Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3039

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201200904/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Kruiswijk III in Anna Paulowna" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 110a
Wet geluidhinder 110c
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/530

Uitspraak

201200904/2/R1.

Datum uitspraak: 13 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te Anna Paulowna, gemeente Hollands Kroon,

verzoeker,

en

de raad van de gemeente Anna Paulowna, thans gemeente Hollands Kroon,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Kruiswijk III in Anna Paulowna" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2012, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 maart 2012, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. O.W. Wagenaar, en de raad, vertegenwoordigd door H. Tiebie en J.P. Bechler, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de aanleg van een bedrijventerrein aan de noordzijde van de Grasweg in Anna Paulowna.

2.3. [verzoeker] beoogt met zijn verzoek om voorlopige voorziening onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan te voorkomen.

2.4. [verzoeker] betoogt dat in strijd is gehandeld met artikel 3.8, lid 3, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en artikel 1.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, omdat de bij het besluit behorende stukken op 17 en 18 januari 2012 niet beschikbaar waren via de gemeentelijke website.

2.4.1. De voorzitter ziet hierin geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het betoog van [verzoeker] heeft in zoverre betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan naar het voorlopige oordeel van de voorzitter geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.5. [verzoeker] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 110c, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh), nu het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden dat is genomen ten behoeve van het plan, niet tegelijkertijd met het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen. Hij voert aan dat hij hiervan niet rechtstreeks in kennis is gesteld, waardoor hij de inhoud van het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden niet heeft kunnen betrekken bij het opstellen van zijn zienswijze.

2.5.1. Ingevolge artikel 110a, eerste lid, van de Wgh is het college van burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.

Ingevolge artikel 110c, eerste lid, van die wet is op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 110a de in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat indien het college van burgemeester en wethouders bevoegd is de hogere waarde vast te stellen en het besluit ten behoeve van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan wordt genomen, het ontwerp van het besluit tegelijkertijd met het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd.

2.5.2. Het ontwerpplan heeft van 31 maart 2011 tot en met 11 mei 2011 ter inzage gelegen. Vanwege de geluidsbelasting op de gevel van een nog te realiseren (bedrijfs)woning aan de Grasweg is een hogere waarde vastgesteld. Tevens is vanwege de reconstructie van een gedeelte van de Grasweg en de Graslaan voor een aantal woningen een hogere waarde vastgesteld. Het ontwerp van het besluit tot vaststelling van die hogere waarden heeft van 1 juni tot en met 18 juli 2011 ter inzage gelegen. Naar aanleiding van een ingekomen zienswijze tegen dit ontwerp, heeft de raad een aanvullend akoestisch onderzoek laten verrichten. Vervolgens heeft, ter vervanging van het eerdere ontwerpbesluit, een nieuw ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden van 9 september 2011 tot 21 oktober 2011 ter inzage gelegen. Het besluit tot vaststelling van hogere waarden is op 8 november 2011 door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Anna Paulowna, thans gemeente Hollands Kroon, vastgesteld.

2.5.3. Gelet op het vorenstaande is het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden ten behoeve van het plan in strijd met artikel 110c, eerste lid, van de Wgh na de terinzagelegging van het ontwerpplan ter inzage gelegd. De raad heeft dit gebrek onderkend, maar daaraan geen gevolgen verbonden.

2.5.4. Artikel 110c, eerste lid, van de Wgh is een voorschrift dat geen eisen stelt aan de materiële inhoud van het besluit, maar betrekking heeft op de procedure van tot totstandkoming van het besluit. Uit de wetsgeschiedenis en in het bijzonder de memorie van toelichting bij de Wijziging Wet geluidhinder (moderniseringinstrumentarium geluidbeleid, eerste fase), kamerstukken II, 2004/2005, 29 879, nr. 3, p. 45, komt naar voren dat met artikel 110c, eerste lid, van de Wgh is beoogd de voorbereiding van het hogerewaardenbesluit zoveel mogelijk parallel te laten lopen aan de voorbereiding van het bestemmingsplan. Benadrukt wordt dat, gelet op de verplichting om bij het vaststellen van het plan de hogere waarden in acht te nemen, die hogere waarden in elk geval moeten zijn vastgesteld voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. De voorzitter acht het op voorhand niet aannemelijk dat [verzoeker] of andere belanghebbenden zijn benadeeld doordat het ontwerpplan en het ontwerpbesluit tot vaststelling hogere waarden niet gelijktijdig ter inzage zijn gelegd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat naar aanleiding van een ingekomen zienswijze een aangepast ontwerpbesluit tot vaststelling hogere grenswaarden ter inzage heeft gelegen. Het besluit tot vaststelling van hogere waarden is voorts eerder vastgesteld dan het bestemmingsplan. Het besluit tot vaststelling van hogere waarden is bekend gemaakt en daartegen konden rechtsmiddelen worden aangewend. De voorzitter ziet, mede gelet op artikel 6:22 van de Awb, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. [verzoeker] betoogt dat het plangebied ten onrechte kleiner is vastgesteld dan het bedrijventerrein dat de raad in totaal voor ogen heeft. Omdat er nu al wordt gesproken over een uitbreiding van het bedrijventerrein in de toekomst, had het gebied dat nu buiten het plangebied is gelaten, ook moeten worden opgenomen in het plan. Volgens [verzoeker] wordt een voorschot genomen op toekomstige ontwikkelingen, zodat eventuele toekomstige planschadeclaims op voorzienbaarheid zullen worden afgewezen.

