrein. In tegenstelling tot het bestemmingsplan "Kempisch Bedrijvenpark" heeft het voorliggende plan een conserverend karakter. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid de begrenzing van het plan aldus kunnen vaststellen.

2.11.4. Het bieden van inspraak maakt geen deel uit van de in de Wro en de Bro geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet overnemen van het advies van de klankbordgroep bij de vaststelling van het plan is niet in strijd met het toepasselijke recht en heeft dan ook geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

2.11.5. Over het betoog van [appellanten sub 9] dat ten onrechte een bouwvlak van 1.500 m² aan hun woning is toegekend overweegt de Afdeling als volgt. Alle op het plandeel Ganzestraat aanwezige bebouwing valt binnen de begrenzing van het bouwvlak. [appellanten sub 9] hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij concrete uitbreidingsplannen voor hun woning bij de raad bekend hebben gemaakt waar bij de vaststelling van het plan rekening mee diende te worden gehouden. In zoverre kan dan ook niet worden gezegd dat de raad de omvang van het bouwvlak niet juist heeft vastgesteld.

Ten aanzien van de door [appellanten sub 9] gemaakte vergelijking met het bouwvlak dat is toegekend aan het perceel Troprijt 4, wordt overwogen dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat deze situatie verschilt van de situatie van [appellanten sub 9] omdat de woning op het perceel Troprijt 4 een voormalige boerderij betreft die gebruikt wordt als woonboerderij en als zodanig op de verbeelding is aangeduid. In het voorheen geldende plan was deze woning aangeduid als woonboerderij en golden voor deze woning ruimere bebouwingsmogelijkheden. Nu [appellanten sub 9] dit niet gemotiveerd hebben betwist, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten sub 9] genoemde situatie niet overeenkomt met hun situatie. Voorts hebben [appellanten sub 9] niet aannemelijk gemaakt dat het toekennen van het grotere bouwvlak aan het perceel Troprijt 4 meer mogelijkheden biedt om het volume van de woning te vergroten. Het feit dat op de verbeelding de woonbestemming op het perceel Troprijt 4 buiten het bouwvlak doorloopt geeft het perceel Troprijt 4 niet meer bebouwingsmogelijkheden dan het plandeel Ganzestraat. Gelet op het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten een bouwvlak van 1.500 m² aan het plandeel Ganzestraat toe te kennen.

2.11.6. De Afdeling ziet in het niet nader gemotiveerde betoog dat in veel wijzigings- en ontheffingsbevoegdheden is voorzien geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in redelijkheid niet heeft kunnen vaststellen zoals hij heeft gedaan.

2.11.7. In hetgeen [appellanten sub 9] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" wat betreft het perceel [locatie 10] te Hapert, gemeente Bladel en de opgenomen wijzigings- en ontheffingsbevoegdheden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 10] en anderen

2.12. [appellant sub 10] en anderen richten zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" wat betreft het perceel [locatie 11]-[locatie 12] (hierna: plandeel Castersedijk). Zij betogen dat de raad het bedrijf voor op- en overslag van metalen en twee woonwagenstandplaatsen op het plandeel Castersedijk ten onrechte opnieuw onder de werking van het overgangsrecht heeft gebracht. Volgens [appellant sub 10] en anderen gaat het argument van de raad dat een bedrijfsbestemming niet passend is vanwege de nabijheid van de Ecologische Hoofdstructuur en de rivier de Grote Beerze niet op, nu met metaal op- en overslag vergelijkbare activiteiten wel zijn toegestaan op de naastgelegen gemeentewerf aan de Castersedijk en op het perceel Castersedijk 26.

2.12.1. De raad stelt dat het gebruik van het plandeel Castersedijk voor op- en overslag van metalen in voorgaande plannen niet is toegestaan en dus niet onder de werking van het overgangsrecht valt. Volgens de raad is slechts één van de twee standplaatsen legaal aanwezig. De standplaats van [appellant sub 10] valt niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht, aldus de raad.

Verder heeft de raad naar voren gebracht dat na de vaststelling van het plan is bezien of legalisering van het bedrijf voor op- en overslag van metalen op het plandeel Castersedijk mogelijk is, maar dat partijen vooralsnog geen overeenstemming hebben bereikt omdat [appellant sub 10] en anderen ter plaatse willen wonen, hetgeen door de raad onwenselijk wordt geacht.

2.12.2. In het voorliggende plan is aan het plandeel Castersedijk de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur en Landschapswaarden" toegekend. Op het plandeel is niet voorzien in een bouwvlak. Het gebruik van de gronden voor een bedrijf voor op- en overslag van metalen en voor woonwagenstandplaatsen is op grond van de toegekende bestemming niet toegestaan.

In het bestemmingsplan "Buitengebied 1974" is aan het perceel [locatie 11]-[locatie 12] de bestemming "Bosgebied II" toegekend. Bewoning en op- en overslag van metalen was op grond van deze bestemming niet toegestaan. In 1988 is in het bestemmingsplan "Woonwagenstandplaats Castersedijk" aan de drie destijds op het perceel aanwezige woonwagenstandplaatsen de bestemming "Woonwagenstandplaatsen" toegekend. Aan de gronden tussen de standplaatsen is de bestemming "Wegen" toegekend. Voor het overige is het perceel in dat plan als "Bosgebied" bestemd. Verder is daarin een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemmingen "Woonwagenstandplaatsen" en "Wegen" te wijzigen in de bestemming "Bosgebied" indien een woonwagenstandplaats wordt opgeheven. De bedoeling van het plan was om de woonwagenlocatie te saneren. Het voeren van een bedrijf of opslag van materiaal was ingevolge dat plan niet toegestaan. Ingevolge artikel 9, onder B/C, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Woonwagenstandplaats Castersedijk" mocht het gebruik van de grond anders dan voor bebouwing en het gebruik van opstallen, strijdig met het plan op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen worden voortgezet. Ingevolge het tweede lid van dat artikel was het verboden het met het plan strijdige gebruik van grond en opstallen te wijzigen, indien hierdoor de afwijking van het plan werd vergroot.

Het perceel [locatie 11]-[locatie 12] was niet opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 1988" van de gemeente Hoogeloon, noch in het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" van de gemeente Bladel.

In het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel, 1e herziening 2002" is aan het perceel de detailbestemming "Landschapselement" toegekend.

2.12.3. [appellant sub 10] en anderen hebben niet aangetoond dat de bewoning van [locatie 11] is aangevangen vóór het van kracht worden van het bestemmingsplan "Woonwagenstandplaats Castersedijk". Voorts stelt de Afdeling vast dat, gezien het inrichtingskaartje dat door [appellant sub 10] en anderen is overgelegd tijdens het onderzoek van de deskundige, de woonwagen [locatie 11] van [appellant sub 10] niet binnen het plandeel met de bestemming "Woonwagenplaatsen" in het bestemmingsplan "Woonwagenstandplaats Castersedijk" ligt. Nu de daaropvolgende plannen geen woonwagenstandplaatsen mogelijk maakten, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat wat betreft de woonwagen [locatie 11] geen sprake is van een legale woonwagenstandplaats. Dit betekent dat die woonwagen niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht valt. De raad was dan ook niet gehouden om voor deze woonwagen een regeling in het plan op te nemen. Dat het gemeentebestuur bereid is geweest om voor het verplaatsen van de woonwagen van [appellant sub 10] een vergoeding te betalen, doet hieraan niet af.

