Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3046

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201109232/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling verleend voor het bouwen van tien appartementen aan de hoek Boulevard/Burgermeester Kotenplein en Pastoor Dolsstraat te Grevenbicht (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109232/1/A1.

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Grevenbicht, gemeente Sittard-Geleen, waarvan de vennoten zijn [vennoot A], wonend te Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, en [vennoot B], wonend te Grevenbicht, gemeente Sittard-Geleen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 juli 2011 in zaak nr. 10/303 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling verleend voor het bouwen van tien appartementen aan de hoek Boulevard/Burgermeester Kotenplein en Pastoor Dolsstraat te Grevenbicht (hierna: de percelen).

Bij besluit van 13 juli 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van tien appartementen op de percelen.

Bij besluit van 26 januari 2010 heeft het college het door [appellante] tegen de besluiten van 15 juni 2009 en 13 juli 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.K.T. Schoffelen, advocaat te Maasbracht, en het college, vertegenwoordigd door M.J.H. van Cleef, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het realiseren van tien appartementen voor senioren. Voorts voorziet het bouwplan in de aanleg van negentien parkeerplaatsen waarvan tien in de ondergrondse parkeergarage en negen op eigen terrein. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Grevenbicht 1e wijziging". Teneinde het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.2. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten aangegeven categorie├źn van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid, voor zover hier van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de aanvraag niet voldoet aan de daaraan ingevolge het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (hierna: het Biab) gestelde eisen. Daartoe voert hij aan dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid en identiteit van de aanvrager niet bekend zijn en de aanvrager ten tijde van de aanvraag nog geen eigenaar was van de percelen.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 maart 2010 in zaak nr. 200907785/1/H1), volgt uit het enkele feit dat niet is voldaan aan de indieningsvereisten, zoals gesteld bij het Biab, niet dat de bouwvergunning om die reden niet in stand kan blijven. Het is aan het bestuursorgaan om te beoordelen of voldoende gegevens en bescheiden zijn ingediend om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen. De identiteit van de aanvrager is, anders dan gesteld, bekend, nu op de aanvraag is vermeld dat deze is ingediend door [vergunninghoudster]. Voorts vormt het ontbreken van duidelijkheid omtrent de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de ondertekenaar geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet. Het nog niet in eigendom hebben van de percelen ten tijde van de aanvraag vormt evenmin een weigeringsgrond als hiervoor bedoeld.

Voor het oordeel dat het college zich in dit geval niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen, heeft de rechtbank, gelet op het voorgaande, in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden.

Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was om krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen. Daartoe voert hij aan dat niet blijkt of de ambtenaar die het besluit van 15 juni 2009 heeft onderkend daartoe krachtens het mandaatbesluit van 22 mei 2007 bevoegd was. Voorts voert hij aan dat de bebouwde oppervlakte met meer dan 10% toeneemt.

2.4.1. Wat er zij van het betoog dat de ambtenaar die het besluit van 15 juni 2009 heeft ondertekend, daartoe niet bevoegd was, niet in geschil is dat het in beroep bestreden besluit van 26 januari 2010 bevoegd is genomen. Voorts is, anders dan [appellante] betoogt, in het kader van het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO, niet van belang of de bebouwde oppervlakte met meer dan 10% toeneemt, nu dit niet als vereiste is opgenomen in de door het college van gedeputeerde staten van Limburg opgestelde lijst van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, vastgesteld bij besluit van 8 april 2008. Nu het bouwplan valt onder de categorie bouwen van een of meerdere woningen als bedoeld in onderdeel A, eerste lid, aanhef en sub a, van de voormelde lijst, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college bevoegd was om krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen.

Het betoog faalt.

2.5. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daartoe voert hij aan dat in de ruimtelijke onderbouwing niet wordt gemotiveerd of de cultuurhistorische waarden van de dorpskern worden aangetast en niet wordt ingegaan op de urgentie en noodzaak van het verlenen van de vrijstelling. Voorts voert hij aan dat in de ruimtelijke onderbouwing geen nadere toelichting wordt gegeven op het niet voldoen aan de eisen voor het verlenen van vrijstelling zoals opgenomen in het bestemmingsplan.