2.6.1. De raad heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat het op dit moment onzeker is of het bedrijventerrein in de toekomst op gronden grenzend aan het plangebied kan en zal worden uitgebreid. Voorts heeft de raad verklaard dat indien na een eventuele uitbreiding in de toekomst een verzoek om planschade wordt gedaan voorzienbaarheid daarom niet zal worden tegengeworpen. Gelet hierop ziet de voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7. [verzoeker], exploitant van een agrarisch bedrijf aan de [locatie], betoogt dat de in het plan voorziene bedrijfswoningen op het zuidelijke deel langs de westelijke begrenzing van het plangebied te dicht tegen zijn percelen komen te staan. In dit verband vreest hij dat de toekomstige bewoners van de voorziene bedrijfswoningen hinder zullen ondervinden van zijn bedrijfsvoering en dat hij, als gevolg daarvan, zal worden belemmerd in de exploitatie van zijn gronden. [verzoeker] voert in dit verband voorts aan dat de afschermende groenstrook aan de westelijke begrenzing van het plangebied, in afwijking van het document "Bedrijventerrein Kruiswijk III, fasering en landschappelijke inpassing" (hierna: het landschapsplan) van 8 juni 2011 ten onrechte maar gedeeltelijk is vastgelegd. [verzoeker] stelt belang te hebben bij de groenstrook, nu deze een afschermende werking kan hebben tussen de in het plan voorziene bedrijfswoningen en zijn agrarische percelen.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een afstand van minimaal 10 m van de agrarische percelen van [verzoeker] tot de voorziene bedrijfswoningen aanvaardbaar is. Mogelijke (milieu)hinder van bedrijven en van agrarische werkzaamheden is onlosmakelijk verbonden met het wonen op een bedrijventerrein langs landelijk gebied, aldus de raad. Een groenstrook versterkt volgens de raad de landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein op de plaats waar geen zachte overgang naar het landschap kan worden gevormd door bedrijfswoningen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de groenstrook in het landschapsplan weliswaar langs de hele westelijke begrenzing van het plangebied was doorgetrokken, maar dat de overgang van agrarische grond naar bedrijfswoningen minder hard is dan de overgang van agrarische grond naar bedrijven en dat daarom de groenstrook niet is vastgelegd op de plaats waar de bedrijfswoningen zijn voorzien.

2.7.2. De gronden van [verzoeker], voor zover thans van belang, liggen ten westen van het plangebied. Ten aanzien van het noordelijke gedeelte van de westelijke begrenzing van het plangebied geldt dat een bedrijfsbestemming op een afstand van ongeveer 50 m van de gronden van [verzoeker] is voorzien.

Op een deel van de tussenliggende gronden is bij het plan de bestemming "Groen" voorzien. Ten aanzien van het zuidelijke deel van de westelijke begrenzing van het plangebied geldt dat tot op de plangrens een bedrijfsbestemming is voorzien, waarbij bedrijfswoningen op een afstand van ongeveer 15 m van de gronden van [verzoeker] kunnen worden gebouwd. Een aparte, tussenliggende groenstrook is daarbij niet voorzien.

De voorzitter acht aan twijfel onderhevig of zonder een afscheidende groenstrook op het zuidelijke deel langs de westelijke begrenzing van het plangebied, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene bedrijfswoningen is gewaarborgd. Gelet hierop bestaat onvoldoende duidelijkheid over de vraag of het plan tot beperkingen in de agrarische bedrijfsvoering van [verzoeker] zal leiden. Gelet hierop bestaat onzekerheid of de Afdeling het plan, voor zover het betreft het zuidelijke deel van de westelijke begrenzing van het plangebied, in stand zal laten.

2.7.3. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter, ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen en gelet op de betrokken belangen, aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.8. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Anna Paulowna, thans gemeente Hollands Kroon van 28 november 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kruiswijk III in Anna Paulowna", voor zover het betreft het deel aan de zuidwestelijke grens van het plangebied, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart I;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Hollands Kroon tot vergoeding van bij [verzoeker A] en [verzoeker B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthondervierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan de een bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

III. gelast dat de raad van de gemeente Hollands Kroon aan [verzoeker A] en [verzoeker B] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan de een bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Matulewicz

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2012

45-662.

<HR>

Kaart I