2.12.4. Niet in geschil is dat de woonwagen [locatie 12] van [belanghebbende] in het bestemmingsplan "Woonwagenstandplaats Castersedijk" als zodanig was bestemd. Nu op grond van de onderhavige bestemming de standplaats niet is toegestaan, is deze onder de beschermende werking van het overgangsrecht gebracht.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat [belanghebbende] niet voornemens is de woonwagen naar elders te verplaatsen. Nu de pogingen van het gemeentebestuur om verplaatsing te realiseren tot op heden vruchteloos zijn gebleven, acht de Afdeling de enkele omstandigheid dat het gemeentebestuur het wenselijk acht dat deze standplaats wordt gesaneerd en dat ten behoeve daarvan budget is gereserveerd voor een kostenvergoeding onvoldoende ter onderbouwing van de stelling dat die verplaatsing binnen de planperiode zal plaatsvinden en dat derhalve de aan het plandeel toegekende bestemming in zoverre zal worden gerealiseerd. Het bestreden besluit berust derhalve in zoverre niet op een voldoende draagkrachtige motivering.

2.12.5. Niet is in geschil dat het gebruik van het plandeel Castersedijk voor op- en overslag van metalen is aangevangen vóór het van kracht worden van het bestemmingsplan "Woonwagenstandplaats Castersedijk". Gelet hierop mocht dat gebruik ingevolge de gebruiksovergangsbepaling in artikel 9, onder B/C, van de planvoorschriften van dat plan worden voortgezet, nu illegaal gebruik daarvan niet was uitgezonderd. Gelet op artikel 41.2, onder a, gelezen in samenhang met artikel 41.2, onder d, van de regels van het voorliggende plan, zoals weergegeven onder 2.2.2., is in ieder geval het gebruik van het plandeel Castersedijk voor op- en overslag van metalen, zoals dat bestond ten tijde van de peildatum van het bestemmingsplan "Woonwagenstandplaats Castersedijk", met het huidige plan opnieuw onder de beschermende werking van het overgangsrecht gebracht. De raad heeft daar bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen rekening mee gehouden. Het bestreden besluit is in zoverre niet voorbereid met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt. Gelet hierop wordt aan het betoog van [appellant sub 10] en anderen gericht tegen het ontbreken van een bedrijfsbestemming voor het overige niet toegekomen.

2.12.6. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 10] en anderen hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" wat betreft het perceel [locatie 11]-[locatie 12] niet met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is genomen en niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 11]

2.13. Het beroep van [appellant sub 11] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" en de dubbelbestemming "Waarde-archeologie" wat betreft het perceel [locatie 13] te Hapert, gemeente Bladel, (hierna: plandeel De Stuw) en het plandeel met de bestemming "Agrarisch met Waarden- Natuur en Landschapswaarden" wat betreft het perceel De Pan ongenummerd, kadastraal bekend als sectie G 335 te Hapert, Gemeente Bladel (hierna: plandeel De Pan).

Hij betoogt dat aan het plandeel De Stuw ten onrechte geen bouwvlak is toegekend dat even groot is als het grootste bouwvlak dat in het plan bij een woonbestemming is toegekend. Daarnaast betoogt hij dat de raad niet zorgvuldig heeft gehandeld door een gedeelte van het plandeel De Stuw aan te merken als archeologisch monument. Voorts betoogt hij dat het gebruik van het plandeel De Pan voor opslag ten onrechte niet als zodanig is bestemd maar wederom onder het overgangsrecht is gebracht. In dit verband voert hij aan dat dit niet in overeenstemming is met de vaststellingsovereenkomst van 11 juli 2007 en een toezegging van de toenmalige wethouder van Ruimtelijke Ordening van 31 augustus 2006. Voorts heeft hij ter zitting in dit verband aangevoerd dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel wordt gehandeld, nu het terrein van de gemeentewerf wel gebruikt mag worden voor opslag. Ten slotte is volgens [appellant sub 11] ten onrechte geen bouwvlak toegekend aan een op het plandeel De Pan aanwezig gebouw dat met vergunning is gebouwd en in gebruik is als paardenstal.

2.13.1. De raad stelt dat bij het bepalen van de omvang van het bouwvlak op het plandeel De Stuw rekening is gehouden met de feitelijke omstandigheden en tot een bouwvlak van 1.500 m² is gekomen. De raad geeft aan dat op basis van de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart aan een gedeelte van het plandeel De Stuw de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" is toegekend.

De raad stelt ten behoeve van het gebruik van het plandeel De Pan voor opslag een gedoogbeschikking af te hebben gegeven op basis waarvan ter plaatse twee jaar lang opslag plaats mocht vinden terwijl ondertussen naar een structurele oplossing voor opslag op een andere locatie werd gezocht. Volgens de raad is ten aanzien van het niet toekennen van een bouwvlak aan het op het plandeel De Pan aanwezige gebouw dat in gebruik is als paardenstal sprake van voortzetting van bestaand beleid. De raad stelt te streven naar het saneren van dit soort gebouwen maar geeft aan zich nog te beraden over het gewenste beleid op dit punt. De raad wenst vooralsnog niet mee te werken aan uitbreiding en (ver)nieuwbouw.

2.13.2. Ingevolge artikel 6.1 aanhef, in samenhang gelezen met artikel 6.5, aanhef en onder f, van de planregels wordt voor op de verbeelding voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" aangewezen gronden in elk geval tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken gerekend het gebruik van opslag van goederen en materialen buiten het bouwvlak.

Ingevolge artikel 31, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Waarde - Archeologie" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

2.13.3. Over het betoog van [appellant sub 11] dat ten onrechte een bouwvlak van 1.500 m² aan het plandeel De Stuw is toegekend overweegt de Afdeling als volgt. Alle op het plandeel De Stuw aanwezige bebouwing valt binnen de begrenzing van het bouwvlak. [appellant sub 11] heeft niet aannemelijk gemaakt concrete uitbreidingsplannen voor zijn woning bij de raad bekend te hebben gemaakt waarmee bij de vaststelling van het plan rekening dienden te worden gehouden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad de omvang van het bouwvlak niet juist heeft vastgesteld.

Ten aanzien van de door [appellant sub 11] gemaakte vergelijking met het bouwvlak dat is toegekend aan het perceel Troprijt 4, heeft de raad ter zitting toegelicht dat aan dit perceel een groter bouwvlak is toegekend omdat de woning op het perceel Troprijt 4 een voormalige boerderij is die gebruikt wordt als woonboerderij en als zodanig op de verbeelding is aangeduid. In het voorheen geldende plan was deze woning ook aangeduid als woonboerderij en golden voor deze woning ruimere bebouwingsmogelijkheden. In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de situatie op het perceel Troprijt 4 niet overeenkomt met de situatie van [appellant sub 11]. Voorts heeft [appellant sub 11] niet aannemelijk gemaakt dat het toekennen van het grotere bouwvlak aan het perceel Troprijt 4 meer mogelijkheden biedt om het volume van de woning te vergroten. Het feit dat op de verbeelding de woonbestemming op het perceel Troprijt 4 buiten het bouwvlak doorloopt, geeft het perceel Troprijt 4 niet meer bebouwingsmogelijkheden dan het plandeel De Stuw.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten een bouwvlak van 1.500 m² aan het plandeel De Stuw toe te kennen.

2.13.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 11] dat het aanmerken van een gedeelte in het zuidwesten van het plandeel De Stuw als archeologisch monument niet zorgvuldig is, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 september 2010 in zaak nr. 200809200/1/R1, rust op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 38a van de Monumentenwet (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn.

