Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3042

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201006290/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2010, kenmerk 2009-019758, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Buren bij besluit van 29 september 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Buren 2008" (hierna: het plan).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/792
Milieurecht Totaal 2012/5679

Uitspraak

201006290/1/R2.

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Erichem, gemeente Buren,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Meteren, gemeente Geldermalsen,

3. [appellante sub 3], gevestigd te Lienden, gemeente Buren,

4. [appellant sub 4] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), wonend te Eindhoven,

5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]), wonend te Maurik, gemeente Buren,

6. [appellante sub 6], wonend te Lienden, gemeente Buren,

7. de stichting Stichting Milieuwerkgroep Buren e.o, gevestigd te Zoelmond, gemeente Buren,

8. [appellant sub 8], wonend te Wijk bij Duurstede,

9. [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 9]), wonend te Ingen, gemeente Buren,

10. [appellant sub 10A] en [appellante sub 10 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 10]), wonend te Rijswijk, gemeente Buren,

11. [appellant sub 11], wonend te Rijswijk, gemeente Buren,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2010, kenmerk 2009-019758, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Buren bij besluit van 29 september 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Buren 2008" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2010, [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juli 2010, [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2010, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2010, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2010, [appellante sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2010, de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2010, [appellant sub 8] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2010, [appellant sub 9] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2010, [appellant sub 10] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2010, en [appellant sub 11] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2010, beroep ingesteld.

[appellante sub 6] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 6 september 2010. [appellant sub 8] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 23 augustus 2010. [appellant sub 9] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 20 augustus 2010.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De raad, [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellante sub 6], de stichting, [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellant sub 10] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2012, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door L.C. Bras, [appellant sub 4], bijgestaan door [gemachtigde], [appellant sub 5], bijgestaan door mr. G. Golstein, [appellante sub 6], bijgestaan door mr. J.H. Hartman, de stichting, vertegenwoordigd door J.T. Wildschut en W.J. Tienstra, [appellant sub 8], [appellant sub 9], vertegenwoordigd door mr. G.G. Kranendonk, [appellant sub 10], bijgestaan door mr. J.D.A. Smits, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door E.J. Bagerman en R. de Wit, beiden werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het buitengebied van Buren, met uitzondering van bedrijventerreinen, verblijfsrecreatieterreinen, dagrecreatiegebieden, nieuwe landgoederen, uiterwaarden, voor zover het de voormalige steenfabriek Middelwaard betreft, ontgrondingen, voor zover het De Ingensche Waarden betreft en een aantal in procedure zijnde partiële bestemmingsplanherzieningen.

Intrekking

2.3. Ter zitting heeft de stichting het beroep voor zover dit is gericht tegen de toegekende bestemmingen aan het zuidoostelijke deel van Het Nieuwland, het oostelijke deel van het Hornixveld, ten noorden van de N320 met de bestemming "Agrarisch", het gedeelte van de gronden ten zuiden van Ravenswaaij en Rijswijk, door de stichting in het beroepschrift aangeduid met "1", en het gedeelte van het gebied ten zuiden van Ommeren dat door de stichting in het beroepschrift is aangeduid met "1", ingetrokken.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.4. [appellant sub 1] exploiteert een agrarisch bedrijf aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Erichem. Zij kan zich niet verenigen met het plan voor zover aan deze percelen geen agrarisch bouwperceel is toegekend. In dat verband wijst [appellant sub 1] erop dat haar bedrijf heeft te gelden als een bestaand reëel agrarisch bedrijf in de zin van het plan omdat het bedrijf een omvang heeft van 25 NGE (Nederlandse Grootte Eenheden) en beschikt over een milieuvergunning. Nu in de plantoelichting staat dat aan elk bestaand geïnventariseerd reëel agrarisch bedrijf een bouwperceel is toegekend, had haar bedrijf eveneens als zodanig moeten worden bestemd. De schuur op het perceel aan de [locatie 1] maakt eveneens onderdeel uit van het bedrijf, aldus [appellant sub 1].

2.4.1. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat voor het perceel van [appellant sub 1] aanleiding bestond om een bouwperceel op te nemen, zodat derhalve een regeling in het plan had moeten worden opgenomen. Nu het college zich in zoverre ter zitting op een ander standpunt heeft gesteld dan in het bestreden besluit, zonder dat sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden, is het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

2.4.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 1] en [locatie 2] te Erichem. De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

Het beroep van [appellante sub 2]

2.5. [appellante sub 2] exploiteert een fruitteeltbedrijf aan de [locatie 3], kadastraal bekend sectie P, nr. 608 (hierna: het perceel). [appellante sub 2] stelt dat aan het perceel ten onrechte geen agrarisch bouwperceel is toegekend waardoor de aanwezige opstallen onder het overgangsrecht zijn gebracht. In dat verband wijst zij erop dat zij een reëel agrarisch bedrijf exploiteert en dat alle bebouwing met de benodigde vergunningen zijn opgericht. Er bestaat geen zicht op beëindiging van het bedrijf binnen de planperiode, terwijl voorts in het vorige plan wel een agrarisch bouwperceel was opgenomen, aldus [appellante sub 2] Voorts zijn andere percelen in de omgeving met bebouwing die feitelijk agrarisch worden gebruikt, wel als zodanig bestemd. De raad heeft volgens [appellante sub 2] ten onrechte geen onderzoek verricht naar de feitelijke situatie ter plaatse. Doordat het college vervolgens uitsluitend heeft verwezen naar de beantwoording van de zienswijze door de raad heeft het gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aldus [appellante sub 2] Dit klemt temeer nu de raad naar aanleiding van de zienswijze het in het ontwerpplan toegekende bouwperceel geheel heeft geschrapt.

2.5.1. Ter zitting heeft [appellante sub 2] haar beroep toegespitst op het ontbreken van een bouwperceel voor de kassen op het perceel.

2.5.2. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat het plan voorziet in een actuele regeling voor de bestaande situatie in het buitengebied. Nu de woning op het perceel [locatie 3] thans wordt gebruikt als burgerwoning is deze in het plan als zodanig bestemd en bestaat volgens het college en de raad geen aanleiding om het bijbehorende bouwperceel te handhaven.

2.5.3. In het plan is aan het perceel van [appellante sub 2] de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" toegekend zonder agrarisch bouwperceel. Niet in geschil is dat de kassen op het perceel niet als zodanig zijn bestemd en onder het overgangsrecht zijn gebracht.

2.5.4. De Afdeling overweegt dat bestaande legale bebouwing in beginsel dienovereenkomstig dient te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden, indien het als zodanig bestemmen van bestaande legale bebouwing op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt.

Omdat de bestaande legale bebouwing niet als zodanig is bestemd, diende het college in aansluiting op de raad te motiveren waarom dit gebruik niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en waarom het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen van [appellante sub 2] De raad heeft er op gewezen dat het agrarische bouwperceel was toegekend ten behoeve van het bedrijf op het perceel [locatie 3]. Nu de eigenaar van dit perceel zijn bedrijf heeft beëindigd is een woonbestemming toegekend aan de voormalige bedrijfswoning en is het agrarische bouwperceel geschrapt. Naar het oordeel van de Afdeling is het college in navolging van de raad hierbij ten onrechte voorbij gegaan aan de omstandigheid dat in het vorige plan een bouwperceel was toegekend, het perceel in 2004 is gesplitst en het fruitteeltbedrijf door [appellante sub 2] is voortgezet, hetgeen thans nog steeds het geval is. Het college heeft in navolging van de raad niet aannemelijk gemaakt dat de beoogde bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" zonder agrarisch bouwperceel gelet hierop binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt. Dat, zoals het college ter zitting heeft gesteld, vanwege de toekenning van een woonbestemming aan de voormalige bedrijfswoning aan de [locatie 3] het opnemen van een agrarisch bouwperceel ongewenst is vanwege de aan te houden afstand tussen burgerwoningen en agrarische bedrijven, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat ter zitting is gebleken dat bij het toekennen van de woonbestemming de aanvaardbaarheid daarvan niet, of althans onvoldoende, is afgewogen tegen de belangen van [appellante sub 2] bij het kunnen voortzetten van het agrarische bedrijf ter plaatse.

2.5.5. Hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd geeft aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 2] is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" dat betrekking heeft op het perceel ter plaatse van de kassen. De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan dit plandeel zoals hieronder nader aangegeven en zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 1. Daarbij is het gedeelte waaraan goedkeuring wordt onthouden zodanig aangegeven dat ter plaatse kan worden voorzien in een maatbestemming.

Het beroep van [appellante sub 3]

2.6. [appellante sub 3] richt zich tegen de onthouding van goedkeuring aan artikel 62, lid 11, van de planvoorschriften. Volgens [appellante sub 3] is de onthouding van goedkeuring aan de wijzigingsbevoegdheid ten onrechte niet beperkt tot de mogelijkheid om de bestemming "Wonen" te wijzigen.

2.6.1. Ingevolge artikel 62, lid 11, aanhef, van de planvoorschriften, voor zover van belang, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen ten aanzien van de gronden met de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch-Komgebied", "Agrarisch-Oeverwalgebied", "Agrarisch-Niet grondgebonden", "Bedrijf", "Bedrijf-Agrarisch verwant", "Bedrijf-Beperkt", "Bedrijf-Buitengebied gebonden" en "Wonen" voor hergebruik/functiewijziging van de voormalige bedrijfsgebouwen naar een ambachtelijk bedrijf, een kunstnijverheidsbedrijf, een bedrijf ten behoeve van extensieve dag- of verblijfsrecreatie, kleinschalige horeca gerelateerd aan de recreatieve functie van het buitengebied, een opslagbedrijf of overige bedrijven als toegestaan volgens het gestelde in sub i van dit artikel.

2.6.2. In het goedkeuringsbesluit is vermeld dat het college goedkeuring heeft onthouden aan artikel 62, lid 11, van de planvoorschriften. Het college heeft aan de onthouding van goedkeuring ten grondslag gelegd dat het voorschrift in strijd met het in het streekplan Gelderland 2005 (hierna: het streekplan) geformuleerde beleid inzake functieverandering en het "Beleidskader hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied" voorziet in een wijzigingsbevoegdheid voor de wijziging van de bestemming "Wonen" in niet-agrarische bedrijvigheid.

Gelet hierop en het verhandelde ter zitting heeft het college beoogd goedkeuring te onthouden aan artikel 62, lid 11, van de planvoorschriften, voor zover het voorziet in een wijzigingsbevoegdheid voor de wijziging van de bestemming "Wonen" in niet-agrarische bedrijvigheid. Het college heeft in plaats daarvan echter abusievelijk aan de wijzigingsbevoegdheid van artikel 62, lid 11, van de planvoorschriften in zijn geheel goedkeuring onthouden. Nu het besluit derhalve een ander rechtsgevolg heeft dan het college heeft beoogd, is het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep van [appellante sub 3] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan artikel 62, lid 11, van de planvoorschriften, voor zover dit voorschrift niet ziet op de wijzigingsbevoegdheid voor de wijziging van de bestemming "Wonen", dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, zelfvoorziend goedkeuring te verlenen aan artikel 62, lid 11, van de planvoorschriften, behoudens voor zover dit voorschrift voorziet in een wijzigingsbevoegdheid voor de wijziging van de bestemming "Wonen" in niet-agrarische bedrijvigheid.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.7. [appellant sub 4] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Komgebied" ter plaatse van het perceel aan [locatie 4] te Zoelen. Hij voert hiertoe aan dat in strijd met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel de woning op het perceel niet als zodanig is bestemd.

2.7.1. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat het gebouw op het perceel [locatie 4] niet permanent in gebruik is als woning. Daarnaast was het gebruik als woning niet reeds onder het vorige plan toegelaten. Het als woning bestemmen van het gebouw is daarom in strijd met de uitgangspunten van het bestemmingsplan, aldus het college in navolging van de raad. Volgens het college is het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel vastgesteld.

2.7.2. Weliswaar heeft de raad erkend dat het college van burgemeester en wethouders heeft toegezegd dat de woning op het perceel [locatie 4] als zodanig zou worden bestemd, maar in het algemeen kunnen geen rechten worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. De raad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld.

2.7.3. Ten aanzien van de door [appellant sub 4] gemaakte vergelijking met de als zodanig bestemde woningen aan Avezaathsesteeg 1 en Achtmorgenstraat 2 wordt overwogen dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de woning aan Avezaathsesteeg 1 als zodanig is bestemd, omdat een tweede bedrijfswoning bij het aldaar gevestigde agrarische bedrijf noodzakelijk was en de woning aan Achtmorgenstraat 2 als zodanig is bestemd met in achtneming van het beleid inzake vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Volgens het college en de raad verschillen deze gevallen derhalve van de aan de orde zijnde situatie.

In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de raad zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de door [appellant sub 4] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.7.4. Hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch Komgebied" ter plaatse van [locatie 4] te Zoelen, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

2.8. [appellant sub 5] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel [locatie 5] te Maurik. Hij voert hiertoe aan dat ten onrechte de tweede woning op het perceel niet als zodanig is bestemd. Volgens [appellant sub 5] is een tweede woning noodzakelijk om permanent toezicht te houden op het aangrenzende loonwerkbedrijf en de boomkwekerij. De criteria die de raad heeft toegepast voor het toekennen van een woonbestemming mogen niet worden toegepast, nu deze niet zijn vermeld in het plan en niet zijn gebaseerd op bestaand beleid. Bovendien wordt het gebouw reeds dertig jaar bewoond, aldus [appellant sub 5].

2.8.1. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat het gebouw geen eigen adres heeft en voorts niemand in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven als zijnde woonachtig in het gebouw. In overeenstemming met de uitgangspunten van het plan is derhalve het gebouw niet als woning bestemd. Voorts staat niet vast dat een tweede bedrijfswoning op het perceel vanuit bedrijfseconomische oogpunt noodzakelijk is, aldus het college.