2.5.1. Het college heeft aan de bij besluit van 15 juni 2009 verleende vrijstelling de ruimtelijke onderbouwing "Appartementencomplex te Grevenbicht" (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) ten grondslag gelegd. Daarin is onder meer gemotiveerd uiteengezet dat het bouwplan, nu het in strijd is met de bouwvoorschriften en de bestemmingen die op de percelen rusten, in strijd is met het bestemmingsplan. Voorts is gemotiveerd uiteengezet dat behoefte bestaat aan seniorenwoningen en het bouwplan voldoet aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. In de ruimtelijke onderbouwing is onderzocht of de cultuurhistorische waarden door het bouwplan worden aangetast. Volgens de ruimtelijke onderbouwing wordt het bouwplan gerealiseerd in een gebied dat is getypeerd als sedert 1830 weinig tot matig veranderde dorpskern. Voorts wordt het bouwplan gerealiseerd langs een weg die is getypeerd als ouder of gelijktijdig met de middeleeuwse verkaveling. Verder zijn er in de nabijheid van het bouwplan geen bepalende landschapselementen of aandachtsgebieden. Door [appellante] is niet aannemelijk gemaakt dat de hierop gebaseerde conclusie dat de cultuurhistorische waarden met het bouwplan niet worden aangetast, niet juist is. Anders dan [appellante] betoogt, bestaat geen aanleiding voor toetsing aan de vereisten voor het verlenen van binnenplanse vrijstelling, nu daarvan geen gebruik is gemaakt. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Het betoog faalt.

2.6. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen. Daartoe voert hij aan dat het college nader onderzoek had dienen te verrichten naar de geluidstoename voor de omwonenden, nu de verandering van kantoorfunctie naar woonfunctie in de avonduren voor meer geluid zal zorgen. Voorts voert hij aan dat zijn privacy onevenredig wordt aangetast. Verder voert hij aan dat het bouwplan slechts voorziet in achttien parkeerplaatsen, terwijl volgens de door het college vastgestelde norm negentien parkeerplaatsen zijn vereist.

2.6.1. Volgens de ruimtelijke onderbouwing wordt bij de indeling van de appartementen rekening gehouden met de privacy van omwonenden, nu de woonkamers en balkons aan de straatzijde worden gerealiseerd en alleen de slaapkamerramen alsmede het trappenhuis uitkijken op de achtertuinen van de woningen ten noorden van het bouwplan. Voorts zou indien conform de planvoorschriften zou worden gebouwd, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de privacy van de omwonenden ook worden verminderd, nu op de gronden met de bestemming "Bebouwingsklasse E5" eengezinswoningen zijn toegestaan met drie bouwlagen met een goothoogte van 8,50 m. Onder deze omstandigheden is niet gebleken dat de privacy van omwonenden door verlening van de vrijstelling onevenredig wordt aangetast en bestaat in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid vrijstelling kon verlenen. Het betoog van [appellante] dat het bouwplan slechts voorziet in achttien parkeerplaatsen, mist feitelijke grondslag, nu volgens de bij het besluit van 13 juli 2009 behorende bouwtekeningen het bouwplan voorziet in de aanleg van negentien parkeerplaatsen. Hetgeen [appellante] aanvoert over de geluidstoename, leidt evenmin tot een ander oordeel, nu op een gedeelte van de percelen reeds een woonbestemming rust en het een 30 km-zone betreft. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

2.7. Eerst ter zitting van de Afdeling heeft [appellante] aangevoerd dat de woningen duurder zijn dan in de aanvraag is vermeld, zodat de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen onjuist is.

Volgens [appellante] beschikt hij sinds een presentatie op 30 september 2009 door [vergunninghoudster] over een prijslijst waaruit zou blijken dat zeven woningen niet onder de categorie middeldure woningen vallen, maar onder de categorie dure woningen, hetgeen met zich brengt dat voor deze woningen een andere parkeerbehoefte bestaat. [appellante] heeft deze beroepsgrond niet bij de rechtbank aangevoerd. Niet valt in te zien waarom [appellante] dit niet eerder in de procedure heeft kunnen aanvoeren, zodat het college, anders dan thans het geval, adequaat hierop zou kunnen reageren. Dat [appellante] de prijslijst, naar hij stelt, niet meer kon vinden, komt voor zijn eigen risico. Het indienen van deze beroepsgrond is onder deze omstandigheden in strijd met de goede procesorde, zodat de Afdeling deze buiten beschouwing zal laten.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

531-712.