2.13.5. Blijkens de plantoelichting en het verhandelde ter zitting is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" aan gronden in het plangebied toegekend op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart 2006 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de CHW). Uit de CHW volgt dat een gedeelte in het zuidwesten van het plandeel De Stuw een middelhoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde heeft. [appellant sub 11] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat de raad op grond van de CHW niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het toekennen van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" aan een deel van het plandeel De Stuw. Het feit dat aan de grond waarop de gemeentelijke begraafplaats is gelegen niet de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" is toegekend, zoals ter zitting door [appellant sub 11] is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

2.13.6. In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" en de dubbelbestemming "Waarde-archeologie" voor het perceel [locatie 13] te Hapert, gemeente Bladel, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.13.7. Het plandeel De Pan ligt in de Ecologische hoofdstructuur. Gelet hierop heeft de raad het gebruik voor opslag van het perceel in redelijkheid niet wenselijk kunnen achten. In de door [appellant sub 11] aangehaalde vaststellingsovereenkomst hebben het gemeentebestuur en [appellant sub 11] de inspanningsverplichting op zich genomen een alternatief terrein voor het gebruik voor opslag te zoeken. In de vaststellingsovereenkomst zijn geen concrete toezeggingen opgenomen namens de raad dat bij het voorliggende plan het gebruik voor opslag van het plandeel De Pan als zodanig zou worden bestemd. Voor zover [appellant sub 11] een beroep doet op de gedane toezeggingen van de voormalige wethouder Ruimtelijke Ordening, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze toezeggingen namens de raad zijn gedaan. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij de wethouder Ruimtelijke Ordening maar bij de raad. In het algemeen kunnen geen rechten worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. Het beroep van [appellant sub 11] op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar het terrein van de gemeentewerf, slaagt evenmin, nu aan het terrein onder het voorheen geldende bestemmingsplan de bestemming "rioolwaterzuiveringsinstallatie" was toegekend en door middel van een vrijstellingsprocedure in 2003 de vestiging van de gemeentewerf op dit terrein mogelijk is gemaakt. De bestemming "rioolwaterzuiveringsinstallatie" voorzag onder het voorheen geldende plan in opslagmogelijkheden op het terrein. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de situatie van het terrein van de gemeentewerf niet overeenkomt met de situatie van het plandeel De Pan.

2.13.8. Ter zitting heeft de raad onweersproken gesteld dat de ter plaatse aanwezige opslag niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het voorheen geldende plan en van het voorliggende plan valt. Nu de op 9 oktober 2009 voor twee jaar verleende gedoogbeschikking voor de ter plaatse aanwezige opslag is verlopen, was op de datum van de vaststelling van het bestemmingsplan sprake van een illegale situatie. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de illegale situatie zal worden beëindigd hetzij door verplaatsing van het bedrijf van [appellant sub 11] naar een andere locatie hetzij door handhavend optreden indien geen geschikte locatie wordt gevonden. Gelet hierop acht de Afdeling aannemelijk dat binnen de planperiode de situatie ter plaatse in overeenstemming zal worden gebracht met het plan.

2.13.9. Niet in geschil is dat het op het plandeel De Plan aanwezige gebouw, dat in gebruik is als paardenstal, met bouwvergunning is gebouwd. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dienen legale bouwwerken als zodanig in het plan te worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven, kan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien en kunnen de bouwwerken onder het overgangsrecht worden gebracht. Dan dient wel aannemelijk te zijn dat de bouwwerken binnen de planperiode verdwijnen. Met het overgangsrecht wordt immers beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen.

2.13.10. De Afdeling stelt vast dat het op het plandeel De Pan aanwezige gebouw met bouwvergunning is gebouwd. Dit betekent dat, tenzij aannemelijk is dat het gebouw binnen de planperiode verdwijnt, dit gebouw in beginsel dienovereenkomstig dient te worden bestemd. Het ter plaatse aanwezige gebouw is in het voorliggende plan echter niet als zodanig bestemd.

Uit de stukken en ter zitting is duidelijk geworden dat [appellant sub 11] niet voornemens is het ter plaatse aanwezige gebouw te verwijderen. Nu ter zitting is gebleken dat geen concreet zicht op sanering van het gebouw bestaat, is niet aannemelijk geworden dat het gebouw desondanks binnen de planperiode zal worden verwijderd. Het ter plaatse aanwezige gebouw is derhalve ten onrechte niet als zodanig bestemd.

2.13.11. In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met Waarden- Natuur en Landschapswaarden" wat betreft het perceel De Pan ongenummerd, kadastraal bekend als sectie G 335 te Hapert, gemeente Bladel. Gelet hierop behoeft hetgeen voor het overige door [appellant sub 11] is aangevoerd, geen bespreking meer.

De beroepen van [appellant sub 12], [appellant sub 15] en [appellant sub 16]

Aanduiding "intensieve veehouderij" [appellant sub 12] en [appellant sub 15]

2.14. Het beroep van [appellant sub 15] richt zich tegen de aanduiding "intensieve veehouderij" voor zijn perceel [locatie 14] te Hapert, gemeente Bladel. [appellant sub 15] stelt in dit verband dat hij weliswaar beschikt over een milieuvergunning voor het houden van varkens, maar dat zijn bedrijf in feite voornamelijk is gericht op rundvee.

2.14.1. Aan het perceel [locatie 14] is de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend.

Ingevolge artikel 1.60 van de planregels wordt onder intensieve veehouderij verstaan een bedrijf met een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering die is gericht op het houden van dieren, zoals rundveemesterij (met uitzondering van vetweiderij), varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier- of geitenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen.

Ingevolge artikel 3.1 zijn de op de verbeelding voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een agrarische bedrijfsuitoefening;

b. een grondgebonden agrarisch bedrijf;

c. ter plaatse van de aanduiding intensieve veehouderij, een intensieve veehouderij;

(…).

2.14.2. Niet in geschil is dat [appellant sub 15] beschikt over een milieuvergunning voor het houden van zowel varkens als runderen op het perceel [locatie 14]. Derhalve heeft de raad terecht de aanduiding "intensieve veehouderij" aan dit perceel toegekend.

2.15. Gelet op het verhandelde ter zitting begrijpt de Afdeling het beroep van [appellant sub 12] aldus dat dit mede is gericht tegen het ontbreken van de aanduiding "intensieve veehouderij" voor zijn perceel [locatie 15]-[locatie 16] te Bladel. Nu de raad heeft erkend dat bij vergissing de aanduiding "intensieve veehouderij" voor dit perceel ontbreekt en zich aldus op een ander standpunt stelt dan bij het nemen van het besluit zonder dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, slaagt het betoog.

Omvang bouwvlakken

2.16. [appellant sub 16], die een intensieve veehouderij exploiteert aan [locatie 17] te Netersel, gemeente Bladel alsmede [appellant sub 12] en [appellant sub 15] betogen dat de bestaande bouwvlakken van hun veehouderijen van 1,5 hectare in het voorliggende plan ten onrechte zijn verkleind. [appellant sub 16] en [appellant sub 12] stellen dat dit in strijd is met het reconstructieplan Beerze-Reusel van de provincie Noord-Brabant (hierna: het reconstructieplan). [appellant sub 16] en [appellant sub 15] voeren verder aan dat zij de uitbreidingsmogelijkheden die het voorheen geldende plan hen bood nodig hebben om te kunnen voldoen aan de aanstaande verscherpte eisen op het gebied van milieu en dierenwelzijn. [appellant sub 16] voert in dit verband aan dat hij reeds beschikt over een milieuvergunning voor het uitbreiden van het aantal dieren op zijn bedrijf. [appellant sub 15] voert tevens aan dat, voor zover het plan hem toestaat de bestaande bebouwing met vijftien procent van de oppervlakte uit te breiden, hij hiervan geen gebruik kan maken, omdat een deel van het bouwvlak volgens de planregels niet bebouwd mag worden.

2.16.1. De raad heeft ter zitting uiteengezet dat de in het ontwerpplan opgenomen uitbreidingsmogelijkheden van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebieden, waaronder die van [appellant sub 16], [appellant sub 12] en [appellant sub 15], naar aanleiding van de zienswijze van het college van gedeputeerde staten zijn heroverwogen. De raad onderschrijft het doel van het reconstructiebeleid van de provincie om een afw[maat A]e beweging van de intensieve veehouderij uit de extensiveringsgebieden te bereiken. De raad is van mening dat met het oog op dat doel het ontwerpplan bij nader inzien teveel uitbreidingsmogelijkheden bood door bij elke intensieve veehouderij in een extensiveringsgebied 1,5 hectare aan bebouwing toe te staan, ongeacht de omvang van de bestaande bebouwing. Om deze reden heeft de raad het plan gewijzigd vastgesteld in die zin dat de maximaal toegelaten oppervlakte aan bebouwing is teruggebracht tot de oppervlakte van de bestaande bebouwing vermeerderd met vijftien procent. De raad acht een uitbreiding van vijftien procent voldoende om aan de toekomstige dierenwelzijnseisen te kunnen voldoen.