2.8.2. De raad heeft in de zienswijzennota uiteengezet welke criteria hij bij de vaststelling van het plan hanteert voor het toekennen van een woonbestemming. Daarbij staat onder meer vermeld dat een gebouw slechts als woning wordt bestemd, indien uit de gemeentelijke basisadministratie, dan wel uit aantoonbare schriftelijke gegevens, blijkt dat permanente bewoning gedurende een aaneengesloten periode van meer dan vijftien jaar door één en dezelfde persoon of één huishouden heeft plaatsgevonden en door de gemeente een huisnummer is toegekend.

Nu deze criteria zijn vermeld in de zienswijzennota is voldoende kenbaar welke criteria de raad hanteert bij het toekennen van een woonbestemming. De Afdeling ziet derhalve in hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze criteria niet in redelijkheid ten grondslag heeft kunnen leggen aan de vaststelling van het plan.

2.8.3. Niet in geschil is dat het gebruik als woning van het gebouw niet onder het vorige plan was toegelaten. Evenmin is in geschil dat aan het gebouw geen huisnummer is toegekend. Voorts staat in het deskundigenbericht dat het gebouw niet permanent is bewoond gedurende een aaneengesloten periode van vijftien jaar door één en dezelfde persoon of één huishouden. [appellant sub 5] heeft dit niet betwist.

Gelet hierop heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het als woning bestemmen van het gebouw zich niet verhoudt tot de door hem gehanteerde criteria voor het toekennen van een woonbestemming. In de omstandigheid dat het gebouw reeds dertig jaar wordt bewoond heeft de raad in redelijkheid geen grond hoeven zien om op de criteria een uitzondering te maken. Voorts heeft [appellant sub 5] niet aannemelijk gemaakt dat een tweede woning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering.

Gelet op het voorgaande heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de raad om het gebouw op het perceel [locatie 5] te Maurik niet als woning te bestemmen.

2.8.4. Hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van [locatie 5] te Maurik, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

2.9. [appellant sub 8] betoogt dat het plan, in tegenstelling tot het vorige plan, ten onrechte niet voorziet in een wijzigingsbevoegdheid die ertoe strekt dat aan het plandeel ter plaatse van zijn kwekerij aan de Meentstraat te Asch een bouwvlak kan worden toegekend. Hij betwist het standpunt van de raad en het college dat de toekenning van een bouwvlak de openheid van het gebied aantast en derhalve in strijd is met het geldende streekplan. Hiertoe voert hij aan dat het perceel ligt op de grens van het groenblauwe raamwerk. Daarnaast wordt het zicht op het perceel onttrokken door bomen en staan er reeds hoogspanningsmasten in het gebied. Bovendien ligt zijn perceel voor een groot deel op een oeverwal, zo stelt [appellant sub 8].

Volgens [appellant sub 8] is het plan voorts in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld, nu door de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2009 in zaak nr. 200901661/1/R3 bij hem het vertrouwen is gewekt dat het plan zou voorzien in de mogelijkheid van het toekennen van een bouwvlak. Het college heeft onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen, aldus [appellant sub 8].

2.9.1. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat het toekennen van een bouwvlak aan het plandeel ter plaatse van de kwekerij van [appellant sub 8] zich niet verhoudt tot het streekplan, omdat in het streekplan het gebied waarin de kwekerij is gelegen is aangeduid als waardevol open gebied. Het college ziet geen aanleiding om van zijn beleid af te wijken. Volgens het college verplicht de door [appellant sub 8] genoemde uitspraak niet tot het toekennen van een bouwvlak.

2.9.2. Het perceel aan de Meentstraat te Asch maakt deel uit van het gebied dat in het streekplan is aangeduid als waardevol landschap (multifunctioneel gebied) en als waardevol open gebied (het groenblauwe raamwerk). In het streekplan is vermeld dat voor waardevolle open gebieden de grootschalige openheid als belangrijke kernkwaliteit geldt. Ruimtelijke ingrepen die de openheid aantasten, zoals nieuwe bouwlocaties, zijn niet toegestaan.

2.9.3. Weliswaar is in het deskundigenbericht bevestigd dat een deel van het perceel van [appellant sub 8] op een oeverwal ligt, maar in het deskundigenbericht is tevens vermeld dat dit niet wegneemt dat het perceel van [appellant sub 8] in een gebied ligt dat wordt gekenmerkt door landschappelijke openheid. [appellant sub 8] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. Hiertoe wordt overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanwezigheid van de hoogspanningsmasten en de kwekerij en de omstandigheid dat het perceel ligt op de grens van het groenblauwe raamwerk het open karakter van de gronden niet teniet doen.

Voorts heeft de Afdeling in de door [appellant sub 8] genoemde uitspraak overwogen dat het college van burgemeester en wethouders ten onrechte niet had onderzocht of het college van gedeputeerde staten in de omstandigheden van het geval van [appellant sub 8] aanleiding zag af te wijken van het beleid dat is opgenomen in het streekplan. Het college heeft derhalve terecht gesteld dat uit die uitspraak niet valt af te leiden dat het in redelijkheid een uitzondering op het door hem gevoerde beleid had moeten maken.

Gelet op het voorgaande heeft het college bij de afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid kunnen vasthouden aan zijn beleid om in gebieden die zijn aangeduid als waardevol open gebied geen nieuwe bouwvlakken toe te staan. Het betoog faalt.

2.9.4. Hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft het plandeel ter plaatse van zijn kwekerij aan de Meentstraat te Asch, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 9]

2.10. [appellant sub 9] betoogt dat zijn mogelijkheden voor het bouwen van bijgebouwen ten onrechte in het plan zijn beperkt. Hiertoe voert hij aan dat het maximaal te bebouwen oppervlak voor bijgebouwen binnen de bestemming "Wonen" ten opzichte van het vorige plan ten onrechte is beperkt van 250 m² tot 200 m².

Voorts stelt [appellant sub 9] dat de term "huisperceel" in de bestemmingsomschrijving van de bestemming "Wonen" onvoldoende duidelijk is.

2.10.1. Ingevolge artikel 14, lid 2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften van het vorige plan, voor zover van belang, mogen op de gronden met de bestemming "Gaarde" uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van geringe omvang worden gebouwd.

Ingevolge artikel 31, lid 3.5, aanhef en onder c, voor zover van belang, dient bij de bouw van bijgebouwen binnen de bestemming "Wonen" in acht te worden genomen dat de totale oppervlakte van de bijgebouwen niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bij de woning behorende erf mag bedragen met een maximum van 75 m².

Ingevolge lid 3.8, aanhef en onder c, voor zover van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van vergroting van het toegestane totaal oppervlak van de vrijstaande bijgebouwen. De oppervlaktemaat mag maximaal 150 m² bedragen en mag niet tot gevolg hebben dat meer dan 50% van het bij de betreffende woning behorende erf bebouwd kan worden.

2.10.2. Ingevolge artikel 38, lid 5, aanhef en onder a, van de planvoorschriften van het onderhavige plan, voor zover van belang, mogen bij de bouw van bijgebouwen ten behoeve van de bestemming "Wonen" per woning niet meer dan 2 vrijstaande bijgebouwen worden gebouwd en mag het totale bebouwde oppervlak van de bijgebouwen niet meer dan 75 m² bedragen.

Ingevolge lid 9 kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 5 sub a, tot een totaal bebouwd oppervlak voor bijgebouwen van maximaal 200 m², indien en voorzover de overschrijding van het toegestane oppervlak niet meer bedraagt dan 25% van het oppervlak van een te slopen surplus aan bijgebouwen op het desbetreffende erf en deze bepaling niet cumulatief wordt toegepast met het bepaalde in lid 10.

Ingevolge lid 10, voor zover van belang, kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 5, sub a, tot een totaal bebouwd oppervlak voor bijgebouwen van maximaal 200 m² voor agrarische nevenactiviteiten.

2.10.3. Het plandeel ter plaatse van de gronden van [appellant sub 9] had ingevolge de plankaart van het vorige plan deels de bestemming "Gaarde" en deels de bestemming "Wonen". Gelet op de voornoemde artikelen van het vorige plan mochten slechts op de gronden met de bestemming "Wonen" bijgebouwen worden gebouwd, waarbij in acht moest worden genomen dat de totale oppervlakte van de bijgebouwen maximaal 75 m² bedroeg. Weliswaar voorzag het vorige plan in een wijzigingsbevoegdheid, maar in tegenstelling tot hetgeen [appellant sub 9] stelt, was het slechts mogelijk de totale oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen te vergroten tot 150 m² en niet tot 250 m².

Het plandeel ter plaatse van de gronden van [appellant sub 9] heeft ingevolge de plankaart van het onderhavige plan deels de bestemming "Wonen" en deels de bestemming "Agrarisch". Nu het onderhavige plan ingevolge het negende en tiende lid van artikel 38 het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid biedt vrijstelling te verlenen voor een vergroting van de maximaal te bebouwen oppervlakte voor bijgebouwen binnen de bestemming "Wonen" tot 200 m², mist het betoog van [appellant sub 9] dat hij door het plan wordt beperkt in zijn mogelijkheden voor het bouwen van bijgebouwen feitelijke grondslag.

2.10.4. Voorts staat in de plantoelichting dat het aantal en de omvang van de bijgebouwen binnen de bestemming "Wonen" moeten worden beperkt om verdere verstening in het buitengebied te voorkomen. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de beperking van het maximaal te bebouwen oppervlakte met een vrijstelling voor bijgebouwen binnen de bestemming "Wonen" tot 200 m² onredelijk is.

2.10.5. Ingevolge artikel 38, lid 1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, zijn de gronden binnen vlakken die worden begrensd door lijnen op een afstand van 40 m uit de achtergevel van het hoofdgebouw en 20 m uit de overige gevels van het hoofdgebouw van de op de plankaart als "Wonen" aangeduide bestaande woningen, voorzover deze gronden deel uitmaken van het bij de desbetreffende woning behorende en direct ononderbroken aansluitende huisperceel, bestemd voor bewoning.

Gelet op de context van de term "huisperceel" in het voormelde voorschrift ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de term "huisperceel" als vermeld in artikel 38, lid 1, aanhef en onder a van de planvoorschriften onduidelijk en rechtsonzeker is. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat in het voorschrift is vermeld dat het huisperceel moet behoren tot de desbetreffende woning en daaraan direct ononderbroken moet aansluiten. Het betoog faalt.

2.10.6. Hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het artikel 38, lid 1, 9 en 10, van de planvoorschriften betreft, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 9] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 10]

2.11. [appellant sub 10] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend. Volgens [appellant sub 10] is de besluitvormingsprocedure onzorgvuldig verlopen. Hiertoe voert hij aan dat zijn zienswijzen en bedenkingen verkeerd en te beknopt in de nota van zienswijzen en het besluit zijn samengevat. Het college had niet mogen volstaan met het instemmen met de beoordeling van de raad van de ingediende zienswijze.

2.11.1. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de zienswijze samengevat wordt weergegeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, geeft op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen van het college zijn betrokken. In hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de procedure onzorgvuldig is verlopen.

2.11.2. [appellant sub 10] betoogt voorts dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Agrarisch" en "Bedrijf-Beperkt" ter plaatse van Heuvel 2 en 4 te Rijswijk. Hij voert hiertoe aan dat ten onrechte het bestaande gebruik niet als zodanig is bestemd, nu dit geen agrarisch gebruik is. Daarnaast is ten onrechte binnen de bestemming "Bedrijf-Beperkt" de maximaal toegelaten bedrijfsvloeroppervlakte beperkt tot 160 m².

2.11.3. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat de bestaande situatie als zodanig is bestemd. Eventuele uitbreidingen kunnen met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt.

2.11.4. Ingevolge artikel 4, lid 1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor het weiden van dieren.

2.11.5. In het deskundigenbericht staat dat het grasland op het perceel van [appellant sub 10] aan derden voor beweiding in gebruik gegeven wordt. [appellant sub 10] heeft dit niet ontkend. Weliswaar heeft [appellant sub 10] gesteld dat slechts op hobbymatige basis dieren zijn grasland beweiden, maar de raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet maakt dat het huidige gebruik in strijd is met het binnen de bestemming "Agrarisch" toegelaten gebruik als bedoeld in artikel 4, lid 1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften. [appellant sub 10] kan derhalve niet worden gevolgd in zijn stelling dat het bestaande gebruik niet als zodanig is bestemd.

2.11.6. Ingevolge de plankaart heeft het plandeel met de bestemming "Bedrijf¬-Beperkt" ter plaatse van Heuvel 2 en 4 onder meer de aanduiding "kantoor en trainingscentrum". Ingevolge artikel 13, lid 1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, is het perceel van [appellant sub 10] derhalve deels bestemd voor een kantoor en trainingscentrum met een maximale bedrijfsvloeroppervlakte van 160 m².

Ter zitting is gebleken dat de bestaande bedrijfsvloeroppervlakte ten tijde van de goedkeuring van het plan de maximaal toegelaten bedrijfsvloeroppervlakte van 160 m² niet overschreed. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad en [appellant sub 10] ter zitting hebben verklaard dat de halfopen schuur op het perceel van [appellant sub 10] die onder meer wordt gebruikt ten behoeve van de stalling van auto's niet moet worden beschouwd als een bedrijfsgebouw behorend bij zijn kantoor en trainingscentrum. Verder is ter zitting niet gebleken dat [appellant sub 10] concrete plannen heeft voor een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing. Nu het plan in de eerste plaats tot doel heeft een juridisch-planologisch kader te bieden voor de bestaande situatie in het plangebied, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat binnen de bestemming "Bedrijf-Beperkt" de maximaal toegelaten bedrijfsvloeroppervlakte ten onrechte is beperkt tot 160 m².

