Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3047

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201109319/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te Deurne (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109319/1/A1.

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C] (hierna: [appellant A] en anderen), allen wonend te Deurne,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 juli 2011 in zaak nr. 10/457 in het geding tussen:

[appellant A] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te Deurne (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 13 juli 2011, verzonden op 19 juli 2011, heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 september 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2012, waar [appellant A] en [appellant C], en het college, vertegenwoordigd door mr. F.P.G. Ricken-Cleven, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied 2003" (hierna: het bestemmingsplan). Teneinde het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

De rechtbank heeft overwogen dat het college niet bevoegd was om krachtens dit artikel vrijstelling te verlenen, omdat het het op 19 november 2008 ingediende gewijzigde bouwplan had moeten aanmerken als een nieuwe bouwaanvraag. Deze aanvraag moet geacht worden mede een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in te houden. Gelet hierop heeft de rechtbank het besluit van 8 december 2009 vernietigd. De rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat het college in redelijkheid ontheffing krachtens artikel 3.23, eerst lid, van de Wro, gelezen in verbinding met artikel 4.1.1., eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), kan verlenen.

2.2. Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wro kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 4.1.1., eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro komt voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de wet in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning, mits het aantal woningen gelijk blijft en voor zover buiten de bebouwde kom:

1e. het bouwwerk een bruto oppervlak heeft van ten hoogste 150 m²,

2e. het bouwwerk, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet hoger is dan 5 m, en

3e. het bouwen niet tot gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd dan wel dat de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt voor meer dan 50% wordt overschreden.

2.3. [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd is om krachtens artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, gelezen in verbinding met artikel 4.1.1., eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro, ontheffing te verlenen. Daartoe voeren zij aan dat het perceel is gelegen buiten de bebouwde kom en niet wordt voldaan aan de eisen die voor die situatie aan het verlenen van ontheffing worden gesteld. Het bouwplan heeft een bruto oppervlakte dat groter is dan het maximale aantal toegestane vierkante meters buiten de bebouwde kom, aldus [appellant A] en anderen.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 maart 2007 in zaak nr. 200604956/1), is de vraag of een perceel in de bebouwde kom is gelegen van feitelijke aard, waarbij de aard van de omgeving bepalend is en van belang is waar de bebouwing feitelijk (nagenoeg) ophoudt.

Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, ligt de projectlocatie aan de oostzijde van de straat de Heikant. Aan de oostzijde van de Heikant zijn enkele woningen gelegen. Direct ten oosten daarvan ligt een bosgebied. Aan de westzijde van de Heikant ligt een woonwijk. Niet in geschil is dat deze woonwijk tot de bebouwde kom behoort. In aanmerking genomen dat sprake was van een bestaande woning op het perceel en meerdere woningen aan de oostzijde van de Heikant zijn gelegen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet gezegd kan worden dat het perceel en de woningen aan de oostzijde van de straat geen deel uitmaken van de woonwijk aan de westzijde van de straat. Het perceel en de overige woningen aan de oostzijde van de straat liggen derhalve binnen de bebouwde kom. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de verschuiving van het bouwplan in oostelijke richting ten opzichte van de locatie van de bestaande woning, niet zodanig is dat dit leidt tot een ander oordeel. Anders dan [appellant A] en anderen betogen, leidt ook de omstandigheid dat de bestaande woning op het perceel niet was aangesloten op het riool, niet tot een ander oordeel. De verwijzing door [appellant A] en anderen naar de uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2007 in zaak nr. 200603878/1, leidt evenmin tot een ander oordeel. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de Afdeling in deze uitspraak niet geoordeeld dat het perceel is gelegen buiten de bebouwde kom, maar heeft zij overwogen dat het plangebied van het bestemmingsplan "Walsberg" is gelegen in de overgang naar het buitengebied. Hieruit kan, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet worden afgeleid dat het perceel daarmee is gelegen buiten de bebouwde kom.

Voor zover [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet voldoet aan het bestemmingsplan, voor zover daarbij is bepaald dat bij herbouw op een andere locatie de afstand van de woning tot de as van de weg waaraan de woning is gelegen maximaal 30 m mag zijn, leidt dit niet tot het daarmee beoogde doel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de afstand van de woning tot de as van de weg geen voorwaarde vormt voor gebruikmaking van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, gelezen in verbinding met artikel 4.1.1., eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant A] en anderen betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid krachtens artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, gelezen in verbinding met artikel 4.1.1., eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro, ontheffing kan verlenen. Daartoe voeren zij aan dat het bouwplan stedenbouwkundig onacceptabel en ruimtelijk onaanvaardbaar is. Voorts voeren zij daartoe aan dat hun woonomgeving ernstig door het bouwplan zal worden aangetast. Verder is volgens [appellant A] en anderen geen rekening gehouden met de omstandigheid dat voor de aanleg van een toegangsweg 500 m² aan bomen en bosschages moet worden opgeofferd en het bospad zal moeten worden verhard.

2.4.1. De rechtbank heeft overwogen dat het college op goede gronden het bouwplan stedenbouwkundig acceptabel en ruimtelijk aanvaardbaar heeft gevonden. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat, rekening houdend met de bestaande ruimtelijke structuur en het bestaande groene karakter van het gebied, een beperkte verdichting van het gebied met woningen mogelijk en aanvaardbaar is. Het college acht het bouwplan in ruimtelijk en stedenbouwkundig opzicht creatief en positief afwijkend ten opzicht van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan voorziet in herbouw van de bestaande woning en dat de bestaande woning ook een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse oplevert. Het bouwplan levert naar het oordeel van de rechtbank geen grotere planologische afwijking van het bestemmingsplan op. In hetgeen [appellant A] en anderen betogen, wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de rechtbank zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het college in redelijkheid ontheffing van het bestemmingsplan kan verlenen.

De stelling van [appellant A] en anderen dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat voor de aanleg van een toegangsweg 500 m² aan bomen en bosschages moeten worden opgeofferd en het bospad zal moeten worden verhard, leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Voor de verharding van het bospad is een uitwegvergunning verleend en deze is in rechte onaantastbaar geworden.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant A] en anderen betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de adviezen van 26 november 2008 en 25 februari 2009 van de welstandscommissie Welstandszorg Noord-Brabant (hierna: de welstandscommissie) niet aan zijn besluit van 8 december 2009 ten grondslag heeft mogen leggen. Daartoe voeren zij aan dat het bouwplan in strijd is met de criteria uit de welstandsnota voor parkachtige woongebieden, inhoudende dat de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend zijn en dat panden met hun entree en voorgevel gericht staan naar de straat.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

De welstandscommissie heeft zich in het nadere advies van 25 februari 2009 op het standpunt gesteld dat het vereiste uit de welstandsnota dat de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend is, niet in redelijkheid kan worden afgedwongen, nu de woning een zeer beperkte invloed heeft op het openbare gebied en zeer gering zichtbaar is vanaf de openbare weg. Voorts wordt het bebouwingsbeeld volgens de welstandsnota bepaald door een reeks individuele bouwmassa's. Volgens de welstandscommissie wordt deze individualiteit versterkt door een afwijkende situering. In hetgeen [appellant A] en anderen betogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de welstandscommissie zich niet op voormelde standpunten heeft kunnen stellen, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college de adviezen van 26 november 2008 en 25 februari 2009 aan zijn besluit van 8 december 2009 ten grondslag heeft kunnen leggen.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

531-736.