2.16.2. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan beleid van de provincie dat is opgenomen in structuurvisies of in andere beleidsdocumenten. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

2.16.3. Niet in geschil is dat [appellant sub 16] en [appellant sub 12] intensieve veehouderijen exploiteren in een extensiveringsgebied. Ook op het perceel van [appellant sub 15], dat in extensiveringsgebied is gelegen, is een intensieve veehouderij toegelaten.

Voorts is niet in geschil is dat [appellant sub 16], [appellant sub 12] en [appellant sub 15] niet beschikken over omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen waaraan zij het recht kunnen ontlenen de bebouwing ten behoeve van hun veehouderijen uit te breiden.

2.16.4. In het reconstructieplan staat dat het uiteindelijke doel van de integrale zonering, waaronder wordt verstaan de indeling van het reconstructiegebied in landbouwontwikkelingsgebieden, extensiveringsgebieden en verwevingsgebieden, is het bereiken van een afw[maat A]e beweging van de intensieve veehouderij uit de extensiveringsgebieden en het bieden van ruimte aan verplaatsers in de daarvoor geschikte gebieden.

In paragraaf 11.6.1 van het reconstructieplan, zoals dat luidt na de inwerkingtreding van de correctieve herziening op 9 september 2008, staat dat in extensiveringsgebieden de volgende beleidsuitgangspunten worden gehanteerd, behoudens voor zover er overwegende bezwaren bestaan vanuit ruimtelijke, landschappelijke, maatschappelijke en/of milieuhygiënische optiek:

"1. Uitbreiding, hervestiging en nieuwvestiging van een intensieve veehouderij is op grond van de Reconstructiewet in extensiveringsgebieden niet toegestaan;

2. In extensiveringsgebieden is omschakeling naar een vorm van intensieve veehouderij niet toegestaan;

3. Vormverandering van een bouwkavel voor de intensieve veehouderij wordt in het kader van dit Reconstructieplan aangemerkt als uitbreiding en is niet toegestaan.

Aan bestaande intensieve veehouderijen wordt een "bouwblok op maat" toegekend. Het vertrekpunt hierbij is het respecteren van in bestemmingplannen toegekende bouwrechten. De volgende uitgangspunten worden hierbij in acht genomen:

1. Bouwrechten in bestemmingsplannen die gebaseerd zijn op het Streekplan 1992 en 2002 worden gerespecteerd en zijn vervat in een daarop gebaseerd bouwblok;

(…).

Uitbreiding van bouwblokken is toegestaan om te kunnen voldoen aan de door de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de daarop gebaseerde besluiten gestelde huisvestingseisen. Dit geldt enkel voor die diercategorie die ten tijde van de inwerkingtreding van dit Reconstructieplan in een bestaande intensieve veehouderij wordt gehouden."

In het reconstructieplan staat verder dat de aangehaalde beleidsuitgangspunten niet rechtstreeks planologisch doorwerken op grond van artikel 27 van de Reconstructiewet concentratiegebieden.

2.16.5. In zijn zienswijze over het ontwerp van het plan heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aangegeven dat in extensiveringsgebieden uitbreiding van intensieve veehouderijen niet is toegelaten. Volgens het college zijn in het geldende plan verbale bouwblokken opgenomen met een maximale omvang van 1,5 hectare, maar kunnen hieraan, voor zover deze mogelijkheden niet zijn benut, geen rechten worden ontleend. In deze gevallen dient volgens het college uitgegaan te worden van het "bouwblok op maat"-principe zoals opgenomen in het reconstructieplan. Op een aantal locaties binnen extensiveringsgebieden wordt volgens het college ten onrechte meer dan vijftien procent uitbreidingsruimte geboden. Het ontwerp dient met inachtneming van de zienswijze aangepast te worden, aldus het college.

2.16.6. De Afdeling acht het niet onredelijk dat de raad zich naar aanleiding van de zienswijze van het college van gedeputeerde staten op het standpunt heeft gesteld dat het ontwerpplan, voor zover dat was gebaseerd op het vorige bestemmingsplan, gelet op het doel van het provinciale reconstructiebeleid, teveel uitbreidingsmogelijkheden bood aan de intensieve veehouderijen van [appellant sub 16], [appellant sub 12] en [appellant sub 15]. Hierbij is van belang dat, anders dan [appellant sub 16] en [appellant sub 12] betogen, uit het reconstructieplan niet volgt dat zij zonder meer aanspraak kunnen maken op de uitbreidingsmogelijkheden die waren opgenomen in het vorige bestemmingsplan. In het reconstructieplan staat immers dat het beleidsuitgangspunt dat in het vorige plan opgenomen bouwrechten worden gerespecteerd in het opvolgende plan niet wordt gehanteerd indien er overwegende bezwaren bestaan vanuit ruimtelijke-, landschappelijke-, maatschappelijke- en/of milieuhygiënische optiek. Gelet hierop was het voor [appellant sub 16], [appellant sub 12] en [appellant sub 15] voorzienbaar dat het niet-gebruiken van de uitbreidingsmogelijkheden van het vorige bestemmingsplan tot gevolg kon hebben dat zij deze mogelijkheden zouden kwijtraken.

2.16.7. De Afdeling acht voorts het uitgangspunt van de raad om de maximaal toegelaten bebouwingsoppervlakte van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebieden vast te stellen op de oppervlakte van de bestaande bebouwing vermeerderd met vijftien procent niet onredelijk. [appellant sub 16] en [appellant sub 15] hebben niet aannemelijk gemaakt dat een uitbreidingsmogelijkheid van vijftien procent van de oppervlakte van de bestaande bebouwing onvoldoende is om te kunnen voldoen aan eisen op het gebied van milieu en dierenwelzijn. Gelet op het verhandelde ter zitting heeft de raad met betrekking tot het perceel van [appellant sub 15] aannemelijk gemaakt dat tussen de bestaande stallen en de woning ruimte bestaat om de bebouwing met vijftien procent uit te breiden, zodat geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat, zoals [appellant sub 15] stelt, de vijftien procent uitbreiding hem in feite niet ter beschikking staat. Voor zover [appellant sub 16] erop wijst dat hij beschikt over een milieuvergunning voor het uitbreiden van zijn bedrijf, overweegt de Afdeling dat hij aan deze vergunning niet het recht ontleent de bestaande bebouwing met meer dan vijftien procent van de oppervlakte uit te breiden, zodat de raad in deze milieuvergunning geen aanleiding heeft hoeven te zien om aan [appellant sub 16] meer dan vijftien procent uitbreiding van de bestaande bebouwing toe te staan.

2.16.8. Gelet op het voorgaande is in hetgeen [appellant sub 16], [appellant sub 12] en [appellant sub 15] hebben aangevoerd geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat de raad rekening houdend met het beleid van de provincie bij de bepaling van de omvang van de bouwvlakken niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van het realiseren van het doel van het reconstructiebeleid dan aan het belang van [appellant sub 16], [appellant sub 12] en [appellant sub 15] bij uitbreiding van hun bedrijven.

2.17. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan heeft vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, voor zover het betreft het plandeel "Agrarisch" voor het perceel [locatie 15]-[locatie 16] te Bladel. Het beroep van [appellant sub 12] is in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door middel van het toekennen van de aanduiding "intensieve veehouderij" aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 15]-[locatie 16] te Bladel en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd. De Afdeling acht niet aannemelijk dat derde-belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad, nu sprake is van een bestaande in het voorheen geldende bestemmingsplan als zodanig bestemde intensieve veehouderij en niet is voorzien in uitbreidingsmogelijkheden ten opzichte van het vorige planologische regime. Het beroep van [appellant sub 12] is voor het overige ongegrond.