2.11.7. [appellant sub 10] betoogt voorts dat het conserverende karakter van het plan voor buurtschappen en lintbebouwing niet passend is, mede vanwege de bebouwingsdichtheid in deze gebieden. Het plan biedt ten onrechte, in strijd met provinciaal beleid, te beperkte bouwmogelijkheden voor de bewoners van buurtschappen en lintbebouwing, aldus [appellant sub 10].

2.11.8. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 10], mede naar aanleiding van de zitting, aldus dat het plan ten onrechte niet voorziet in mogelijkheden voor de bouw van een nieuwe woning elders op zijn perceel.

In het streekplan is vermeld dat de regio Rivierenland in de planvorming voor kleinschalige uitbreidingen van dorpen en linten of buurtschappen aandacht wil besteden aan het concept organisch groeien. Dergelijke nieuwe, kleinschalige uitbreidingen dienen te worden betrokken in de zoekzones voor stedelijke functies en landschappelijke versterking, zo staat in het streekplan.

Het college heeft ter zitting toegelicht dat het in overeenstemming met het in het streekplan geformuleerde beleid heeft ingestemd met de keuze van de raad om in gebieden die geen deel uitmaken van een provinciale zoekzone voor stedelijke functies, geen mogelijkheden te bieden voor nieuwbouw van woningen. Omwille van het behoud van het landelijke en agrarische karakter van het buitengebied, met inbegrip van de daarin voorkomende natuur- en landschapselementen, zijn beperkte uitbreidingsmogelijkheden in het plan opgenomen, aldus het college.

De Afdeling acht dit niet onredelijk. Nu het perceel van [appellant sub 10] in de geldende provinciale streekplanuitwerking "Zoekzones stedelijke functies en landschappelijke versterking" van 12 december 2006 niet is aangemerkt als provinciale zoekzone voor stedelijke functies heeft het college derhalve kunnen instemmen met de keuze van de raad om aan het belang van [appellant sub 10] bij de bouw van een nieuwe woning elders op zijn perceel geen doorslaggevend gewicht toe te kennen.

2.11.9. Hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Agrarisch" en "Bedrijf-Beperkt" ter plaatse van Heuvel 2 en 4 te Rijswijk, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 10] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 11]

2.12. [appellant sub 11] betoogt dat het perceel [locatie 6] te Rijswijk ten onrechte buiten de begrenzing van het plan valt. Hierdoor komt het perceel binnen de rode contour te liggen en wordt het aangeduid als zoekzone voor woningbouw en bedrijvigheid, aldus [appellant sub 11]. Volgens hem verhoudt woningbouw zich niet met de spuitzone bij zijn bedrijf en wordt onvoldoende rekening gehouden met zijn bedrijfsvoering.

2.12.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat als in de toekomst op het perceel [locatie 6] woningbouw mogelijk wordt gemaakt rekening zal worden gehouden met het bedrijf van [appellant sub 11].

2.12.2. Gelet op de systematiek van de WRO komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht.

De raad stelt dat het agrarisch bouwperceel aan [locatie 6] te Rijswijk binnen de rode contour "zoekzone woningbouw en bedrijvigheid" ligt. Het perceel is daarom niet in het onderhavige plan voor het buitengebied, maar in het bestemmingsplan voor de bebouwde kom van Rijswijk opgenomen.

Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voor zover [appellant sub 11] stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn bedrijfsvoering overweegt de Afdeling dat niet reeds door de vastgestelde planbegrenzing woningbouw op het perceel [locatie 6] mogelijk wordt gemaakt, maar dat hiervoor een afzonderlijke procedure moet worden gevoerd.

2.12.3. Voorts heeft [appellant sub 11] bezwaar tegen de omvang van het bouwvlak op het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" ter plaatse van [locatie 7] te Rijswijk. Hij betoogt dat de toegekende omvang niet passend is bij de omvang van zijn bedrijf. Bovendien zijn bij vergelijkbare bedrijven grotere bouwvlakken toegekend, aldus [appellant sub 11].

2.12.4. Het plan voorziet ter plaatse van de [locatie 7] in een bouwperceel met een oppervlakte van ongeveer 2500 m². In de zienswijzennota staat vermeld dat het bouwvlak met tien procent is vergroot ten opzichte van het bouwvlak in het vorige plan, nu aan de westzijde een strook van vijf meter is toegevoegd. Daarnaast staat in het deskundigenbericht dat [appellant sub 11] voldoende ruimte heeft voor het bouwen van een woning en enige uitbreiding van de bedrijfsgebouwen. [appellant sub 11] heeft dit niet betwist. Bovendien heeft [appellant sub 11] zijn stelling dat bij vergelijkbare bedrijven grotere bouwvlakken zijn toegekend niet nader onderbouwd. Nu het plan in de eerste plaats tot doel heeft een juridisch-planologisch kader te bieden voor de bestaande situatie in het plangebied, bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 11] ten onrechte wordt beperkt in zijn bouwmogelijkheden.

2.12.5. Hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing en het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" ter plaatse van [locatie 7] te Rijswijk, niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 11] is ongegrond.

Het beroep van de stichting

Toegekende bestemmingen

2.13. De stichting kan zich niet verenigen met het plan en stelt dat aan een aantal door haar geduide gronden een bestemming is toegekend die onvoldoende recht doet aan de landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden ter plaatse.

Volgens de stichting dient in twee gebieden langs de Linge ten zuiden van Buren de bestemming te worden gewijzigd in "Agrarisch-Linge-uiterwaardgebied" met behoud van de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorisch waardevol gebied". Deze twee gebieden vormen volgens de stichting de meest gave onderdelen van de Linge-uiterwaarden. Ook in het vorige plan was aan dit gebied de aanduiding "Linge-Uiterwaard" toegekend, terwijl sindsdien geen noemenswaardige veranderingen hebben plaatsgevonden. Daarnaast zijn deze gebieden aangeduid als natuurontwikkelingsgebied, zodat volgens de stichting voor deze gebieden in ieder geval een wijzigingsbevoegdheid had moeten worden opgenomen voor de bestemming "Natuur".

Voorts is aan het gebied tussen Ingen en Lienden volgens de stichting ten onrechte niet de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorisch waardevol gebied" toegekend. In dat verband wijst de stichting erop dat het kavelpatroon in dat gebied, dat is ontstaan door de meanderruggen en geulen, door middel van deze bestemming wordt beschermd en daardoor in de toekomst blijft behouden.

Verder is aan delen van de Beusichemse Waard ten onrechte niet de bestemming "Natuur" toegekend, aldus de stichting. Het gebied heeft zich in de loop der tijd ontwikkeld tot een natuurgebied waar grondgebonden agrarische productie niet langer op zijn plaats is. Voor het gebied ten westen van de Beusichemse Waard had ten minste een wijzigingsbevoegdheid moeten worden opgenomen voor de bestemming "Natuur", zo stelt de stichting.

Ook aan de Aalsdijk tussen Zoelmond en Buren is volgens de stichting ten onrechte niet de bestemming "Natuur" toegekend. In het vorige plan was aan het zuidelijke deel van de Aalsdijk de bestemming "Natuur" toegekend. Volgens de stichting hebben de dijkhellingen en de kleinschalige oeverlandjes geen agrarische betekenis. In ieder geval had ten oosten en ten noorden van de dijk een bredere natuurontwikkelingszone moeten worden opgenomen door middel van een wijzigingsbevoegdheid.

Aan een gedeelte van de Rijndijk en de Oude Rijn dient volgens de stichting de bestemming "Natuur" te worden uitgebreid gelet op de zeer hoge actuele natuurwaarden. Ook de graslandjes tussen de Rijndijk en de Oude Rijn dienen volgens de stichting de bestemming "Natuur" te krijgen, zodat de ecologische verbindingszone een robuuster karakter kan krijgen. In ieder geval had een wijzigingsbevoegdheid moeten worden opgenomen voor de bestemming "Natuur".

De stichting stelt verder dat doordat aan het open gebied ten noorden van Erichem en Kerk-Avezaath de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" is toegekend, de openheid van dit gebied onvoldoende is beschermd. Het gebied wordt in het streekplan aangeduid als waardevol open gebied. Volgens de stichting kan de openheid beter worden beschermd met de bestemming "Agrarisch-Komgebied".

Ook de gebieden ten westen en ten zuiden van de kern Buren zijn ten onrechte niet bestemd als "Agrarisch-Komgebied". In dat verband wijst de stichting op de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2002 in zaaknr. E01.98.0393/1 (www.raadvanstate.nl) (hierna: de uitspraak van 23 januari 2002) en het naar aanleiding daarvan genomen heroverwegingsbesluit van het college in 2008. In het plan worden deze gebieden aangeduid als "Rivierkom- en oeverwalachtige vlakte". Voor een vergelijkbaar gebied in het aangrenzende Hooge Veld is wel de bestemming "Agrarisch-Komgebied" opgenomen. Daarnaast acht de stichting de aanduiding "Bosontwikkelingszone" in het gebied ten zuiden van Buren onaanvaardbaar.

Verder is volgens de stichting aan het gebied Hornixveld ten onrechte de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" toegekend. Het betreft volgens de stichting een open komgebied dat in het plan wordt aangeduid als "Rivierkom- en oeverwalachtige vlakte". Ook is dit gebied in het streekplan aangeduid als waardevol open gebied. De openheid van het gebied wordt het beste gewaarborgd binnen de bestemming "Agrarisch-Komgebied" met de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorisch waardevol gebied", zo stelt de stichting.

Ook is in het plan aan enkele gebieden ten zuiden van Ravenswaaij en Rijswijk ten onrechte de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" met de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorisch waardevol gebied" toegekend. De stichting acht voor dit gebied de bestemming "Agrarisch-Komgebied" met (deels) de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorisch waardevol gebied" passender. Binnen de desbetreffende deelgebieden zijn weliswaar veel akkers aanwezig maar dit kan volgens de stichting geen rol spelen bij de begrenzing van de komgebieden.

Volgens de stichting had ook aan enkele gebieden ten zuiden van Ommeren de bestemming "Agrarisch-Komgebied" moeten worden toegekend. Deze gebieden behoren wat betreft openheid en structuur zonder twijfel tot het komgebied. Ook hier kan het huidige grondgebruik voor akkerbouw geen doorslaggevende rol spelen bij de begrenzing, aldus de stichting.

Tot slot stelt de stichting dat ten onrechte slechts aan een gedeelte van het Rijswijkse Veld, Het Broek, het Ommerensche- en Ingensche Veld en het Beusichemse Veld de aanduiding "weidevogelgebied" is toegekend. Daartoe wijst de stichting op een passage in de plantoelichting waarin staat dat deze gebieden nog in hun geheel van belang zijn als weidevogelgebied.

2.13.1. Het college en de raad verwijzen wat betreft de keuze voor de bestemmingen naar hetgeen in de plantoelichting is opgenomen in hoofdstuk 4. Voorts stelt het college dat de bestemmingen zijn getoetst aan het streekplan. Onder "planbeoordeling" van het besluit omtrent goedkeuring is aangegeven aan welke bestemmingen goedkeuring is onthouden wegens strijd met het streekplanbeleid, aldus het college.

Twee gebieden langs de rivier de Linge

2.13.2. Aan de door de stichting bedoelde gebieden langs de Linge, ten zuiden van de Erichemsekade en het Laageinde, is de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" toegekend. In het vorige plan hadden deze gebieden de bestemming "Agrarisch gebied D" met de aanduiding

"Linge-uiterwaardgebied", welke bestemming vergelijkbaar is met de bestemming "Agrarisch-Linge-uiterwaardgebied" zoals deze thans in het plan is opgenomen. Het college noch de raad hebben gemotiveerd waarom gelet hierop aan de gebieden thans de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" is toegekend. De raad heeft ter zitting overigens erkend dat de bestemming "Agrarisch-Linge-uiterwaardgebied" passender was geweest.

Het betoog slaagt, zodat hetgeen de stichting ten aanzien van deze gebieden overigens heeft aangevoerd geen bespreking behoeft.

Het gebied tussen Ingen en Lienden

2.13.3. Aan een gedeelte van het gebied tussen Ingen en Lienden is door het college goedkeuring onthouden. Door de onthouding van goedkeuring aan het planonderdeel waartegen de inhoudelijke beroepsgronden van de stichting zijn gericht, is in zoverre aan haar beroep tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, oordeelde de Afdeling in bestemmingsplanzaken op grond van de WRO dat niet slechts de onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in de beroepsprocedure ter beoordeling kon staan. Daarbij was het procesbelang gelegen in de verplichting het besluit van het college in acht te nemen bij het artikel 30-plan.

Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) in werking getreden.

Aangezien het besluit tot onthouding van goedkeuring is genomen na 1 juli 2008, staat vast dat voor het planonderdeel waaraan goedkeuring is onthouden een bestemmingsplan op grond van de Wro zal moeten worden vastgesteld. Artikel 30 van de WRO heeft evenwel, zoals de Afdeling eerder in haar uitspraak van 16 juli 2008, zaak nr. 200705923/1, heeft overwogen, geen betekenis voor een op grond van de Wro vast te stellen plan. Gezien het voorgaande is het belang bij de beoordeling van het beroep dat gericht is tegen de aan het besluit tot onthouding van goedkeuring ten grondslag liggende motivering, ingaande 1 juli 2008, komen te vervallen. De bezwaren van de stichting kunnen aan de orde komen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan onder de Wro.

