Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3045

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201109209/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om de dakopbouw c.q. dakkapel op het achterdakvlak van de woning aan de [locatie] te Eindhoven (hierna: het perceel) aan te passen aan de bij besluit van 10 november 1999 verleende bouwvergunning of zodanig aan te passen dat deze bouwvergunningsvrij is of geheel te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109209/1/A1.

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eindhoven,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 juli 2011 in zaak nr. 10/4161 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om de dakopbouw c.q. dakkapel op het achterdakvlak van de woning aan de [locatie] te Eindhoven (hierna: het perceel) aan te passen aan de bij besluit van 10 november 1999 verleende bouwvergunning of zodanig aan te passen dat deze bouwvergunningsvrij is of geheel te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 28 juni 2010, onder aanvulling van de motivering daarvan, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 8 juli 2011, verzonden op 12 juli 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De grond van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 september 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. D. Heuker of Hoek, advocaat te Waalre, en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Timmermans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

2.2. Vast staat dat is gebouwd in afwijking van de bij besluit van 10 november 1999 verleende bouwvergunning voor het plaatsen van een dakkapel aan de achterzijde van de woning, zodat de rechtbank het college terecht bevoegd heeft geacht om daartegen handhavend op te treden wegens strijd met artikel 40 van de Woningwet.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Daartoe voert hij aan dat het bouwwerk waarop de last ziet, kan worden aangemerkt als een welstandsvrije dakkapel als bedoeld in het Raadsvoorstel van 21 juli 2009 (hierna: het raadsvoorstel). Indien het bouwwerk niet kan worden aangemerkt als dakkapel, kan het volgens [appellant] worden aangemerkt als welstandsvrije uitbouw als bedoeld in het raadsvoorstel. Indien het bouwwerk ook niet kan worden aangemerkt als uitbouw, heeft het college volgens [appellant] niet voldoende gemotiveerd waarom het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand en om die reden geen bouwvergunning kan worden verleend.

2.4.1. Niet in geschil is dat het perceel is gelegen in de wijk Engelsbergen. Deze wijk is in het raadsvoorstel aangewezen als gedeeltelijk welstandsvrij gebied, hetgeen betekent dat in dit gebied bepaalde bouwactiviteiten welstandsvrij kunnen plaatsvinden, zoals het bouwen van dakkapellen en aan- en uitbouwen aan de achterzijde van een woning. Het college hanteert het raadsvoorstel als beleid.

In het raadsvoorstel is geen definitie opgenomen van het begrip dakkapel en het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Strijp binnen de ring 2007" (hierna: het bestemmingsplan) bevat ook geen definitie van dit begrip. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bouwwerk niet kan worden aangemerkt als dakkapel. Nu met het bouwwerk de achtergevel van de woning voor een groot deel is opgetrokken tot nagenoeg nokhoogte, is het bouwwerk over nagenoeg de volle lengte en hoogte van het dakvlak een vergroting en verandering van de dakopbouw als geheel, die - anders dan een dakkapel - in bouwkundig opzicht niet meer ondergeschikt is aan de dakopbouw.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het bouwwerk niet kan worden aangemerkt als uitbouw. Het college heeft voor de betekenis van dit begrip aansluiting mogen zoeken bij de definitie van dit begrip in het bestemmingsplan. Ingevolge artikel 1, onder 40, van de planvoorschriften wordt onder uitbouw verstaan een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Het bouwwerk voorziet echter in een vergroting van het hoofdgebouw zelf en niet in een gebouw dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en daaraan in architectonisch opzicht ondergeschikt is.

Aan zijn standpunt dat het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand, heeft het college het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: de welstandscommissie) van 27 april 2010 ten grondslag gelegd. Dit advies houdt in dat het bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. Volgens de welstandscommissie kan niet gesproken worden van een dakkapel als ondergeschikt element in het dakvlak. Het bouwwerk is volgens de welstandscommissie een aanzet tot een volwaardige bouwlaag die dominant aanwezig is en in ernstige mate het karakter van de woning aantast. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich onder verwijzing naar dit advies in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwwerk niet voldoet aan redelijke eisen van welstand en derhalve geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Gezien de aard van het welstandsadvies, behoefde het college anders dan [appellant] betoogt, geen onderzoek te doen naar de vraag of eventuele strijdigheid van het bouwwerk met het bestemmingsplan middels het verlenen van ontheffing daarvan kan worden opgeheven.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de hem geboden begunstigingstermijn van acht weken te kort is. Daartoe voert hij aan dat van deze acht weken er vier in de schoolvakantie vallen waarvan er nog eens drie midden in de vakantie van de bouw. [appellant] voert aan dat het vinden van een aannemer vlak voor de schoolvakantie en in de vakantie van de bouw niet eenvoudig is. Daarbij brengt het slopen van de dakkapel aanzienlijke werkzaamheden met zich, die niet binnen de daarvoor gestelde termijn kunnen worden voltooid, aldus [appellant].

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 februari 2004 in zaak nrs. 200400365/1 en 200400365/2), dient een begunstigingstermijn er slechts toe dat de overtreder in de gelegenheid wordt gesteld de last uit te voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat de geboden begunstigingstermijn in redelijkheid niet toereikend is om aan de last te kunnen voldoen. De zomerperiode van het jaar waarin deze termijn is gelegen, leidt niet tot een ander oordeel.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

531-736.