2.18. In hetgeen [appellant sub 16] en [appellant sub 15] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "intensieve veehouderij" voor de percelen [locatie 17] te Netersel, onderscheidenlijk [locatie 14] te Hapert strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 16] en [appellant sub 15] zijn ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 13]

2.19. [appellant sub 13] richt zich in beroep tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "intensieve veehouderij" voor zijn perceel [locatie 18]-[locatie 19] te Bladel. Hij betoogt dat het bouwvlak van zijn varkenshouderij onjuist is vormgegeven. Hiertoe voert hij aan dat het bouwvlak breder is gemaakt zodat het de vergunde vleesvarkensstal en sleufsilo omvat. Dit gaat volgens hem echter ten koste van een deel van het bouwvlak ten zuiden van de huidige stallen. Hierdoor kan hij deze stallen niet meer vergroten om te kunnen voldoen aan strengere dierenwelzijnseisen. [appellant sub 13] vindt dat de aanpassing van het bouwblok ongedaan gemaakt moet worden en heeft aangegeven dat de vergunde sleufsilo desnoods op een andere plaats kan worden gerealiseerd.

2.19.1. De raad stelt dat het plan in overeenstemming is met de vergunde situatie en dat het vergroten van het bouwvlak van de intensieve veehouderij van [appellant sub 13] pas mogelijk is nadat onderzoek is gedaan naar de ruimtelijke gevolgen daarvan.

2.19.2. Niet in geschil is dat het bouwvlak zodanig is vormgegeven dat het de bestaande bebouwing en de vergunde vleesvarkensstal en sleufsilo omvat. In zoverre stelt de raad terecht dat het plan in overeenstemming is met de vergunde situatie. De raad is er echter ten onrechte aan voorbij gegaan dat [appellant sub 13] in zijn zienswijze over het ontwerpplan heeft aangegeven dat hij bereid is de vergunde sleufsilo op een andere plaats te realiseren. De raad heeft niet gemotiveerd waarom de door [appellant sub 13] gewenste vorm van het bouwvlak, met een andere plaats voor de sleufsilo, niet aanvaardbaar is. Het betoog slaagt.

2.20. Voorts betoogt [appellant sub 13] dat aan zijn gronden ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat deze dubbelbestemming zijn bouw- en gebruiksmogelijkheden beperkt, terwijl niet is onderzocht of in zijn gronden archeologische waarden aanwezig zijn en dat zulks ook niet valt te verwachten vanwege de gerealiseerde bebouwing.

2.20.1. In de plantoelichting staat dat de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" is toegekend op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Het deel van de gronden van [appellant sub 13] dat niet is bebouwd, is volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart een archeologisch monument, omdat dit behoort tot een terrein met sporen van bewoning uit de ijzertijd en/of de Romeinse tijd, alsook de vroege en late middeleeuwen. Voorts staat in de Cultuurhistorische Waardenkaart dat de beschikbare Archis-gegevens, bestaande uit waarnemingen zowel binnen als direct buiten het monument, aanleiding gaven tot een opwaardering tot de huidige status, mede omdat er ten dele sprake is van een esdek. Het bebouwde deel van de gronden heeft volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart hoge of middelhoge indicatieve archeologische waarden.

2.20.2. Het plan is conserverend van aard en voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen op de gronden van [appellant sub 13]. Volgens het deskundigenbericht levert de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" geen beperkingen op voor de dagelijkse bedrijfsvoering van [appellant sub 13]. [appellant sub 13] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze bevinding onjuist is. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" aan de gronden van [appellant sub 13] heeft kunnen toekennen.

2.21. [appellant sub 13] stelt dat aan een deel van zijn gronden ten onrechte de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" en niet de bestemming "Agrarisch" is toegekend.

2.21.1. De raad stelt dat geen goede reden bestaat voor het aan een deel van het perceel van [appellant sub 13] toekennen van de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" in plaats van de bestemming "Agrarisch". Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet aannemelijk is gemaakt dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, slaagt het betoog.

2.22. [appellant sub 13] voert aan dat aan zijn gronden ten onrechte de aanduiding "beschermingszone natte natuur" is toegekend. Hij stelt dat zijn gronden droog zijn, omdat deze één meter hoger liggen dan de gronden van de buren. Voorts stelt [appellant sub 13] dat de sloot achter zijn gronden veelal droog staat. [appellant sub 13] vreest als gevolg van de aanduiding te worden belemmerd in zijn bedrijfsvoering.

2.22.1. De raad stelt dat het gebied met de aanduiding "beschermingszone natte natuur" een bufferzone is rond natte natuurgebieden die kwetsbaar zijn voor verdroging. Binnen deze bufferzone wenst de raad ruimtelijke ingrepen te kunnen toetsen op hydrologische effecten. Om deze reden geldt binnen de zone een aanlegvergunningenstelsel. Dat de gronden van [appellant sub 13] droog zijn, is volgens de raad niet van belang.

2.22.2. Voor de gronden van [appellant sub 13] geldt ter plaatse van de aanduiding "beschermingszone natte natuur" een aanlegvergunningstelsel. In het deskundigenverslag staat dat, gelet op de bedrijfsvorm van [appellant sub 13] en de relatief hoge ligging van zijn gronden, niet is te verwachten dat vergunningplichtige activiteiten dikwijls of op grote schaal nodig zijn en dat de aanduiding geen grote beperkingen oplevert voor zijn bedrijfsvoering. [appellant sub 13] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze bevindingen onjuist zijn. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de aanduiding "beschermingszone natte natuur" aan de gronden van [appellant sub 13] heeft kunnen toekennen.

2.23. [appellant sub 13] stelt dat aan zijn gronden en aan gronden in zijn directe omgeving de aanduiding "intensief recreatief gebied" is toegekend, maar dat recreatie in het gebied zich niet verdraagt met de intensieve veehouderij.

2.23.1. De raad stelt dat de aanduiding "intensief recreatief gebied" slechts van belang is voor het toepassen van wijzigingsbevoegdheden in het plan en als zodanig recreatief gebruik niet toestaat. De raad wijst erop dat pas sprake kan zijn van omzetting van agrarisch naar recreatief gebruik als de agrarische bedrijfsvoering in de omgeving niet wordt beperkt.

2.23.2. Aan de gronden van [appellant sub 13] en de gronden in zijn directe omgeving zijn de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" toegekend met, voor zover hier van belang, de aanduiding "intensief recreatief gebied".

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder o, onderscheidenlijk artikel 6.1, onder u, van de planregels zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "intensief recreatief gebied" bestemd voor een intensief recreatief gebied.

Ingevolge artikel 3.2, onderscheidenlijk 6.2, voor zover hier van belang, mogen gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en parkeervoorzieningen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht.

2.23.3. Uit artikel 3.1, aanhef en onder o, artikel 3.2, artikel 6.1, onder u, en artikel 6.2 van de planregels volgt, anders dan de raad stelt, dat de gronden waaraan de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch - Natuur- en landschapswaarden" met de aanduiding "intensief recreatief gebied" zijn toegekend, mogen worden gebruikt en, voor zover voorzien van een bouwvlak, bebouwd ten behoeve van een intensief recreatief gebied. Aldus is niet uitgesloten dat [appellant sub 13] in zijn bedrijfsvoering kan worden beperkt door recreatief gebruik van de gronden in zijn omgeving. De raad heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt.

2.24. In hetgeen [appellant sub 13] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch" met de aanduiding "intensieve veehouderij" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" voor het perceel [locatie 18]-[locatie 19] te Bladel. De Afdeling ziet tevens aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid voor zover daarbij de aanduiding "intensief recreatief gebied" is toegekend aan de gronden te Bladel die worden begrensd door, en met inbegrip van, aan de noordzijde de Rondweg, aan de oostzijde De Uitgang, aan de westzijde de Bredasebaan en aan de zuidzijde Klein Terkooijen. Het beroep van [appellant sub 13] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 14]

2.25. [appellant sub 14] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "intensieve veehouderij" wat betreft het perceel ten zuidoosten van Rond Deel 22, thans bekend als Rond Deel 20 (hierna: plandeel Rond Deel 20) te Bladel, alsmede tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "intensieve veehouderij" wat betreft het perceel Rond Deel 22 (hierna: plandeel Rond Deel 22).