2.13.4. Aan het gebied tussen Ingen en Lienden, voor zover hieraan door het college goedkeuring is verleend, is de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" toegekend zonder de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorisch waardevol gebied". Binnen deze dubbelbestemming is voorzien in een aanlegvergunningenstelsel dat specifiek betrekking heeft op het wijzigen van de tracés en patronen van de kavelgrenzen, wegen en waterlopen, alsmede van het reliëf. In het deskundigenrapport staat dat in het kavelpatroon van het gebied tussen Ingen en Lienden nog de oude loop van de Rijn is terug te vinden. Daarnaast is aan dit gebied op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Gelderland de aanduiding "historisch geografische waarde - hoog" toegekend. Gelet op de bijzondere waarden van dit deel van het plangebied, hetgeen door het college en de raad niet is weersproken, heeft het college noch de raad naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd waarom ter plaatse kon worden afgezien van het toekennen van de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorisch waardevol gebied". Het betoog van de stichting slaagt.

Beusichemse Waard

2.13.5. Aan het gebied Beusichemse Waard is aan de westzijde de bestemming "Natuur-Uiterwaardgebied" toegekend en aan de oostzijde de bestemming "Agrarisch-Uiterwaardgebied". Anders dan ter plaatse van de gronden met de bestemming "Natuur", zijn de gronden met voornoemde bestemmingen (mede) bestemd voor grondgebonden agrarische productie.

In de plantoelichting staat dat de bestemming "Natuur-Uiterwaardgebied" is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurwaarden en landschappelijke waarden die eigen zijn aan een natuurlijk uiterwaardgebied, in samenhang met kleiwinning en ontgrondingen ten behoeve van de vergroting van het waterbergend- en afvoerend vermogen van de uiterwaarden. Om het behoud van bestaande waarden te bewerkstelligen en het ongeschikt raken van het gebied voor de realisatie van de bestemming te voorkomen, is een uitgebreid stelsel van aanlegvergunningen opgenomen, zo staat in de toelichting.

Ten aanzien van de bestemming "Agrarisch-Uiterwaardgebied" staat in de plantoelichting dat de bestemming met name is gericht op instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden en natuurwaarden die eigen zijn aan een agrarisch uiterwaardgebied en op duurzame exploitatiemogelijkheden voor de grondgebonden landbouw. Gelet op deze tweeledige doelstelling gelden binnen de bestemming enige beperkingen ten aanzien van de landbouw, zo staat in de toelichting. De plaatsing van kunststoftunnels is uitgesloten en voorts geldt een aanlegvergunningenstelsel voor egalisatie, de aanplant van nieuwe opgaande beplanting (waaronder boomgaarden en boomkwekerijen), drainage en het scheuren van grasland. Verder staat in de toelichting dat nadere eisen zijn gesteld ten aanzien van vrijstellingsbevoegdheden en wijzigingen van het plan, ten behoeve van het behoud van de landschappelijke- en natuurwaarden.

Gelet op het vorenstaande alsmede in aanmerking genomen hetgeen de stichting heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de toegekende bestemmingen onvoldoende bescherming bieden aan de natuur- en landschappelijke waarden ter plaatse. Het college heeft derhalve voor de gronden ter plaatse van de Beusichemse Waard in redelijkheid goedkeuring kunnen verlenen aan de bestemmingen "Natuur-Uiterwaardgebied" en "Agrarisch-Uiterwaardgebied".

2.13.6. Voor zover de stichting betoogt dat voor de bestemming "Natuur-Uiterwaardgebied" ten onrechte geen wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor de bestemming "Natuur", wordt overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen instemmen met het achterwege laten van die bevoegdheid in het plan. Hierbij wordt betrokken hetgeen in artikel 27 van de planvoorschriften is opgenomen omtrent de aan het gebied toe te dichten natuurwaarden in samenhang met de planvoorschriften omtrent het gebruik en de beperkt toegestane bebouwing.

De Aalsdijk tussen Zoelmond en Buren

2.13.7. Aan het dijktalud van de Aalsdijk tussen Zoelmond en Buren zijn de bestemmingen "Agrarisch-Komgebied" en "Agrarisch" toegekend.

De bestemming "Agrarisch-Komgebied" is toegekend aan het noordelijk dijktalud en deels aan het zuidelijk dijktalud van de Aalsdijk. In de plantoelichting staat dat de gronden met deze bestemming zijn bestemd voor duurzame exploitatie van de grondgebonden landbouw en niet-grondgebonden neventakken van beperkte omvang alsmede voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan een agrarisch komgebied. Er gelden enige beperkingen voor de landbouw, waaronder het verbod om buiten de bouwpercelen kunststoftunnels en overkappingen op te richten. Voorts geldt een uitgebreid stelsel van aanlegvergunningen. Blijkens het deskundigenbericht zijn de gronden met deze bestemming in particulier eigendom en in gebruik als grasland. Gezien het vorenstaande alsmede in aanmerking genomen hetgeen de stichting heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de toegekende bestemming onvoldoende bescherming biedt aan de natuur- en landschappelijke waarden ter plaatse. Het college heeft voor deze gronden derhalve in redelijkheid goedkeuring kunnen verlenen aan de bestemming "Agrarisch-Komgebied".

2.13.8. De bestemming "Agrarisch" is toegekend aan een gedeelte van de gronden op het zuidelijk dijktalud van de Aalsdijk. Dit gebied is in het plan niet aangewezen als natuurontwikkelingsgebied terwijl voorts uit de plankaart blijkt dat zich op deze gronden ter plaatse enkele bouwpercelen bevinden. De gronden met deze bestemming kennen, aldus de plantoelichting, relatief geringe, meer algemene, landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden. Deze gronden zijn naast grondgebonden agrarische productie evenwel ook bestemd voor landschappelijke beplanting. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de bestemming "Agrarisch" aan deze gronden.

Voor zover de stichting stelt dat aan dit gedeelte van het dijktalud van de Aalsdijk een zone ten behoeve van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 62, lid 16, van de planvoorschriften, had moeten worden opgenomen, wordt overwogen dat de raad ter zitting heeft uiteengezet dat het zuiver agrarische gebruik van deze gronden impliceert dat hieraan geen behoefte is. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk.

De Rijndijk en de Oude Rijn ten oosten van Lienden

2.13.9. Aan het westelijk dijktalud van de Rijndijk en de Oude Rijn alsmede aan de drie gebieden tussen de Rijndijk en de Oude Rijn is de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" toegekend. In de plantoelichting staat dat deze bestemming is toegekend aan landschappelijk waardevolle landbouwgronden in het oeverwalgebied, voor zover deze deel uitmaken van de ontworpen landschappelijk-ecologische structuur in de gemeentelijke visie op de toekomstige ontwikkeling van het buitengebied. De gronden zijn bestemd voor duurzame exploitatie van de grondgebonden landbouw en niet-grondgebonden neventakken van beperkte omvang alsmede voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan een agrarisch oeverwalgebied. Er gelden enige beperkingen voor de landbouw en voorts zijn extra maatregelen opgenomen in het stelsel van aanlegvergunningen. Blijkens het deskundigenbericht zijn de gronden met deze bestemming in particulier eigendom en worden deze agrarisch gebruikt. Gelet op het vorenstaande heeft het college voor deze gronden in redelijkheid goedkeuring kunnen verlenen aan de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied". Voorts wordt overwogen dat de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de bestemming "Natuur" in artikel 62, lid 16 van de planvoorschriften, van toepassing is op alle gronden met de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" zodat dit betoog van de stichting feitelijke grondslag mist.

Het open gebied ten noorden van Erichem en Kerk-Avezaath

2.13.10. Aan het gebied ten noorden van Erichem en Kerk-Avezaath is de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" toegekend met de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorisch waardevol gebied". Anders dan de stichting stelt, is het desbetreffende gebied in het streekplan niet aangeduid als waardevol open gebied. In de plantoelichting op bladzijde 129 is het desbetreffende gebied aangeduid als waardevol oeverwalgebied. Op de geomorfologische kaart op bladzijde 73 en 74 van de plantoelichting is het gebied aangeduid als rivieroeverwal of stroomrug. In het Landschapsbeleidsplan Gemeente Buren 2001 (hierna: het landschapsbeleidsplan) staat dat dit gebied zich kenmerkt door een afwisseling van open en besloten delen. Blijkens het in zoverre niet weersproken deskundigenbericht is het open gebied, met uitzondering van De Opstal, ter plaatse niet grootschalig. Gelet op het vorenstaande heeft het college naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen instemmen met de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" voor het gebied ten noorden van Erichem en Kerk Avezaath.

De gebieden ten westen en ten zuiden van de kern Buren

2.13.11. Aan de gebieden ten westen en ten zuiden van de kern Buren is in het plan de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" toegekend alsmede voor een gedeelte binnen deze gebieden de aanduiding "Bosontwikkelingszone". In de provinciale streekplanuitwerking "Kernkwaliteiten Waardevolle Landschappen" van 16 mei 2006 (hierna: de streekplanuitwerking) zijn deze gronden aangeduid als oeverwallen. Ook op de in de plantoelichting opgenomen kaart op bladzijde 129 zijn de gebieden aangeduid als oeverwalgebied. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" voor de desbetreffende gebieden.

Voor zover de stichting erop wijst dat de gebieden in de plantoelichting zijn aangeduid als "Rivierkom- en oeverwalachtige vlakte" wordt overwogen dat in de plantoelichting staat dat deze gebieden zowel komachtige als oeverwalachtige kenmerken hebben. In het deskundigenbericht staat dat het gebied grotendeels agrarisch in gebruik is, waaronder met name grasland en boom- en fruitteelt, en dat het geen grootschalig open gebied betreft.

Het betoog van de stichting dat het gelet op de uitspraak van 23 januari 2002 en het naar aanleiding daarvan genomen heroverwegingsbesluit van het college meer in de rede had gelegen om het gebied als "Agrarisch-Komgebied" te bestemmen, volgt de Afdeling niet nu uit deze stukken niet eenduidig is af te leiden hoe de desbetreffende gebieden het beste kunnen worden getypeerd en welke bestemming daartoe het meest passend is. De enkele stelling van de stichting dat het gebied zich nauwelijks onderscheidt van het aangrenzende gebied Hooge Veld, ten zuiden van de kern Erichem, waaraan wel de bestemming "Agrarisch-Komgebied" is toegekend, leidt, gezien al het vorenstaande, niet tot een ander oordeel.

2.13.12. In artikel 62, lid 17, van de planvoorschriften, is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders het plan kan wijzigen ten aanzien van de gronden met de aanduiding "Bosontwikkelingszone" voor het aanwijzen van een nieuw landgoed. In artikel 62, lid 18, van de planvoorschriften, is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders het plan kan wijzigen ten aanzien van de gronden met de aanduiding "Bosontwikkelingszone", om daarmee, onder de daar genoemde voorwaarden, de aanleg van bos mogelijk te maken. Omdat met het bestaan van een door het college goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven kan worden beschouwd, dient reeds bij dit plan te worden bezien of de met deze wijzigingsbevoegdheid beoogde ontwikkeling in beginsel aanvaardbaar is. In de plantoelichting staat dat binnen het agrarisch oeverwalgebied een aantal gebieden bij uitstek geschikt is voor het ontwikkelen van nieuwe bossen, al dan niet in combinatie met nieuwe landgoederen. Bosontwikkeling in het gebied ten zuiden van Buren kan volgens de toelichting een goede afronding van de bebouwde kom vormen. Voorts staat in het deskundigenrapport dat het gebied op een stroomrug ligt en dat de ontwikkeling van bos niet strijdig is met de kenmerken van een stroomrug. De stichting heeft dit niet bestreden. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de aanduiding "Bosontwikkelingszone" voor het gebied ten zuiden van de kern Buren.

Het Hornixveld

2.13.13. Aan het gebied binnen de zone van de provinciale weg tussen de Tielsestraat en de Tielseweg in het Hornixveld is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Blijkens de plankaart zijn ter plaatse enkele bedrijven gevestigd, waaronder een viskwekerij. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college voor deze gronden in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de bestemming "Agrarisch". Dat voornoemde gebieden in de plantoelichting op de geomorfologische kaart zijn aangeduid als "Rivierkom- en oeverwalachtige vlakte" brengt niet met zich dat het toekennen van de bestemming "Agrarisch" daarmee is uitgesloten. Het feitelijk gebruik en de vraag in hoeverre de kernkwaliteiten van bepaalde landschapstypen ter plaatse nog aanwezig zijn mogen worden betrokken bij het toekennen van bestemmingen. Het betoog faalt.

2.13.14. Het gebied ten noorden van de N320, tussen de Tielsestraat en de kruising met de provincialeweg en de Wal, valt in de streekplanuitwerking binnen het deelgebied kommen. De gronden direct ten zuiden hiervan zijn bestemd als "Agrarisch-Komgebied".

Het gedeelte van het Hornixveld met de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied", dat ligt tussen de Tielseweg en de Tielsestraat tot aan de Harensestraat, valt in de streekplanuitwerking binnen het gebied Oeverwal Hornixveld. Op de geomorfologische kaart in de plantoelichting is het gebied ook aangeduid als oeverwalgebied. Uit de bodemkaart Nederland blijkt dat dit gebied kan worden getypeerd als een stroomrug en deels als kom op stroomrug, en dat dergelijke gebieden kunnen worden beschouwd als komachtig gebied. Daarnaast betreft het gebied volgens het in zoverre niet weersproken deskundigenbericht een overgang tussen het oeverwalgebied en het komgebied, waarbij het komachtige gedeelte relatief groot is en daarnaast is te typeren als een open gebied.

Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college noch de raad voldoende heeft gemotiveerd waarom aan deze gebieden niettemin de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" kan worden toegekend. Het betoog van de stichting slaagt in zoverre.

Enkele gebieden ten zuiden van Ravenswaaij en Rijswijk

2.13.15. Aan het gebied dat door de stichting in het beroepschrift is aangeduid als "1", voor zover hieraan door het college goedkeuring is verleend, is de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" toegekend met de dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorisch waardevol gebied". Dit gebied valt voor het overige gedeelte grotendeels buiten het in de streekplanuitwerking opgenomen gebied van waardevolle landschappen. Voor zover het gebied hier wel binnen valt, valt het binnen het deelgebied Oeverwalranden. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" voor dit gebied passend is.

