Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3030

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201011973/1/R1 en 201104068/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2010, hebben de Stichting en anderen beroep ingesteld tegen het niet tijdig vaststellen van het bestemmingsplan "Landgoed De Eyserhof".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201011973/1/R1 en 201104068/1/R1.

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Natuur & Landschap Zuid-Limburg, gevestigd te Gulpen-Wittem, en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Gulpen-Wittem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2010, hebben de Stichting en anderen beroep ingesteld tegen het niet tijdig vaststellen van het bestemmingsplan "Landgoed De Eyserhof".

Bij besluit van 13 januari 2011 heeft de raad alsnog het bestemmingsplan "Landgoed De Eyserhof" vastgesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 13 februari 2012, waar de Stichting en anderen, vertegenwoordigd door [bestuurslid] bij de Stichting, R.G.J. Bessems en ing. L.J.S. Vos en de raad, vertegenwoordigd door mr. S. Pieters en E. Bosman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Landgoed De Eyserhof, vertegenwoordigd door mr. A.A.T. Stoffels en J.H.C. van der Linden, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Gelet op de omstandigheid dat de raad bij besluit van 13 januari 2011 alsnog het plan heeft vastgesteld, hebben de Stichting en anderen geen belang meer bij beoordeling van hun beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig vaststellen van het plan.

Het beroep van de Stichting en anderen, voor zover gericht tegen het niet tijdig vaststellen van het plan, is niet-ontvankelijk.

2.2. Vast staat dat het besluit van 13 januari 2011 tot vaststelling van het plan niet tegemoet komt aan de Stichting en anderen. Het beroep wordt derhalve op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het besluit tot vaststelling van het plan.

2.3. De raad betwist dat de Stichting kan worden aangemerkt als belanghebbende nu de omschrijving van de doelstelling van de stichting in haar statuten te algemeen is om op grond daarvan aan te kunnen nemen dat de belangen van de Stichting rechtstreeks zijn betrokken bij het bestreden besluit en voorts niet is gebleken van feitelijke werkzaamheden.

2.3.1. De Afdeling is van oordeel dat de Stichting als belanghebbende kan worden aangemerkt. Zij verwijst voor de motivering van dit oordeel naar overwegingen 2.3.2 en 2.3.3 in de uitspraak van de voorzitter van 30 juni 2011, zaak nr. 201104068/2/R1. De Afdeling ziet thans geen aanleiding om tot een ander oordeel dan dat van de voorzitter te komen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding het beroep, voor zover ingesteld door de Stichting en voor zover gericht tegen het plan, niet-ontvankelijk te verklaren.

Goede procesorde

2.4. Landgoed De Eyserhof betoogt dat het betoog van de Stichting en anderen dat betrekking heeft op het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen bij het beheer van de golfbaan buiten behandeling moet worden gelaten, omdat dit betoog niet binnen de beroepstermijn is aangevoerd.

De Stichting en anderen hebben reeds in hun beroepschrift aangegeven te vrezen voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen. Zij hebben hun beroepschrift op dit punt nader onderbouwd bij brief van 15 juni 2011. Ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dit in strijd is met de goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken zodanig verwijtbaar laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

Nu de Stichting en anderen hun beroep op dit punt ruim voor de zitting nader hebben onderbouwd, zodat Landgoed De Eyserhof en de raad adequaat op dit betoog hebben kunnen reageren, bestaat geen aanleiding om dit betoog buiten behandeling te laten.

Het plan

2.5. Het plan voorziet in de juridisch-planologische regeling voor het landgoed "De Eyserhof". Het plan maakt onder meer de aanleg van een golfbaan en natuur mogelijk.

2.6. De Stichting en anderen betogen dat het plan ten onrechte vastgesteld is, omdat de raad het besluit tot vaststelling van het plan niet binnen de termijn als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) genomen heeft. Volgens hen had daarom de wettelijk voorgeschreven procedure voor de totstandkoming van een bestemmingsplan opnieuw gevolgd moeten worden.

De Afdeling overweegt dat weliswaar de in artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro gestelde termijn overschreden is, maar uit deze wettelijke bepaling noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat de gemeenteraad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen of dat het plan opnieuw in procedure gebracht had moeten worden.