Zij voert aan dat door de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden op het plandeel Rond Deel 20 haar uitzicht wordt aangetast en de leefbaarheid afneemt door stank en verkeershinder. Zij stelt dat op het plandeel Rond Deel 20 nooit een bedrijf is gevestigd en dat er geen bouwactiviteiten plaatsvinden.

Daarnaast voert zij aan dat zij door de verschuiving van het bouwvlak op het plandeel Rond Deel 22 richting haar woning op het perceel [locatie 20] meer overlast zal ondervinden van de ter plaatse vergunde intensieve veehouderij. Zo stelt zij dat het bouwvlak niet in overeenstemming is met de reeds vergunde gebouwen waardoor de bebouwingsmogelijkheden op het plandeel worden vergroot.

2.25.1. De raad stelt dat het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 1998" voor het plandeel Rond Deel 20 reeds voorzag in de mogelijkheid een intensieve veehouderij te realiseren en dat deze mogelijkheid in het voorliggende plan is overgenomen.

De raad stelt verder dat slechts sprake is van een kleine verschuiving van het bouwvlak op het plandeel Rond Deel 22 en dat de afstand tot [locatie 20] ongeveer 200 meter is. Nu de woning op [locatie 20] een bedrijfswoning is, acht de raad deze afstand aanvaardbaar.

2.25.2. Aan het plandeel Rond Deel 20 is in het voorheen geldende plan "Buitengebied 1998" de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" en de detailbestemming "Agrarische bedrijven" met de aanduiding "begrensd bouwblok" toegekend. De gronden met de bestemming "Agrarische bedrijven" zijn in dat plan, voor zover van belang, bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden ten behoeve van de uitoefening van een agrarisch bedrijf met dien verstande dat intensieve veehouderij is uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij niet toegestaan". Een dergelijke aanduiding rustte in het voorheen geldende plan niet op het perceel. Gelet hierop was op grond van het voorheen geldende plan realisering van een intensieve veehouderij op het plandeel Rond Deel 20 toegestaan.

In het voorliggende plan zijn met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "intensieve veehouderij" op Rond Deel 20 de mogelijkheden uit het voorheen geldende plan overgenomen. Het "begrensd bouwblok" is in het voorliggende plan overgenomen als bouwvlak.

2.25.3. De Afdeling acht het uitgangspunt van het plan om bij het leggen van bestemmingen uit te gaan van de bestaande planologische situatie niet onredelijk. De raad heeft dan ook in redelijkheid zwaarwegend kunnen achten dat in het voorheen geldende plan al een intensieve veehouderij op de deze locatie kon worden gevestigd.

Niet betwist is dat in oktober 2009 bouwvergunning is verleend voor de bouw van een loods en in januari 2010 voor de bouw van een palingkwekerij op het plandeel Rond Deel 20. De raad dient bij het vaststellen van een bestemmingsplan in beginsel rekening te houden met bouwvergunningen. De raad heeft ter zitting verklaard dat ten tijde van de vaststelling en ook recentelijk door de initiatiefnemer is aangegeven dat gebruik zal worden gemaakt van de verleende bouwvergunningen. Gelet hierop heeft de raad dan ook terecht met deze vergunningen rekening gehouden. Door de vestiging van een bedrijf ter plaatse en het oprichten van nieuwe bebouwing verandert de leefomgeving van [appellant sub 14], zij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat daardoor bij haar woning geen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.25.4. In hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "intensieve veehouderij" wat betreft het perceel Rond Deel 20 strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 14] is in zoverre ongegrond.

2.25.5. Het bouwvlak op Rond Deel 22 komt met de vaststelling van het plan op 215 meter van de woning van [appellant sub 14] te liggen. Dit is 15 meter dichterbij dan in het voorheen geldende plan. De grootte van het bouwvlak is niet veranderd.

Op 16 mei 2000 is een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een onderhoudsloods op het perceel Rond Deel 22. Op 12 juli 2000 is bouwvergunning verleend voor een machineberging en aardappelloods op Rond Deel 22. De locatie van de vergunde loodsen ligt gedeeltelijk buiten het bouwvlak op het plandeel Rond Deel 22.

2.25.6. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verschuiving van het bouwvlak ten opzichte van het voorheen geldende plan, gelet op de afstand tot [locatie 20] en het feit dat de woning een bedrijfswoning is, in beginsel geen zodanige invloed op de leefomgeving van [appellant sub 14] tot gevolg heeft dat de raad het bouwvlak om die reden niet kon vaststellen. De Afdeling stelt echter vast dat door de verschuiving van het bouwvlak de hiervoor vermelde, reeds vergunde bebouwing deels buiten dat bouwvlak komt te staan. Hierdoor is binnen het bouwvlak nog ruimte beschikbaar voor het oprichten van extra bebouwing. Niet is gebleken dat de raad bij de vaststelling van het plan daar rekening mee heeft gehouden.

2.25.7. In hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch"en de aanduiding "intensieve veehouderij" wat betreft het perceel Rond Deel 22 is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 17]

2.26. [appellant sub 17] betoogt dat de tot woning verbouwde garage op het perceel [locatie 21] te Casteren, gemeente Bladel, ten onrechte niet als tweede bedrijfswoning is bestemd. In dit verband wijst hij erop dat op 17 maart 1981 een bouwvergunning is verleend voor het verbouwen van de garage tot tijdelijke woning voor van zijn vader, een rustende boer. Hij voert aan dat deze vergunning, hoewel verleend ten behoeve van een tijdelijke oplossing, definitief is en derhalve onherroepelijk. Daarnaast voert hij aan dat sinds het overlijden van zijn vader op 15 maart 1985 de bedrijfswoning ononderbroken is bewoond. Hij wijst erop dat de gemeente bekend is met deze situatie en hier nimmer tegen heeft opgetreden. Voorts voert hij aan dat gelet op de uitbreiding van zijn melkveehouderij een tweede bedrijfswoning gerechtvaardigd is. Onder deze omstandigheden mag volgens hem deze bedrijfswoning niet opnieuw onder het overgangsrecht worden gebracht.

2.26.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu de woning niet meer - zoals destijds schriftelijk is overeengekomen - bewoond wordt door de rustende boer, het gebruik als woning dient te worden beëindigd. Volgens de raad heeft [appellant sub 17] geen redenen gegeven die nopen tot wijziging van dit standpunt.

2.26.2. Ingevolge artikel 5.1, aanhef, in samenhang gelezen met artikel 5.2.3, onder a, van de planregels is op de voor "Agrarisch met waarden- Landschapswaarden" aangewezen gronden één bedrijfswoning toegestaan, tenzij op de verbeelding is aangeduid dat het aantal wooneenheden "0" of "2" bedraagt.

2.26.3. Op 17 maart 1981 is vergunning verleend voor het verbouwen van de garage tot tijdelijke woning. De vader van [appellant sub 17] heeft in maart 1981 schriftelijk verklaard dat geen tijdelijke bewoning van de bedoelde ruimte meer zal plaatsvinden, zodra de bewoning daarvan door hem en/of zijn echtgenote wordt beëindigd. Op 15 maart 1985 is het gebruik van de garage als woning in dit kader gestaakt. Niet weersproken is dat de voormalige garage vanaf dat moment ononderbroken is bewoond.