Aan het gebied dat door de stichting in het beroepschrift is aangeduid met "2" is in het plan de bestemming "Agrarisch" toegekend. Dit gebied ligt grotendeels binnen het gebied Oeverwalranden in de streekplanuitwerking. Niet in geschil is dat ter plaatse veel akkers aanwezig zijn. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met de bestemming "Agrarisch" voor dit gebied.

Het gebied dat door de stichting is aangeduid met "3" is in het plan bestemd als "Agrarisch" en valt in het deelgebied Oeverwalrand van de streekplanuitwerking. Op de plankaart zijn verschillende bouwpercelen aangewezen terwijl voorts niet in geschil is dat ter plaatse veel akkers aanwezig zijn. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid goedkeuring kunnen verlenen aan de bestemming "Agrarisch" voor dit gebied.

Enkele gebieden ten zuiden van Ommeren

2.13.16. Het gebied ten zuiden van Ommeren dat door de stichting is aangeduid met "1", voor zover aan dit gebied goedkeuring is verleend, alsmede het gebied dat door de stichting in het beroepschrift is aangeduid met "2" is in de streekplanuitwerking aangeduid als Oeverwalranden. Niet in geschil is dat in het gebied relatief veel akkerbouw aanwezig is en de openheid daardoor beperkt is. De Afdeling ziet gelet op het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de bestemming "Agrarisch" voor deze gronden.

Diverse open komgebieden

2.13.17. De door de stichting bedoelde open komgebieden betreffen het Rijswijksche Veld, Het Broek, het Ommerensche- en Ingensche Veld en het Beusichemseveld. In de plantoelichting staat dat de provincie Gelderland een bijzondere verantwoordelijkheid neemt voor een aantal weidevogel- en ganzengebieden buiten de EHS. Hierop is toegespitst beleid van toepassing: de weidevogel- en ganzengebieden buiten de EHS die van provinciaal belang worden geacht, worden beschermd tegen doorsnijding, aantasting van rust en openheid, verlaging van het waterpeil en verstoring. Deze gebieden zijn in het streekplan aangeduid op de zogenoemde Beschermingskaart, zo staat in de toelichting. De raad heeft bij het aanwijzen van de weidevogelgebieden gebruik gemaakt van de Beschermingskaart zoals opgenomen in het streekplan en deze in het plan overgenomen. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt waarom aan het Rijswijksche Veld, Het Broek, het Ommerensche- en Ingensche Veld, voor zover deze gebieden op voornoemde Beschermingskaart niet zijn aangeduid als "weidevogelgebied", in het plan niettemin als zodanig hadden moeten worden aangeduid.

Ten aanzien van het Beusichemseveld geldt dat dit gebied in het geheel niet op voornoemde Beschermingskaart staat vermeld. De stichting heeft geen redenen aangevoerd waarom dit gebied als weidevogelgebied had moeten worden aangeduid.

Algemene gronden

Bosontwikkelingsgebieden

2.14. De stichting stelt dat in het plan ten onrechte drie locaties zijn aangewezen met de aanduiding "Bosontwikkelingszone". Deze bosontwikkelingszones liggen in open rivierkomachtige vlakten, zodat het waardevolle open karakter teniet zal worden gedaan als bosontwikkeling zal plaatsvinden, aldus de stichting. Voorts zijn deze gebieden in het streekplan grotendeels aangeduid als waardevol landschap. Volgens de stichting kan bosontwikkeling beter plaatsvinden in de gebieden met de bestemming "Agrarisch" tussen Maurik en Lienden.

2.14.1. Het college stelt dat de gronden met de aanduiding "Bosontwikkelingszone" niet liggen binnen het waardevol open gebied zoals aangeduid in het streekplan. Toepassing van artikel 62, lid 18, van de planvoorschriften leidt volgens het college dan ook niet tot een aantasting van de grootschalige openheid.

2.14.2. In het plan zijn binnen de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch-Oeverwalgebied" aan in totaal drie gebieden de aanduiding "Bosontwikkelingszone" toegekend, te weten twee gebieden tussen Buren en Zoelen alsmede een gebied ten zuiden van Ommeren.

2.14.3. In artikel 62, lid 17, van de planvoorschriften, is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders het plan kan wijzigen ten aanzien van de gronden met de aanduiding "Bosontwikkelingszone" voor het aanwijzen van een nieuw landgoed.

In artikel 62, lid 18, van de planvoorschriften, is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders het plan kan wijzigen ten aanzien van de gronden met de aanduiding "Bosontwikkelingszone", om daarmee, onder de daar genoemde voorwaarden, de aanleg van bos mogelijk te maken.

2.14.4. Zoals hiervoor onder 2.13.12. is overwogen, dient, omdat met het bestaan van een door het college goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven kan worden beschouwd, reeds bij dit plan te worden bezien of de met deze wijzigingsbevoegdheid beoogde ontwikkeling in beginsel aanvaardbaar is.

Blijkens themakaart 22 van het streekplan zijn de desbetreffende gebieden niet aangemerkt als waardevol open gebied maar wel grotendeels als waardevol landschap. In de streekplanuitwerking is opgenomen dat voor waardevolle landschappen die niet in de EHS (Ecologische Hoofdstructuur) en/of waardevolle open gebieden liggen, zoals hier het geval is, het "ja, mits"-regime geldt, waarbij activiteiten zijn toegestaan mits de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt. In de streekplanuitwerking zijn de gebieden die zijn aangeduid als "Bosontwikkelingszone" grotendeels aangeduid als Oeverwallen of Oeverwalrand, waarbij de openheid niet als kernkwaliteit is opgenomen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de gebieden met de aanduiding "Bosontwikkelingszone" zijn aangewezen in strijd met het streekplanbeleid.

Voor zover de stichting stelt dat de gebieden met de aanduiding "Bosontwikkelingszone" zijn aangeduid als open rivierkomachtige vlakten wordt overwogen dat blijkens het deskundigenrapport het gebied onder Buren, met de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" niet kan worden beschouwd als een rivierkomachtige vlakte.

Het gebied bij Ommeren alsmede de noordelijke strook van het gebied tussen Buren en Zoelen kan op grond van de bodemkaart Nederland volgens het deskundigenrapport worden getypeerd als rivierkomachtige vlakten. Niettemin is de Afdeling van oordeel dat het college in redelijkheid goedkeuring heeft kunnen verlenen aan de aanduiding "Bosontwikkelingszone" voor deze twee gebieden. Hierbij betrekt de Afdeling dat aan deze gebieden de bestemming "Agrarisch" is toegekend. In de plantoelichting staat dat deze bestemming is toegekend aan landbouwgronden met relatief geringe, meer algemene, landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden. Blijkens de plankaart zijn in deze gebieden een aantal bouwpercelen opgenomen en bevindt zich in het gebied bij Ommeren tevens een waterwinningsbedrijf met een pompstation voor drinkwatervoorzieningen.

2.14.5. Voor zover de stichting stelt dat het gebied tussen Maurik en Lienden zich beter leent voor bosontwikkeling, wordt overwogen dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Gezien het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

Boomkwekerijen

2.15. De stichting kan zich verder niet verenigen met het plan voor zover binnen de bestemmingen "Agrarisch-Komgebied" en "Agrarisch-Uiterwaardgebied" na het verkrijgen van een aanlegvergunning (thans: omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), het oprichten van boomkwekerijen is toegestaan. Volgens de stichting dienen boomkwekerijen binnen deze bestemmingen zonder meer te worden geweerd nu zij een sterk industrieel karakter hebben en zullen leiden tot een aantasting van de openheid van deze gebieden. Alleen in zuiver agrarische gebieden zouden boomkwekerijen moeten worden toegestaan, aldus de stichting.

2.15.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat boomkwekerijen zijn te beschouwen als een normale vorm van agrarische productie en daarom binnen de genoemde bestemmingen zijn toegestaan, al dan niet na het verkrijgen van een aanlegvergunning.

2.15.2. Aan de gronden met de bestemming "Agrarisch-Komgebied" met de aanduiding "weidevogelgebied" is door het college goedkeuring onthouden. Gelet hierop komt aan het aanlegvergunningenstelsel als bedoeld in artikel 5, lid 18, aanhef en onder f, van de planvoorschriften geen betekenis toe. Voor de gronden met de bestemming "Agrarisch-Komgebied" zonder de aanduiding "weidevogelgebied" is het aanplanten van houtopstanden, waaronder begrepen boomkwekerijen, toegestaan zonder dat daartoe eerst een aanlegvergunning is vereist.

Ter zitting heeft de raad desgevraagd toegelicht dat weliswaar tot de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de gronden met de bestemming "Agrarisch-Komgebied" de landschappelijke openheid wordt gerekend, maar de oprichting van boomkwekerijen niet leidt tot een aantasting van de openheid omdat geen sprake is van onomkeerbare gevolgen voor het landschap. Bovendien, zo heeft de raad ter zitting uiteengezet, komen boomkwekerijen met name op de hoger gelegen randen van het komgebied voor omdat de komgronden op zichzelf niet geschikt zijn voor boomkwekerijen. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat boomkwekerijen op gronden met de bestemming "Agrarisch-Komgebied" aanvaardbaar zijn.

2.15.3. Op grond van artikel 10, lid 13, van de planvoorschriften, voor zover van belang, is het verboden binnen de bestemming "Agrarisch-Uiterwaardgebied" houtopstanden aan te planten zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van het college van burgemeester en wethouders. Op grond van lid 15 van dit artikel gaat het college van burgemeester en wethouders eerst over tot het verlenen van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) indien uit een nader onderzoek is gebleken dat door de beoogde werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan te verwachten directe of indirecte gevolgen, de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden, of de mogelijkheden tot herstel of ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden aangetast.

In artikel 10, lid 3, van de planvoorschriften, worden tot de landschappelijke waarden en natuurwaarden onder meer gerekend agrarisch gebruik, overwegend als grasland. De openheid van het landschap wordt hier niet als natuurwaarde genoemd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de mogelijkheid om boomkwekerijen binnen de bestemming "Agrarisch-Uiterwaardgebied" op te richten, mits daartoe een aanlegvergunning (thans: omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) is verleend.

Voor zover dit betoog van de stichting mede geacht moet worden te zijn gericht tegen artikel 10, lid 3, van de planvoorschriften, voor zover daarin de openheid van het gebied niet als afzonderlijke landschappelijke- en natuurwaarde is opgenomen, wordt overwogen dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat reeds een vrij uitgebreide omschrijving van de landschappelijke- en natuurwaarden is opgenomen en dat de openheid die kenmerkend is voor de komgebieden niet gelijk is aan de openheid in uiterwaardgebieden. Daarnaast heeft de raad er ter zitting op gewezen dat uit onderdeel e van dit artikellid volgt dat beplanting, waaronder houtopstanden, niet hoger mogen zijn dan de daar omschreven opgaande beplanting, zodat gelet op het bepaalde in artikel 10, lid 15, van de planvoorschriften, in zoverre de openheid van de uiterwaarden is gewaarborgd. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in artikel 10, lid 3, ten onrechte de openheid niet als afzonderlijke landschappelijke- en natuurwaarde is aangemerkt. Het betoog faalt derhalve.

Agrarische bouwpercelen

2.16. Voorts kan de stichting zich niet verenigen met het uitgangspunt in het plan om agrarische bedrijven met een omvang vanaf 10 NGE als reëel agrarisch bedrijf aan te merken en als zodanig te bestemmen. Volgens de stichting dient de grens van een reëel agrarisch bedrijf conform het vorige plan op 70 NGE te liggen. Het als zodanig bestemmen van onvolwaardige en hobbymatige bedrijven staat volgens de stichting in de weg aan het uitgangspunt in het plan om te streven naar een sterke landbouw met duurzame bedrijven, en is volgens haar voorts in strijd met een goede ruimtelijke ordening en de jurisprudentie. Daarnaast neemt hierdoor de verstening in het buitengebied toe, gelet op de mogelijkheid om binnen agrarische bouwpercelen bijgebouwen op te richten alsmede gelet op de mogelijkheid van hergebruik en functiewijziging. De stichting is van mening dat aan hobbymatige bedrijven een woonbestemming dient te worden toegekend. Bij niet-volwaardige bedrijven dient het bouwperceel beperkt te worden tot de bestaande situatie, waarbij de mogelijkheid van hergebruik en functiewijziging beperkt moeten worden.

2.16.1. Het college acht het uitgangspunt in het plan om bedrijven met een omvang vanaf 10 NGE als reëel agrarisch bedrijf aan te merken en als zodanig te bestemmen aanvaardbaar en in lijn met het principe om potentiële agrarische locaties te behouden in het buitengebied waarmee het agrarische cultuurlandschap wordt behouden.

2.16.2. In de plantoelichting staat dat aan elk bestaand, als zodanig geïnventariseerd, reëel agrarisch bedrijf een agrarisch bouwperceel is toegekend. Op dit perceel dient de bedrijfsbebouwing te worden geconcentreerd, om spreiding van bouwwerken tegen te gaan. Aan volwaardige bedrijven met een omvang van meer dan 50 NGE is voor de omvang van het bouwperceel uitgegaan van het vigerende bouwperceel. Daarnaast is voor bestaande bedrijven met een bouwperceel en een omvang van meer dan 10 NGE het vigerende bouwperceel gehandhaafd.

In de plantoelichting staat voorts dat voor het buitengebied wordt gestreefd naar het behoud van het landelijke karakter en het waardevolle rivierenlandschap, met inbegrip van de daarin voorkomende natuurgebieden en natuur- en landschapselementen. Om dit te kunnen bereiken wordt onder meer ingezet op de ontwikkeling van duurzame landbouw door middel van het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor (grondgebonden) agrarische bedrijven. Verdere "verstening" en "verglazing" van het buitengebied door de bouw van nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen dient hierbij te worden beperkt, zo staat in de toelichting.