2.7. De Stichting en anderen betogen voorts dat de besluitvorming haaks staat op het algemeen belang, omdat sprake is van een zodanige verwevenheid van belangen tussen de initiatiefnemer Landgoed De EyserHof aan de ene kant en bestuurders en raadsleden aan de andere kant dat daardoor de schijn van belangenverstrengeling niet is vermeden

De Stichting en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad bij het vaststellen van het plan zijn taak niet zonder vooringenomenheid zoals bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, van de Awb konden vervullen. Het betoog faalt.

2.8. De Stichting en anderen betogen voorts dat de voorziene golfbaan tot een ernstige aantasting van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) ter plaatse zal leiden. Hiertoe voeren zij aan dat de aanleg, beheer en exploitatie van de golfbaan tot een ernstige aantasting van de natuur zullen leiden. Zij vrezen in dit verband dat het gebruik van de golfbaan door recreanten en het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen bij het beheer van de golfbaan, waarover in een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de gemeente, de provincie en Landgoed De Eyserhof afspraken zijn gemaakt, nadelige gevolgen zullen hebben op de natuur. Verder wordt volgens de Stichting en anderen niet voldaan aan de voorwaarden van het

nee, tenzij-regime met betrekking tot de EHS omdat de voorziene golfbaan niet van groot openbaar belang is, er een alternatieve locatie buiten de EHS is en de aanleg van nieuwe natuur in het plangebied volgens hen niet als compensatie kan worden aangemerkt.

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de aanleg van de voorziene golfbaan zal leiden tot een verbetering ten opzichte van de huidige situatie, omdat de huidige agrarische bedrijfsvoering van Landgoed De Eyserhof met de daarbij behorende negatieve effecten op het milieu in omvang zal verminderen. In dit verband wijst de raad erop dat als gevolg van het plan het gebruik van meststoffen zal afnemen en gewasbeschermingsmiddelen nauwelijks meer toegepast zullen worden. De raad neemt voorts het standpunt in dat de voorziene golfbaan binnen de EHS past omdat de voorziene golfbaan op gronden is gelegen die als beheersgebied zijn aangewezen. Volgens de raad zijn binnen beheersgebieden ontwikkelingen mogelijk indien deze bijdragen aan de natuurbeheerstaak en zal de voorziene golfbaan zodanig aangelegd worden dat de natuurwaarden versterkt worden. Verder blijkt volgens de raad uit onderzoek dat de voorziene golfbaan geen negatieve effecten zal hebben op de natuur.

2.8.2. Aan een gedeelte van de gronden op het landgoed "De Eyserhof" is de bestemming "Sport-Golfbaan" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor "Sport-Golfbaan" aangewezen gronden onder meer bestemd voor de beoefening van shorttrack natuurgolf en de instandhouding, versterking en ontwikkeling van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen natuurlijke, landschappelijke, (landschaps)ecologische, cultuurhistorische en archeologische waarden.

Ingevolge lid 6.4, onder 6.4.1, aanhef en onder a, b, c, j en k, wordt onder verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10 van de Wro (thans: artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) onder meer verstaan het gebruik van de grond voor en/of als standplaats of ligplaats voor onderkomens en/of kampeermiddelen, parkeerterrein, sport- en wedstrijdterrein, ligplaats, speelweide, paardenbak, terras, tennisbaan, zwembad, het scheuren van grasland en het opslaan van mest(stoffen).

Ingevolge lid 6.5, onder 6.5.1, aanhef en onder a, b en f, is het verboden op of in de tot "Sport-Golfbaan" aangewezen gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning, thans: omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten) onder meer de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: het aanleggen, verharden of verwijderen van wegen, paden of parkeergelegenheden, het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen en het ontginnen, bodemverlagen of afgraven en het ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen en het aanbrengen van hoog opgaande beplanting anders dan ten behoeve van de ecologische structuur of de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap.

Ingevolge lid 6.5, onder 6.5.3, zijn de werken of werkzaamheden als bedoeld onder 6.5.1 slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in de aanhef van dit artikel genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind.

De gronden met de bestemming "Sport-Golfbaan" liggen binnen de EHS en zijn aangewezen als beheersgebied.

2.8.3. Ingevolge artikel 2.6, aanhef en onder b en j, van de Provinciale Omgevingsverordening Limburg is het onder meer verboden in een waterwingebied buiten een inrichting schadelijke stoffen voorhanden te hebben, te vervoeren of te gebruiken, of in de bodem te doen brengen en in de maanden september tot en met januari dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet te gebruiken.

Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onder d, geldt het verbod van artikel 2.6, aanhef en onder b, niet voor het voorhanden hebben, vervoeren en gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden die in grondwaterbeschermingsgebieden zijn toegelaten ingevolge de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Het plangebied is gelegen in het freatische waterwingebied "Roodborn".

2.8.4. Het provinciale beleid met betrekking tot de EHS is neergelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (hierna: POL 2006). Volgens het POL 2006 is het beleid voor de EHS gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden binnen de EHS. De bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader, het "nee, tenzij-regime". Binnen de EHS zijn nieuwe plannen, projecten of handelingen niet toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Alleen bij een groot openbaar belang en het ontbreken van reële alternatieven zal per geval beoordeeld worden of het belang van een activiteit opweegt tegen het belang van de te beschermen waarden. Voorts staat in het POL 2006 dat binnen beheersgebieden uitbreiding van de grondgebonden landbouw mogelijk is indien het een extensief rundveehouderijbedrijf betreft dat bijdraagt aan de natuurbeheerstaak van deze gebieden.

2.8.5. In de plantoelichting staat dat op het landgoed "De Eyserhof" thans een agrarisch bedrijf met ongeveer 36 ha areaal aan akkerbouw en 110 runderen wordt geëxploiteerd. Volgens de plantoelichting zal als gevolg van de bedrijfsontwikkelingsplannen de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf aangepast worden. Verwacht wordt dat de veestapel zal afnemen naar 50 runderen. In de plantoelichting staat verder dat de fairways van de shorttrack natuurgolfbaan zodanig gesitueerd worden dat optimaal gebruik kan worden gemaakt van de natuurlijke geaccidenteerdheid van de ter plaatse aanwezige weilanden. Verder worden volgens de plantoelichting alle reeds aanwezige landschapselementen gehandhaafd en waar mogelijk versterkt en worden ongeveer 35 tot 40 personen per dag op de golfbaan verwacht.

2.8.6. In juli 2009 heeft Bosgroep Zuid Nederland in opdracht van Landgoed De Eyserhof het rapport "Aanbevelingen Flora en Fauna Landgoed Eyserhof Inrichting Natuurshorttrackbaan" uitgebracht. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de voorgenomen maatregelen een landschappelijk flinke ingreep vormen maar dat door een goede inpassing en recreatieve ontsluiting de belevingswaarden van het terrein kunnen worden vergroot. Het rapport concludeert voorts dat door de extensivering van het landbouwkundig gebruik van het terrein en het afbouwen van de agrarische bedrijfsvoering de milieuhygiënische druk op de omgeving sterk wordt verminderd.

2.8.7. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid omtrent de EHS is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In het rapport van Bosgroep Zuid Nederland wordt geconcludeerd dat door de vermindering van de huidige agrarische bedrijfsvoering de milieuhygiënische druk op de omgeving wordt verminderd en dat door een goede inpassing van de golfbaan de belevingswaarden van het terrein kunnen worden vergroot. Voorts is voor de aanleg van de golfbaan ingevolge artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.3, van de planregels een omgevingsvergunning vereist die slechts verleend kan worden indien de natuurlijke, landschappelijke en ecologische waarden niet onevenredig worden aangetast. Verder zijn er specifieke gebruiksregels gericht op het behoud van de natuurwaarden in het plan opgenomen. Ook heeft de raad in redelijkheid ervan kunnen uitgaan dat een aantal van ongeveer 40 bezoekers per dag op de golfbaan niet zodanig groot is dat vanwege het bezoekersaantal een ernstige verstoring van de natuur is te verwachten. Voor zover de Stichting en anderen vrezen dat het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen bij het beheer van de golfbaan nadelige gevolgen zal hebben voor de natuur, overweegt de Afdeling dat door de vermindering van de omvang van het agrarisch bedrijf het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen zal afnemen. Verder zal volgens de raad het toekomstig beheer en onderhoud van de golfbaan met inachtneming van de regels die gelden in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden worden uitgevoerd. De Afdeling acht dit standpunt, gelet op de Provinciale Milieuverordening, niet onjuist.

Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling het provinciaal beleid omtrent de EHS in voldoende mate in zijn belangenafweging betrokken.

Conclusie

2.9. In hetgeen de Stichting en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig vaststellen van het plan, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Melse

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

191-703.