2.26.4. Gelet op het gemeentelijke en provinciale beleid dat gericht is op het tegengaan van verstening van het buitengebied, heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten de tot woning verbouwde garage van [appellant sub 17] niet als tweede bedrijfswoning te bestemmen. [appellant sub 17] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een tweede bedrijfswoning noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering van zijn melkveehouderij en varkenshouderi[appellant sub 17] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de voormalige garage als bedrijfswoning onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het vorige plan viel. De in de vergunning toegestane tijdelijkheid van de bewoning van de voormalige garage is in de bij de vergunning behorende schriftelijke verklaring van de vader van [appellant sub 17] tot uitdrukking gebracht. Uit de omstandigheid dat niet is opgetreden tegen het gebruik van de voormalige garage als woning door anderen na het overlijden van de vader van [appellant sub 17], volgt niet dat aan het plandeel een tweede bedrijfswoning dient te worden toegekend. In beginsel doet gebruik in strijd met een geldende bestemming geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen ontstaan.

2.26.5. In hetgeen [appellant sub 17] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden- Landschapswaarden", wat betreft het perceel [locatie 21] te Casteren, gemeente Bladel, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

De beroepen van [maat A] en [appellante sub 20]

2.27. [maat A] en [appellante sub 20] richten zich in beroep tegen de plandelen met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "intensieve veehouderij" voor hun varkenshouderijen aan [locatie 22] onderscheidenlijk [locatie 23] te Bladel. Zij voeren aan dat de raad bij de vormgeving van de bouwvlakken ten onrechte geen rekening heeft gehouden met vergunde en deels reeds gerealiseerde uitbreidingen.

2.27.1. De raad stelt dat het plan een conserverend karakter heeft en dat een planologische regeling van de door [maat A] en [appellante sub 20] bedoelde ontwikkelingen pas mogelijk is nadat een beoordeling is gemaakt van de mogelijke planologische bezwaren. In dit verband wijst de raad erop dat de bedrijven zijn gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied en dat het ontwikkelingsplan voor dit gebied nog niet is voltooid.

2.27.2. Niet in geschil is dat [maat A] beschikt over bouwvergunningen voor het vergroten van een kraamzeugenstal, het vergroten van een andere stal en het bouwen van een loods. Verder is niet in geschil dat de luchtwasser op de bestaande stal van [maat A] buiten het bouwvlak valt.

Voorts is niet in geschil dat voor de vleesvarkensstal van [appellante sub 20] bouwvergunning eerste fase is verleend. De raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bouwvergunning tweede fase niet verleend kan worden.

2.27.3. De raad dient bij het vaststellen van een bestemmingsplan in beginsel rekening te houden met bouwvergunningen. Nu de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat geen gebruik zal worden gemaakt van de aan [maat A] en [appellante sub 20] verleende bouwvergunningen is hij daar ten onrechte aan voorbij gegaan. Dat, zoals de raad stelt, nog geen ontwikkelingsplan is opgesteld, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze omstandigheid in de weg staat aan het oprichten van de vergunde bebouwing. Bovendien is, anders dan de raad kennelijk veronderstelt, ten aanzien van een aanvraag voor de bouwvergunning tweede fase voor de vleesvarkensstal van [appellante sub 20], gelet op artikel 56a, tweede en derde lid, van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 1.3, eerste lid, van de Invoeringswet Wabo, een planologische beoordeling niet meer aan de orde.

2.27.4. In hetgeen [maat A] en [appellante sub 20] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "intensieve veehouderij" voor de percelen [locatie 22] en [locatie 23] te Bladel. De beroepen van [maat A] en [appellante sub 20] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het beroep van [appellant sub 19]

2.28. [appellant sub 19] richt zich in beroep tegen de vaststelling van de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch" en "Wonen" voor zijn perceel [locatie 24] te Netersel, gemeente Bladel. Hij betoogt dat het bouwvlak naar aanleiding van zijn zienswijze weliswaar is vergroot tot 1.500 m2, maar dat het ten onrechte vanaf de weg is ingetekend en niet vanaf de woning. Volgens [appellant sub 19] mag het deel van het bouwvlak vanaf de weg tot aan de woning niet worden bebouwd en betekent dit een achteruitgang ten opzichte van het vorige plan. [appellant sub 19] wijst erop dat het bouwvlak van de overburen wel vanaf de woning is ingetekend.

2.28.1. De raad heeft ter zitting uiteengezet dat het zoveel mogelijk concentreren van de bebouwing het uitgangspunt is voor de vormgeving van de bouwvlakken in het voorliggende plan. De raad is van mening dat een andere vorm van het bouwvlak van [appellant sub 19] met dezelfde grootte om deze reden niet mogelijk is. Bovendien zou, indien het bouwvlak vanaf de woning ingetekend wordt, bestaande bebouwing worden doorsneden. Verder heeft de raad ter zitting gemeld dat ook het vorige plan niet toestond dat op een afstand van 18 meter van de weg werd gebouwd. Ten slotte heeft de raad erop gewezen dat andere woningen in de omgeving van [appellant sub 19] verder van de weg zijn gelegen.

2.28.2. In het voorheen geldende plan "Buitengebied Bladel 1998, 1e herziening 2002" is aan de gronden van [appellant sub 19] de bestemming "Woningen" toegekend met een verbaal bouwblok van 1.500 m2. Uit de planvoorschriften volgt dat de minimale afstand van gebouwen tot de weg 18 meter bedraagt.

2.28.3. In het voorliggende plan is aan de gronden van [appellant sub 19] aan de noord- en zuidzijde de bestemming "Agrarisch" toegekend. Aan het plandeel daartussen is de bestemming "Wonen" met bouwvlak toegekend. Het bouwvlak grenst aan de oostzijde aan De Muilen en aan de westzijde aan de gronden van de buren. Uit de planregels volgt dat de minimale afstand van de woning en bijgebouwen tot de as van de weg 18 meter bedraagt.

2.28.4. Niet in geschil is dat het bouwvlak van [appellant sub 19] 1.500 m2 groot is en dat het plan in zoverre niet afwijkt van het voorheen geldende plan. Het voorliggende plan verschilt eveneens niet van het voorheen geldende plan voor zover het niet is toegelaten om binnen een zone van 18 meter van de weg een woning en bijgebouwen op te richten. Het bouwvlak is in het voorliggende plan echter begrensd en in het voorheen geldende plan niet.

De Afdeling acht het uitgangspunt van de raad om bouwvlakken zodanig vorm te geven dat bebouwing zoveel mogelijk wordt geconcentreerd niet onredelijk. Voorts is van belang dat de raad onweersproken uiteen heeft gezet dat, indien het bouwvlak vanaf de woning van [appellant sub 19] wordt ingetekend, dit tot gevolg heeft dat bestaande bebouwing doorsneden wordt. Tevens heeft de raad onweersproken uiteengezet dat de woningen in de omgeving van [appellant sub 19] verder van de weg zijn gelegen, zodat van gelijke gevallen geen sprake is. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat de raad in redelijkheid niet de plandelen "Agrarisch" en "Wonen" voor het perceel [locatie 24] te Netersel heeft kunnen vaststellen.

2.28.5. In hetgeen [appellant sub 19] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen "Agrarisch" en "Wonen" voor het perceel [locatie 24] te Netersel strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 19] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 21]

2.29. [appellant sub 21] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "recreatiewoning" wat betreft het perceel [locatie 25] te Bladel (hierna: plandeel Bredaseweg). Hij betoogt dat aan het plandeel Bredaseweg ten onrechte geen woonbestemming is toegekend terwijl de woning op het plandeel al veertig jaar permanent wordt bewoond en hiertegen niet is opgetreden. Gelet op een groot aantal percelen met een woonbestemming in de directe nabijheid acht hij een woonbestemming passend. [appellant sub 21] wijst verder op een voormalige recreatiewoning op het perceel Egypte 2 te Bladel waaraan wel een woonbestemming is toegekend.

2.29.1. De raad stelt dat het beleid geen nieuwe woningen in het buitengebied toestaat. Op grond van gelijkluidend beleid is ook in voorgaande plannen een woonbestemming geweigerd voor de woning.

2.29.2. [appellant sub 21] heeft het perceel [locatie 25] in 1989 aangekocht. [appellant sub 21] woont sindsdien permanent in de woning. Hiervoor is een persoonsgebonden gedoogbeschikking verleend.