2.16.3. Anders dan de stichting betoogt, is het toekennen van agrarische bouwpercelen aan bestaande bedrijven met een minimale omvang van 10 NGE niet in strijd met het uitgangspunt in het plan om te streven naar duurzame landbouw. Uit de plantoelichting volgt dat dit uitgangspunt ziet op het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor (grondgebonden) agrarische bedrijven. Hiertoe zijn geen voorwaarden gesteld aan de minimale omvang van agrarische bedrijven.

Voor zover de stichting betoogt dat het hanteren van deze norm ertoe leidt dat de bebouwingsmogelijkheden in het buitengebied toenemen, wordt overwogen dat uitsluitend bestaande als zodanig onder het vorige plan bestemde bouwpercelen met een omvang van minimaal 10 NGE als zodanig zijn bestemd en dat door het college wegens strijd met het streekplanbeleid goedkeuring is onthouden aan de wijzigingsbevoegdheden in artikel 62, leden 4, 4a, 5 en 6, van de planvoorschriften, welke wijzigingsbevoegdheden zien op vergroting en vormverandering van agrarische bouwpercelen, bestemmingsvlakken voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven en bestemmingsvlakken voor glastuinbouwbedrijven alsmede op nieuwe agrarische bouwpercelen. Gelet hierop ziet de Afdeling ook geen aanleiding voor het oordeel dat het toekennen van bouwpercelen aan bestaande agrarische bedrijven met een minimale omvang van 10 NGE in strijd is met het uitgangspunt om verdere verstening en verglazing van het buitengebied te beperken.

De stichting heeft voorts niet nader onderbouwd waarom dit uitgangspunt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de jurisprudentie. De enkele stelling van de stichting dat het hanteren van een norm van 70 NGE gebruikelijk is bij andere provincies en gemeenten leidt, daargelaten wat hiervan zij, niet tot een ander oordeel. Het betoog slaagt niet.

2.16.4. Voor zover de stichting betoogt dat door het toekennen van bouwpercelen aan agrarische bedrijven met een minimale omvang van 10 NGE de verstening in het buitengebied zal toenemen vanwege de in het plan opgenomen mogelijkheid van functiewijziging naar wonen, wordt overwogen dat in artikel 62, leden 12 en 13, van de planvoorschriften, is bepaald dat bij bedrijfsbeëindiging de bouw van een nieuw woongebouw of van nieuwe woningen is toegestaan nadat het in deze artikelleden opgenomen relevante percentage aan bedrijfsbebouwing is gesloopt. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de mogelijkheid van functieverandering naar wonen in het buitengebied zal leiden tot een toename van de verstening.

Spuitzones

2.17. De stichting betoogt dat het beleid omtrent het opnemen van spuitzones in het plan inconsequent is, nu rond uitbreidingen van dorpen en verblijfsrecreatie wel spuitzones zijn opgenomen, maar rond een aantal bewoningsconcentraties niet. Volgens de stichting dient rond elke kern en bewoningsconcentratie zoals in de plantoelichting genoemd een spuitzone te worden opgenomen. Nu ontbreekt de mogelijkheid om handhavend te kunnen optreden. Voorts voorziet het plan door middel van wijzigingsbevoegdheden in de mogelijkheid van nieuwe woningbouw waarvoor de exacte locaties nog niet zijn vastgelegd. In de planvoorschriften dient volgens de stichting dan ook te worden voorzien in een afwegingskader tussen het bespuiten van boomgaarden en de belangen van omwonenden.

2.17.1. Het college stelt zich op het standpunt dat geen verplichting bestaat tot het opnemen van spuitzones en dat bestemmingen zodanig kunnen worden gelegd dat aan de afstand van een spuitzone wordt voldaan. Voorts wijst het college met de raad op hetgeen in de plantoelichting is opgenomen omtrent spuitzones.

2.17.2. In de plantoelichting staat dat de gemeente Buren veel kernen, een groot aantal woonbebouwingconcentraties in de vorm van buurtschappen en veel verspreide woningen in het buitengebied kent. Door het maken van onderscheid tussen de diverse woningconcentraties in relatie tot spuitzones, zal een grote mate van rechtsongelijkheid ontstaan voor wat betreft de bescherming van het woon- en leefklimaat en de volksgezondheid, zo staat in de toelichting. Aangezien de gevolgen voor het agrarisch gebruik van de gronden in geval van het bij alle woningen opnemen van een spuitzone onevenredig bezwarend is, is besloten geen spuitzones op te nemen. Dit laat, aldus de toelichting, onverlet dat er in diverse plannen voor nieuwe uitbreidingen van de dorpen en verblijfsrecreatieterreinen wel spuitzones zijn opgenomen die gehandhaafd moeten blijven.

2.17.3. In het nader ingezonden stuk alsmede ter zitting heeft de raad nader uiteengezet waarom in het plan geen spuitzones zijn opgenomen. Daartoe is volgens de raad van belang dat het plan een conserverend karakter heeft en dat de bestaande situaties daarin zijn gehandhaafd. De raad wijst erop dat Buren van oorsprong een sterke vermenging van agrarische functies en woonfuncties kent en dat in een groot aantal gevallen de afstand tussen deze functies minder dan 50 meter bedraagt. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de normafstand van 50 meter, zo stelt de raad. Het college heeft ter zitting verklaard te kunnen instemmen met dit uitgangspunt in het plan, waarbij het heeft benadrukt dat in nieuwe situaties wel spuitzones worden opgenomen.

2.17.4. Ten aanzien van de in acht te nemen spuitzone wordt overwogen dat er geen wettelijke bepalingen zijn inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen boomgaarden waarin met bestrijdingsmiddelen kan worden gespoten en nabijgelegen woningen en daarbij behorende tuinen en andere gevoelige functies. Het college hanteert in de provinciale toetsingpraktijk de vuistregel dat tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid in de fruitsector in het algemeen een minimale afstand van 50 meter dient te worden aangehouden in verband met een eventuele schadelijke blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen.

2.17.5. De door de stichting onder 2.17. bedoelde buurtschappen en bewoningsconcentraties betreffen achtereenvolgens Klinkenberg, Hoog-Kana, Zevenmorgen, Luchtenburg, Essebroek en Ganzert, de Wielenseweg, de Binnenstraat, het Lutterveld, de Tweesluizen, De Woerd, de Bontemorgen, de Ommerenveldseweg, De Heuvel, de Zandberg en de Hogestraat, zoals vermeld op bladzijde 31 van de plantoelichting.

2.17.6. Ter zitting is gebleken dat de raad voorafgaand aan de keuze om in het plan geen spuitzones op te nemen rond de door de stichting bedoelde en onder 2.17.5. genoemde bewoningsconcentraties geen nader onderzoek heeft verricht naar de feitelijke situaties ter plaatse. Daardoor is niet inzichtelijk gemaakt of, zoals ter zitting aan de orde is gesteld, binnen een zone van 50 meter en minder rondom deze bewoningsconcentraties gronden liggen, waar volgens het plan fruitteelt mag plaatsvinden en met gewasbestrijdingsmiddelen gespoten mag worden, maar deze gronden geheel of gedeeltelijk voor dat doel nog niet worden gebruikt en zo ja, of aanleiding bestaat voor de betreffende gronden geheel of gedeeltelijk in een spuitzone te voorzien. Gelet hierop acht de Afdeling het standpunt van het college in aansluiting op de raad om in het geheel af te zien van het opnemen van spuitzones in het plan, onvoldoende onderbouwd. Het betoog van de stichting slaagt.

2.17.7. Ingevolge artikel 62, lid 9, van de planvoorschriften, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen voor de functiewijziging naar "Wonen" ter plaatse van de in dit artikel genoemde agrarische bestemmingen na het afvoeren van de (agrarische) bedrijfsbestemming.

Ingevolge artikel 62, lid 12, van de planvoorschriften, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen voor de verbouw tot nieuwe monumentale of karakteristieke woningen of wooneenheden in geval van volledige bedrijfsbeëindiging van een agrarisch bedrijf, agrarisch verwant bedrijf, buitengebied gebonden bedrijf, niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, niet-agrarisch bedrijf of niet-agrarisch bedrijf beperkt na sloop van alle aanwezige (voormalige) bedrijfsbebouwing zonder karakteristieke of monumentale waarde.

Ingevolge artikel 62, lid 13, van de planvoorschriften, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen voor de bouw van een woongebouw of woningen in geval van volledige bedrijfsbeëindiging van een agrarisch bedrijf, agrarisch verwant bedrijf, buitengebied gebonden bedrijf, niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, niet-agrarisch bedrijf of niet-agrarisch bedrijf beperkt, indien alle (voormalige) bedrijfsbebouwing wordt gesloopt.

2.17.8. De Afdeling stelt vast dat voornoemde wijzigingsbevoegdheden nieuwe woningbouw mogelijk maken. In de wijzigingsvoorwaarden van de desbetreffende wijzigingsbevoegdheden is evenwel niet bepaald dat rekening dient te worden gehouden met een spuitzone. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat het college zich niet op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat toepassing van voornoemde wijzigingsbevoegdheden niet kan leiden tot uitkomsten die niet in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. De stelling van het college ter zitting dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheden in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat een afstand van 50 meter dient te worden aangehouden zodat een spuitzone aldus voldoende is gewaarborgd, acht de Afdeling onvoldoende. De Afdeling komt tot het oordeel dat het college in zoverre niet in redelijkheid goedkeuring aan het plan heeft kunnen verlenen. Ook in zoverre slaagt het betoog van de stichting.

Teeltondersteunende voorzieningen

2.18. De stichting acht het voorts bezwaarlijk dat teeltondersteunende voorzieningen buiten het agrarische bouwperceel op ruime schaal worden toegestaan zonder dat in de planvoorschriften een grens is gesteld aan de oppervlakte. In dit kader wijst de stichting op de plantoelichting waar ten aanzien van de bestemming "Agrarisch-Komgebied" staat dat buiten bouwpercelen kunststoftunnels en overkappingen ongewenst zijn. Voorts wijst de stichting op de uitspraak van 23 januari 2002.

Daarnaast is bij de vaststelling van het plan ten onrechte voorzien in de mogelijkheid om binnen de bestemming "Agrarisch-Linge-uiterwaardgebied" teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwperceel toe te staan. De stichting acht dit gelet op de natuurwaarden binnen dit gebied onwenselijk.

2.18.1. Het college stelt dat teeltondersteunende voorzieningen uitsluitend mogelijk zijn in het verlengde van de hoofdteelt op het bouwperceel. Buiten het bouwperceel zijn, behoudens ter plaatse van de bestemming "Agrarisch-Komgebied" alleen niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen mogelijk. Voorts stelt het college met de raad dat kunststoftunnels behoren tot de streekeigen productievorm van met name fruitteelt, ondanks de aantasting van het gebied door de ruimtelijke uitstraling daarvan. De hoogte van de teeltondersteunende voorzieningen is in de onderscheiden agrarische bestemmingen geregeld. Het opnemen van een reële oppervlaktemaat achten het college en de raad niet praktisch toepasbaar.

2.18.2. In de plantoelichting staat dat met teeltondersteunende voorzieningen de telers van open teelten streven naar gecontroleerde productieomstandigheden. Deze gecontroleerde productieomstandigheden zijn van groot belang om op de markt concurrerend te kunnen blijven. In bovengenoemde teelten gaat het, zo staat in de toelichting, om kwalitatief zeer hoogwaardige producten. Bovendien zijn het zeer kapitaalintensieve producten, met andere woorden de investeringen zijn hoog. Dit betekent dat de bescherming van het product door teeltondersteunende voorzieningen steeds belangrijker wordt en in feite onmisbaar is. Voorts staat in de plantoelichting dat teeltondersteunende voorzieningen verschillen per hierboven genoemde sector en veelal een tijdelijk karakter hebben. De meest voorkomende zijn tunnel- of foliekassen, wandelkappen, lage kappen of aardbeienkappen, regenkappen, hagelnetten, schaduwhallen, vogelnetten en luisvrije tunnels of hallen. Teeltondersteunende voorzieningen maken, aldus de toelichting, onderdeel uit van de hedendaagse agrarische bedrijfsvoering binnen bedrijfstakken die veel voorkomen in de regio. Aangezien deze bedrijven zich met name op de oeverwallen bevinden zijn teeltondersteunende voorzieningen zowel op het agrarisch bouwblok als in het veld toegelaten, mits sprake is van grondgebonden teelten en de teeltondersteunende voorzieningen geen permanent karakter hebben.

2.18.3. Ingevolge de artikelen 4, lid 10, artikel 6, lid 11, en artikel 9, lid 11, van de planvoorschriften, zijn ter plaatse van de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch-Linge-uiterwaardgebied" en "Agrarisch-Oeverwalgebied" niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwperceel toegestaan. Binnen de bestemming "Agrarisch-Komgebied" en "Agrarisch-Uiterwaardgebied" zijn buiten het bouwperceel geen teeltondersteunende voorzieningen toegestaan. De hoogte van niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen is in de planvoorschriften begrensd tot zes meter. De oppervlakte is niet begrensd.

Onder niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen wordt op grond van artikel 1, onder 32, van de planvoorschriften, verstaan een kunststoftunnel of overkapping waarbij de afdichting of afdekking per jaar niet langer dan 5 maanden aaneengesloten is aangebracht.

2.18.4. Anders dan de stichting stelt, zijn op de gronden met de bestemming "Agrarisch-Komgebied" geen teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwperceel toegestaan. Dit betoog mist derhalve feitelijke grondslag.

2.18.5. Ten aanzien van de overige hiervoor onder 2.18.3. genoemde agrarische bestemmingen wordt overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de mogelijkheid om buiten het bouwperceel niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen toe te staan, zonder daartoe een nadere beperking in de oppervlakte op te nemen. Hiertoe acht de Afdeling van belang hetgeen onder 2.18.2. is overwogen ten aanzien van het belang van teeltondersteunende voorzieningen voor de agrarische productie in het buitengebied van Buren. Daarnaast is in het plan een nadere afweging gemaakt omtrent de wenselijkheid van teeltondersteunende voorzieningen binnen de verschillende agrarische bestemmingen, op grond waarvan binnen de bestemming "Agrarisch-Komgebied" en "Agrarisch-Uiterwaardgebied" in het geheel geen teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwperceel zijn toegestaan, terwijl binnen de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" een nadere beperking is aangebracht wat betreft de situering door middel van de aanduiding "z". Voorts heeft het college goedkeuring onthouden aan de mogelijkheid om binnen waardevolle open gebieden zoals aangeduid in het streekplan niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwperceel toe te staan.

Voor zover de stichting wijst op de uitspraak van 23 januari 2002, wordt overwogen dat de Afdeling het in die uitspraak aan de orde zijnde plan heeft vernietigd voor zover voor niet-permanente hoge kunststoftunnels buiten het bouwperceel geen maximale hoogte in de planvoorschriften was opgenomen in combinatie met de omstandigheid dat in de planvoorschriften niet was opgenomen dat de steunconstructies zelf, na het verwijderen van de kunststof afdekking, dienen te worden verwijderd en de totale oppervlakte noch de bebouwingsdichtheid was bepaald. Dat geval verschilt van de onderhavige situatie nu in de planvoorschriften van dit plan voor niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwperceel een maximale hoogte van zes meter is opgenomen.

2.18.6. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad artikel 6 van de planvoorschriften, dat ziet op de bestemming "Agrarisch-Linge-uiterwaardgebied", gewijzigd in die zin dat lid 11 sub a en b zijn gewijzigd in sub b en c, en sub a is vervangen door "niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen zoals kunststoftunnels en overkappingen", en aan lid 12 van dit artikel is toegevoegd "bij de bouw van de in lid 1 onder a bedoelde teeltondersteunende voorzieningen mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 6 m". Derhalve zijn binnen voornoemde bestemming niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwperceel toegestaan. Ter zitting heeft de raad hieromtrent uiteengezet dat met deze ambtshalve wijziging is beoogd aansluiting te zoeken bij de overige agrarische bestemmingen, omdat binnen voornoemde bestemming sprake is van vergelijkbaar agrarisch gebruik. Mede gelet op deze toelichting ter zitting is de Afdeling van oordeel dat het college in redelijkheid goedkeuring heeft kunnen verlenen aan de bestemming "Agrarisch-Linge-uiterwaardgebied" voor zover niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwperceel zijn toegestaan.

Tweede bedrijfswoning

2.19. Volgens de stichting wordt ten onrechte voorzien in de mogelijkheid om via een vrijstelling een tweede bedrijfswoning te realiseren. Daartoe wijst zij op de ontwikkelingen in de elektronica waardoor een tweede bedrijfswoning nauwelijks meer noodzakelijk zal zijn. Volgens de stichting had dienen te worden gekozen voor het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid.

2.19.1. Het college stelt zich op het standpunt dat een tweede bedrijfswoning onder omstandigheden noodzakelijk kan zijn. In de vrijstelling is de voorwaarde opgenomen dat uit een ingewonnen advies moet blijken dat de tweede bedrijfswoning noodzakelijk is voor de aard, de omvang en/of de continuïteit van de bedrijfsvoering. Het college acht een vrijstellingsprocedure niet te licht en wijst erop dat hiertegen voldoende rechtsbescherming open staat.

2.19.2. In de planvoorschriften is voor de gronden met de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch-Komgebied", "Agrarisch-Linge-uiterwaardgebied", "Agrarisch-Niet-grondgebonden" en "Agrarisch-Oeverwalgebied" voorzien in de mogelijkheid dat het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verleent voor de bouw van een tweede bedrijfswoning, indien en voor zover a. niet reeds twee woningen aanwezig zijn, b. het perceel niet gelegen is binnen het op de plankaart als "57 dB(A)contour (Betuweroute)" aangegeven gebied of binnen de geluidzones aan weerszijden van de wegen en spoorwegen, zoals deze in de bij het plan behorende "Lijst Geluidzones", worden genoemd, c. de tweede bedrijfswoning aan een bestaande woning dan wel in- of aanpandig met, dan wel op ten hoogste 5 m van een bedrijfsgebouw wordt gebouwd, d. vooraf op basis van een advies van een onafhankelijk landbouwkundig deskundige is gebleken dat de bouw van de woning noodzakelijk is voor de aard, de omvang en/of de continuïteit van de bedrijfsvoering.

2.19.3. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 juni 1996, in zaak nr. H01.95.0265 (BR 1996, p. 897), wordt blijkens de geschiedenis van de totstandkoming met deze bepaling beoogd het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid te geven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Uit deze bepaling vloeit voort dat de in een bestemmingsplan vervatte vrijstellingsregeling niet ertoe kan strekken dat het college van burgemeester en wethouders vrijstelling kan verlenen van de op de plankaart aangegeven bestemmingen. Een vrijstellingsregeling mag evenmin tot effect hebben dat de bestemming van de grond wordt gewijzigd. Voor het wijzigen van een bestemming is toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 van de WRO het geschikte instrument.

2.19.4. De vrijstellingsbevoegdheid voor een tweede bedrijfswoning maakt het mogelijk dat ter plaatse van voornoemde bestemmingen binnen het bouwperceel een aanduiding wordt opgenomen met "2= aantal woningen". De vrijstellingsregeling strekt derhalve niet tot een wijziging van de bestemming en heeft evenmin tot effect dat de bestemming van de grond wordt gewijzigd. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat vorengenoemde vrijstellingsmogelijkheid in de planvoorschriften in strijd is met artikel 15 van de WRO.

2.19.5. Voor zover de stichting betoogt dat een tweede bedrijfswoning gelet op de ontwikkelingen in de elektronica nauwelijks meer noodzakelijk zal zijn, wordt overwogen dat in de voorwaarden voor het verlenen van vrijstelling is bepaald dat vooraf op basis van een advies van een onafhankelijk landbouwkundig deskundige moet blijken dat de bouw van de woning noodzakelijk is voor de aard, de omvang en/of de continuïteit van de bedrijfsvoering. De stichting heeft niet betoogd dat een tweede bedrijfswoning in geen enkel geval meer noodzakelijk zal zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid goedkeuring heeft kunnen verlenen aan voornoemde vrijstellingsbevoegdheid.

Conclusie

2.20. Hetgeen de stichting heeft aangevoerd geeft aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen ter plaatse van de gebieden zoals genoemd onder 2.13.2., 2.13.4., 2.13.14. niet berust op een deugdelijke motivering.

Voorts berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering, voor zover het betreft de gronden binnen een zone van 50 meter en minder rondom de onder 2.17.5. genoemde bewoningsconcentraties.

Daarnaast is het bestreden besluit voor zover het betreft de goedkeuring van artikel 62, lid 9, lid 12 en lid 13 van de planvoorschriften, in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van de stichting is op deze onderdelen gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 10:27 van de Awb en wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening te worden vernietigd. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan voornoemde plandelen en planvoorschriften.

De Afdeling merkt daarbij op dat de vernietiging van de plandelen die betrekking hebben op de onder 2.17.5. genoemde bewoningsconcentraties, en zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaarten 5 tot en met 16, grofmazig is. Niet valt uit te sluiten dat bij het aanduiden van de desbetreffende plandelen op de kaarten 5 tot en met 16 is uitgegaan van een te grote omvang van de desbetreffende bewoningsconcentraties en daarmee ook van een te grote omvang van de daarbij behorende 50 meter zones. In het kader van het uitvoeren van de opdracht zoals aangegeven in onderdeel VI van het dictum en het op basis daarvan met inachtneming van deze uitspraak terzake voor te bereiden en vast te stellen plan dient de raad:

a. te bepalen welke woningen wel en welke woningen niet tot de desbetreffende bewoningsconcentraties behoren en vervolgens op basis daarvan de omvang en situering van de 50 meter zones nader te bepalen;

b. een planologische regeling vast te stellen voor de gronden, die weliswaar zijn aangeduid op de kaarten 5 tot en met 16 en aldus in de vernietiging zijn begrepen, terwijl zij blijkens het door de raad nader uit te voeren onderzoek, zoals hiervoor onder a. bedoeld, niet blijken te behoren tot de 50 meter zone, en welke planologische regeling overeen zou kunnen komen met de regeling die in het onderhavige plan voor deze gronden is opgenomen;

c. voorts een planologische regeling vast te stellen voor de gronden, die weliswaar zijn aangeduid op de kaarten 5 tot en met 16 en aldus in de vernietiging zijn begrepen, terwijl zij binnen een afstand van 50 meter zijn gelegen van een boomgaard, alwaar ten tijde van deze uitspraak met gewasbestrijdingsmiddelen werd gespoten, en welke planologische regeling overeen zou kunnen komen met de regeling die in het onderhavige plan voor deze gronden is opgenomen;

d. een planologische regeling vast te stellen voor de gronden, die zijn aangeduid op de kaarten 5 tot en met 16, waarop hetgeen hiervoor onder b. en c. is opgenomen niet van toepassing is, en waarbij hetgeen hiervoor in onderdeel 2.17.6 is overwogen in acht genomen dient te worden.

In het belang van partijen zal de Afdeling hiertoe een termijn stellen.

Ter voorlichting van partijen merkt de Afdeling op dat de raad het nieuwe plan met toepassing van de op 1 juli 2008 in werking getreden Wet ruimtelijke ordening kan vaststellen.

Het beroep van de stichting is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 6]

2.21. [appellante sub 6], wonend aan de [locatie 8] te Lienden, kan zich niet verenigen met het plan. Allereerst voert zij aan dat het college niet op alle bedenkingen is ingegaan, dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de bedenkingen ongegrond zijn. Om die reden kan het plan volgens haar reeds niet in stand blijven.

2.21.1. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat het college de bedenkingen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.21.2. [appellante sub 6] betoogt voorts dat bij het toekennen van de bestemmingen geen zorgvuldige afweging heeft plaatsgevonden tussen enerzijds de cultuurhistorische-, landschappelijke en natuurwaarden en anderzijds de agrarische belangen. Daarbij acht zij voorts onduidelijk wat de verhouding is tussen de in het streekplan gehanteerde gebiedsaanduidingen zoals "waardevol open landschap" en de in het plan opgenomen bestemmingen.

In dit verband voert zij allereerst aan dat aan de gronden ten noorden van de Hogeweg ten onrechte de bestemming "Agrarisch" is toegekend terwijl aan de gronden ten zuiden van de Hogeweg de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" is toegekend. In het streekplan wordt het gehele gebied aangemerkt als waardevol landschap.

In aansluiting hierop stelt [appellante sub 6] dat in de plantoelichting staat dat het gebied ten zuiden van de Hogeweg kan worden aangemerkt als waardevol oeverwalgebied en het gebied ten noorden van de Hogeweg als oeverwalgebied, terwijl dit onderscheid in het streekplan niet wordt gemaakt.

2.21.3. Het college stelt zich op het standpunt dat een afweging is gemaakt tussen de agrarische belangen en de cultuurhistorische-, landschappelijke- en natuurwaarden in het plangebied. Deze afweging blijkt volgens het college uit de gekozen bestemmingen en de bijbehorende planvoorschriften.

2.21.4. Aan de gronden ten noorden van de Hogeweg is de bestemming "Agrarisch" toegekend en aan de gronden ten zuiden van de Hogeweg de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied". In het streekplan is zowel het noordelijke als het zuidelijke deel aangemerkt als waardevol landschap.

In het streekplan staat dat voor waardevolle landschappen het ruimtelijk beleid is het behouden en versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten. Ruimtelijke activiteiten binnen waardevolle landschappen mogen derhalve niet de kernkwaliteiten van het gebied aantasten. Als kernkwaliteiten van het gebied bij Lienden worden in het streekplan gerekend: fraai zicht op de Utrechtse Heuvelrug, karakteristieke kleinschalige oeverwal met rijke afwisseling van boomgaarden, grasland, buurtschappen, dorpen, verspreide bebouwing, beeldbepalende boerderijen en kleigaten, in contrast met het naastliggende open komgebied, aanwezigheid van de oude loop van de Rijn langs de ingepolderde uiterwaard De Mars en waardevol oud meandersysteem met groot aantal geulen en vrij uitzicht vanaf de dijk over het binnendijkse landschap.

In de plantoelichting staat ten aanzien van oeverwalgebieden dat uit plaatselijk onderzoek is gebleken dat veel ontwikkelingen hebben plaatsgevonden waardoor de herkenbaarheid van dit landschap is afgenomen. Op de kaart op bladzijde 129 van de plantoelichting is het noordelijke deel dan ook aangemerkt als oeverwalgebied en het zuidelijke deel als waardevol oeverwalgebied. De gebieden waar het oeverwallenlandschap nauwelijks nog herkenbaar is hebben volgens de plantoelichting geen bijzondere landschappelijke waarden, zodat deze gebieden in het plan een agrarische bestemming hebben gekregen.

2.21.5. Voor zover [appellante sub 6] aanvoert dat de plantoelichting niet strookt met het streekplan omdat ten onrechte onderscheid wordt gemaakt tussen waardevol oeverwalgebied en oeverwalgebied, overweegt de Afdeling dat de plantoelichting niet bindend is en als zodanig in onderhavige procedure niet ter beoordeling staat. In het kader van het streekplanbeleid omtrent waardevolle landschappen is uitsluitend van belang dat met de toegekende bestemming geen afbreuk wordt gedaan aan de kernkwaliteiten van het gebied.