In het voorheen geldende bestemmingsplan is aan het plandeel Bredaseweg de bestemming "Woningen" met de aanduiding "recreatiewoning" toegekend.

De Afdeling heeft in uitspraken over voorgaande bestemmingsplannen beroepen tegen de weigering de recreatiewoning als woning te bestemmen ongegrond verklaard (uitspraak van 15 juni 2001 in zaak nr. 199901718/1 (Gst. 2001, 7151, 6) en uitspraak van 15 oktober 2008, in zaak nr. 200800719/1)).

In de plantoelichting is vermeld dat bestaande woningen als zodanig moeten worden bestemd en dat voorwaarden kunnen worden gesteld over nieuwbouw en uitbreiding van bestaande woningen om verstening van het buitengebied tegen te gaan. Nieuwe burgerwoningen zijn niet toegestaan, met uitzondering van de nieuwe woningen in het kader van de Ruimte-voor-Ruimteregeling.

2.29.3. Het toekennen van een woonbestemming aan het plandeel Bredaseweg is in strijd met het voormelde gemeentelijke beleid dat is gericht op het tegengaan van verdere verstening van het buitengebied. Het enkele feit dat in de omgeving woonbebouwing aanwezig is, heeft de raad in redelijkheid onvoldoende kunnen achten om af te wijken van dat beleid.

Ook de omstandigheid dat [appellant sub 21] de woning sinds 1989 permanent bewoont en dat handhavend optreden door het gemeentebestuur zal uitblijven, acht de Afdeling ontoereikend voor het oordeel dat in afwijking van het beleid een op permanent woongebruik toegesneden bestemming aan het plandeel had moeten worden toegekend.

De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in de weg staat aan modernisering en aanpassing van de recreatiewoning en slechts de grootte van de woning maximaliseert. De raad heeft in dit verband geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen aan de omstandigheid dat, zoals door [appellant sub 21] wordt gesteld, door het ontbreken van een permanente woonbestemming hij niet in staat is om voldoende financiële middelen te verkrijgen om de bestaande recreatiewoning te moderniseren.

Ten aanzien van de door [appellant sub 21] gemaakte vergelijking met de woning Egypte 2 stelt de raad zich op het standpunt dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie. Ingevolge het uitwerkingsplan stedelijke regio Zuid-Oost Brabant ligt Egypte 2 binnen stedelijk gebied en bovendien is deze woning reeds in het voorheen geldende plan als burgerbewoning bestemd. In hetgeen [appellant sub 21] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de situatie van [appellant sub 21] niet overeenkomt met de situatie aan Egypte 2.

De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling dan ook na afweging van alle belangen in redelijkheid aan het plandeel Bredaseweg de bestemming "Recreatie" met de aanduiding "recreatiewoning" kunnen toekennen.

2.29.4. In hetgeen [appellant sub 21] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 21] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 22]

2.30. Het beroep van [appellant sub 22], woonachtig aan [locatie 26] te Bladel, richt zich, gelet op het nader ingekomen stuk en de reactie op het deskundigenbericht, alleen nog tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - rioolwaterretentie" voor een strook grond van 10 meter direct tegenover zijn woning. [appellant sub 22] wijst erop dat de Afdeling bij uitspraak van 1 december 2010, in zaak nr. 200908966/1/R3, zijn beroep tegen het voorheen geldende bestemmingsplan "Retentiebassins Beemdstraat en Veilig Oord" gedeeltelijk gegrond heeft verklaard en het besluit tot vaststelling van dat plan heeft vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de voormelde strook grond.

2.30.1. De raad heeft ter zitting aangegeven de ontvankelijkheid van [appellant sub 22] niet langer te betwisten.

De raad heeft ter zitting voorts uiteengezet dat in het voorliggende plan dezelfde regeling voor het retentiebassin nabij de woning van [appellant sub 22] is opgenomen als in het bestemmingsplan "Retentiebassins Beemdstraat en Veilig Oord", omdat het is vastgesteld vóór de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2010. De raad heeft ter zitting erkend dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2010, de regeling voor het retentiebassin in het voorliggende plan, voor zover deze betrekking heeft op de strook grond van 10 meter tegenover de woning van [appellant sub 22], niet in overeenstemming is met de gewenste situatie. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - rioolwaterretentie" voor de strook grond van 10 meter direct tegenover de woning van [appellant sub 22], niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2.30.2. In hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - rioolwaterretentie" voor de strook grond van 10 meter direct tegenover de woning van [appellant sub 22], zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart. Het beroep van [appellant sub 22] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Proceskosten

2.31. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2], [appellant sub 14], [appellant sub 12], [maat A], [appellante sub 20], [appellant sub 7], [appellant sub 13] en [appellant sub 22] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van [appellant sub 4], [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 11] niet gebleken. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 8], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17] en [appellant sub 19] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart geheel gegrond de beroepen van [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 18], [appellante sub 20], [appellant sub 22] en gedeeltelijk gegrond de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 7], [appellant sub 11A] en [appellante sub 11B], [appellant sub 12], [appellant sub 13] en [appellant sub 14];

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bladel van 22 februari 2010, kenmerk R2010.004a, voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 1] te Casteren;

b. de plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur en Landschapswaarden" voor de percelen kadastraal bekend sectie G 193 en kadastraal bekend sectie G 33 te Hoogeloon;

c. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 7]-[locatie 8] te Bladel;

d. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" voor het perceel [locatie 11]-[locatie 12] te Bladel;

e. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met Waarden- Natuur en Landschapswaarden" voor het perceel De Pan ongenummerd, kadastraal bekend als sectie G 335 te Hapert;

f. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 15]-[locatie 16] te Bladel voor zover daaraan niet de aanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend;

g. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" voor het perceel [locatie 18]-[locatie 19] te Bladel;

h. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "intensieve veehouderij" voor het perceel [locatie 18]-[locatie 19] te Bladel;

i. de aanduiding "intensief recreatief gebied" voor de gronden te Bladel die worden begrensd door, en met inbegrip van, aan de noordzijde de Rondweg, aan de oostzijde De Uitgang, aan de westzijde de Bredasebaan en aan de zuidzijde Klein Terkooijen;

j. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "intensieve veehouderij" voor het perceel Rond Deel 22 te Bladel;

k. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "intensieve veehouderij" voor het perceel [locatie 22] te Bladel;

l. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "intensieve veehouderij" voor het perceel [locatie 23] te Bladel;

m. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - rioolwaterretentie" voor zover aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart;

III. bepaalt dat aan het perceel [locatie 15]-[locatie 16] te Bladel de aanduiding "intensieve veehouderij" wordt toegekend;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. verklaart geheel ongegrond de beroepen van [appellante sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], [appellant sub 8], [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 19] en [appellant sub 21] en voor het overige ongegrond de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 7], [appellant sub 11A] en [appellante sub 11B], [appellant sub 12], [appellant sub 13] en [appellant sub 14];

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Bladel tot vergoeding van bij de hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten, welk bedrag onder vermelding van het zaaknummer als volgt dient te worden betaald:

a. aan [appellant sub 2] een bedrag van € 437 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. aan [appellant sub 7] een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. aan [appellant sub 14] een bedrag van € 1092,50 (zegge: honderdnegen duizend tweehonderdvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

e. aan [appellant sub 18] een bedrag van € 874 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

f. aan [appellante sub 20] een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

g. aan [appellant sub 12] een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

h. aan [appellant sub 13] een bedrag van € 874 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

i. aan [appellant sub 22] een bedrag van € 655,50 (zegge: zeshonderdvijfenvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Bladel aan [appellante sub 20] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298 euro (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) en aan [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, [appellant sub 2], [appellant sub 7], [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 11A] en [appellante sub 11B] met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 18] en [appellant sub 22] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 (zegge:honderdvijftig euro) elk vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Smit-Colenbrander, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Smit-Colenbrander

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

432-678-717-725.

<HR>

plankaart