Anders dan [appellante sub 6] betoogt, brengt de omstandigheid dat het gebied in het streekplan is aangeduid als waardevol landschap niet met zich dat aan deze gronden geen agrarische bestemming mag worden toegekend. De aanduiding als waardevol landschap leidt ertoe dat bescherming dient te worden geboden aan de waarden die kenmerkend zijn voor het gebied. Uit de stukken alsmede de toelichting ter zitting van het college volgt dat de kernkwaliteiten zoals deze in het streekplan aan dit gebied zijn toegedicht vanwege het agrarische gebruik nagenoeg zijn verdwenen en daarmee de herkenbaarheid van het gebied als oeverwalgebied. [appellante sub 6] heeft dit niet bestreden.

De Afdeling ziet gelet op het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de bestemming "Agrarisch" ten noorden van de Hogeweg. Evenmin ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat geen zorgvuldige afweging heeft plaatsgevonden tussen enerzijds de cultuurhistorische-, landschappelijke en natuurwaarden en anderzijds de agrarische belangen.

Opslag in de openlucht

2.22. [appellante sub 6] stelt dat haar zienswijze omtrent de opslag in de openlucht buiten bouwpercelen gegrond is verklaard en dat in de zienswijzennota staat dat het plan op dit punt wordt aangepast. In de planvoorschriften is dit evenwel niet doorgevoerd. De stelling van het college dat ten aanzien van voornoemde opslag de zinsnede "uitsluitend ten behoeve van bedrijfsmatige grondgebonden agrarisch gerelateerde activiteiten" is toegevoegd is niet alleen onjuist maar gelet op de zienswijzennota had het college aan de opslag in de openlucht buiten het bouwperceel goedkeuring moeten onthouden, aldus [appellante sub 6].

2.22.1. Het college stelt dat artikel 4, lid 3, sub e, artikel 6, lid 4, sub e en artikel 9, lid 4, sub e, van de planvoorschriften zijn aangepast, in die zin dat is toegevoegd de zinsnede "uitsluitend ten behoeve van bedrijfsmatige grondgebonden agrarisch gerelateerde activiteiten".

2.22.2. In de zienswijzennota staat dat de nevenactiviteiten en de bouwmogelijkheden buiten de bouwpercelen zijn begrensd naar aard en afmetingen. Hieruit volgt dat de raad heeft bedoeld dat de zienswijze omtrent de opslag in de openlucht buiten het bouwperceel niet gegrond is verklaard. Dit betoog faalt.

Voor zover [appellante sub 6] wijst op de zinsnede in de beantwoording van de zienswijze dat een heroverweging heeft plaatsgevonden, hetgeen ertoe heeft geleid dat opslag buiten bouwpercelen niet meer is toegestaan en dat daartoe ambtshalve zal worden voorzien in een aanpassing van de voorschriften van een groot aantal artikelen, wordt overwogen dat in de algemene considerans in de zienswijzennota staat dat een heroverweging mede naar aanleiding van een zienswijze ertoe leidt dat voor het tegengaan van verrommeling van het buitengebied, de opslag van goederen en materieel buiten de agrarische bouwpercelen uitsluitend ten behoeve van bedrijfsmatige grondgebonden agrarisch gerelateerde activiteiten wordt toegestaan. Ter zitting heeft de raad erkend dat in de beantwoording van de zienswijze op dit punt sprake is van een kennelijke verschrijving, hetgeen volgens de raad ook blijkt uit de desbetreffende planvoorschriften waarin geen verbod van opslag in de openlucht buiten bouwpercelen is opgenomen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college goedkeuring had moeten onthouden aan het plan voor zover in de planvoorschriften geen verbod van opslag in de openlucht buiten de bouwpercelen is opgenomen.

Teeltondersteunende voorzieningen

2.23. [appellante sub 6] stelt dat het plan, ten aanzien van de mogelijkheid om niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwperceel te realiseren, in strijd is met het streekplan. Daartoe wijst zij erop dat in de planvoorschriften een periode van vijf maanden per jaar is toegestaan terwijl in het streekplan staat dat dit ten hoogste drie maanden per jaar mag zijn.

Volgens [appellante sub 6] had het college voorts goedkeuring moeten onthouden aan de mogelijkheid om binnen de bestemming "Agrarisch" niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwperceel te realiseren. Dit leidt volgens haar tot een onevenredige aantasting van het waardevolle open gebied ter plaatse.

2.23.1. Het college stelt dat, behoudens de bestemming "Agrarisch-Komgebied", niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwperceel uitsluitend in het verlengde van de hoofdteelt op het bouwperceel zijn toegestaan. De landschappelijke kwaliteiten zullen hierdoor volgens het college niet worden aangetast.

2.23.2. Ingevolge artikel 1, onder 32, van de planvoorschriften, wordt onder niet-permanente kunststoftunnel of overkapping verstaan: een kunststoftunnel of overkapping waarbij de afdichting of afdekking per jaar niet langer dan 5 maanden aaneengesloten is aangebracht.

In het streekplan is opgenomen dat de aanvaardbaarheid van teeltondersteunende voorzieningen in een gebied mede afhankelijk is van de aard en de verschijningsvorm in relatie tot de benoemde kwaliteit van het gebied. Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van teeltondersteunende voorzieningen dienen verschillende ruimtelijke criteria in de afweging betrokken te worden, waaronder de vraag of deze langdurig (langer dan 3 maanden aanwezig) of tijdelijk zijn, zo staat in het streekplan.

In de plantoelichting staat dat voor enkele bestaande zachtfruitbedrijven in de gemeente een specifieke regeling in het plan wordt opgenomen, omdat op dat type bedrijf veel meer behoefte bestaat aan teeltondersteunende voorzieningen, waarvoor het normale agrarische regiem onvoldoende mogelijkheden biedt.

2.23.3. Anders dan [appellante sub 6] betoogt, volgt uit het streekplan niet dat teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwperceel maximaal 3 maanden per jaar aanwezig mogen zijn. Het college heeft ter zitting desgevraagd verduidelijkt dat de genoemde termijn van 3 maanden een indicatie is en dat hiervan mag worden afgeweken.

Voor zover [appellante sub 6] bedoelt te betogen dat de term langdurig gelijk staat aan permanent, omdat dit volgens het streekplan langer is dan 3 maanden, als gevolg waarvan in het plan feitelijk sprake is van permanente teeltondersteunende voorzieningen, wordt overwogen dat een dergelijke uitleg niet uit het streekplan volgt. Voorts veronderstelt het begrip permanent naar normaal spraakgebruik een onafgebroken, blijvende situatie, hetgeen bij een periode van 5 maanden niet het geval is. Nu in de plantoelichting staat dat voor zachtfruitbedrijven een specifieke regeling is opgenomen, bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de aanvaardbaarheid van teeltondersteunende voorzieningen in het kader van het streekplan onvoldoende is bezien. Dit betoog faalt.

2.23.4. Ten aanzien van de bestemming "Agrarisch" en "Agrarisch-Oeverwalgebied" is in de planvoorschriften bepaald dat binnen het bouwperceel kassen en permanente kunststoftunnels uitsluitend zijn toegestaan indien het gebruik daarvan in het verlengde van de hoofdteelt ligt en het gezamenlijke oppervlak niet meer bedraagt dan 1.500 m². Ter plaatse van de bestemming "Agrarisch" mag in geval sprake is van kassen en/of permanente kunststoftunnels bij (Iaan)boomteeltbedrijven de totale oppervlakte niet meer bedragen dan 2.500 m². In hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college gelet op deze voorschriften alsmede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.21.5. is overwogen het gebruik van permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwperceel niet in redelijkheid heeft kunnen goedkeuren. Dit betoog faalt eveneens.

Spuitzones

2.24. [appellante sub 6] voert aan dat in het plan ten onrechte geen spuitzones zijn opgenomen. Volgens haar leidt dit tot rechtsongelijkheid omdat onderscheid wordt gemaakt tussen bestaande situaties en nieuwe uitbreidingen. Voorts voert [appellante sub 6] aan dat ten onrechte geen enkel planvoorschrift is opgenomen ten aanzien van spuitzones terwijl de raad dit bij nieuwe bebouwing wel noodzakelijk acht.

2.24.1. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.17.6. en 2.17.8. is overwogen slaagt het betoog van [appellante sub 6].

Overige gronden

2.25. [appellante sub 6] voert, kort samengevat, aan dat in het plan onvoldoende bescherming wordt geboden aan de archeologische waarden in het plangebied en dat ten onrechte is afgezien van het opstellen van een onderzoek naar de flora- en fauna in het plangebied.

2.25.1. [appellante sub 6] heeft zich wat betreft deze beroepsgronden in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen en de bedenkingen. In de beantwoording van de zienswijzen en bedenkingen is ingegaan op deze zienswijzen en bedenkingen. [appellante sub 6] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen en bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Deze beroepsgronden kunnen daarom niet slagen.

Conclusie

2.26. Hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd geeft aanleiding voor het oordeel dat het plan niet berust op een deugdelijke motivering, voor zover het betreft de plandelen, die betrekking hebben op de gronden die zich bevinden binnen een afstand van 50 meter van de onder 2.17.5 genoemde bebouwingsconcentraties.

Voorts is het bestreden besluit voor zover het betreft de goedkeuring van de artikelen 62, lid 9, lid 12 en lid 13 van de planvoorschriften, in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellante sub 6] is op deze onderdelen gegrond. Zoals hiervoor onder 2.20. is overwogen dient het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 10:27 van de Awb en wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening te worden vernietigd en wordt voorts in de omstandigheden van het geval aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, zelfvoorziend goedkeuring onthouden aan voornoemde plandelen en planvoorschriften.

Het beroep van [appellante sub 6] is voor het overige ongegrond.

Proceskosten

2.27. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellante sub 2], de stichting en [appellante sub 6] dient het college op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellante sub 3] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10] en [appellant sub 11] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellante sub 3] geheel, en de beroepen van de stichting Stichting Milieuwerkgroep Buren e.o. en [appellante sub 6] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 1 juni 2010, kenmerk 2009-019758, voor zover daarbij:

a. goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" ter plaatse van het perceel [locatie 1] en [locatie 2] te Erichem;

b. goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" ter plaatse van het perceel [locatie 3], kadastraal bekend sectie P, nr. 608, zoals aangeduid op de bij de uitspraak behorende kaart 1;

c. goedkeuring is onthouden aan artikel 62, lid 11, van de planvoorschriften, voor zover dit voorschrift niet ziet op de wijzigingsbevoegdheid voor de wijziging van de bestemming "Wonen";

d. goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" dat betrekking heeft op de gronden langs de Linge, ten zuiden van de Erichemsekade en het Laageinde, zoals aangeduid op de bij de uitspraak behorende kaarten met nr 2;

e. goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" dat betrekking heeft op de gronden tussen Ingen en Lienden, zoals aangeduid op de bij de uitspraak behorende kaarten met nr 3;

f. goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Oeverwalgebied" dat betrekking heeft op de gronden ter plaatse van het Hornixveld, dat ligt tussen de Tielseweg en de Tielsestraat tot aan de Harensestraat, zoals aangeduid op de bij de uitspraak behorende kaarten met nr 4;

g. goedkeuring is verleend aan de plandelen, die betrekking hebben op de gronden die zich bevinden binnen een afstand van 50 meter van de bebouwingsconcentraties Klinkenberg, Hoog-Kana, Zevenmorgen, Luchtenburg, Essebroek en Ganzert, Wielseweg, Binnenstraat, Lutterveld, Tweesluizen, De Woerd, Bontemorgen, Ommerenveldseweg, De Heuvel, Zandberg en de Hogestraat, de bebouwingsconcentraties zelve daaronder begrepen, zoals aangeduid op de bij de uitspraak behorende kaarten 5 tot en met 16;

h. goedkeuring is verleend aan artikel 62, lid 9, lid 12 en lid 13, van de planvoorschriften;

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II genoemde plandelen en planvoorschriften, behoudens het onder II.c genoemde voorschrift;

IV. verleent goedkeuring aan het onder II.c genoemde voorschrift;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover daarbij is besloten omtrent de goedkeuring van de onder II bedoelde plandelen en planvoorschriften;

VI. draagt de raad van de gemeente Buren op om binnen 52 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van een plan voor de onder II genoemde plandelen en voorschriften te nemen, behoudens het onder II.c genoemde voorschrift, en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

VII. verklaart de beroepen van [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], [appellant sub 8], [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B], [appellant sub 10A] en [appellante sub 10 B] en [appellant sub 11] geheel, en de beroepen van de stichting Stichting Milieuwerkgroep Buren e.o. en [appellante sub 6] voor het overige ongegrond;

VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding aan appellanten van in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) voor [appellant sub 1], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) voor [appellante sub 2], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. € 40,31 (zegge: veertig euro en eenendertig cent) voor de stichting Stichting Milieuwerkgroep Buren e.o.;

d. € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) voor [appellante sub 6], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1];

b. € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor [appellante sub 2];

c. € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor [appellante sub 3];

d. € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor de stichting Stichting Milieuwerkgroep Buren e.o.;

e. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellante sub 6].

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

12-608-683.

<HR>

Kaart 1

<HR>

Kaart 2

<HR>

Kaart 2

<HR>

Kaart 3

<HR>

Kaart 3

<HR>

Kaart 3

<HR>

Kaart 3

<HR>

Kaart 4

<HR>

Kaart 4

<HR>

Kaart 4

<HR>

Kaart 5

<HR>

Kaart 5

<HR>

Kaart 5

<HR>

Kaart 7

<HR>

Kaart 7

<HR>

Kaart 8

<HR>

Kaart 9

<HR>

Kaart 10

<HR>

Kaart 11

<HR>

Kaart 12

<HR>

Kaart 13

<HR>

Kaart 14

<HR>

Kaart 15

<HR>

Kaart 16