Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3020

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201202521/1/A1 en 201202521/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas [appellanten] onder oplegging van een dwangsom gelast een op het perceel Meijel sectie D nummer 1007 (hierna: het perceel) aanwezige stacaravan te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201202521/1/A1 en 201202521/2/A1.

Datum uitspraak: 12 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], beiden wonend te Meijel, gemeente Peel en Maas,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 februari 2012 in zaak nr. 11/698 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas [appellanten] onder oplegging van een dwangsom gelast een op het perceel Meijel sectie D nummer 1007 (hierna: het perceel) aanwezige stacaravan te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 18 april 2011 heeft het college het daartegen door [appellanten] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 februari 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2012, hoger beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2012, hebben [appellanten] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 maart 2012, waar [appellanten], bijgestaan door drs. W.H. Harmsen, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.L.W. Teluij en J.H.M. van Ratingen, beiden werkzaam in dienst bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze bepaling luidde ten tijde van de plaatsing en de verplaatsing van de stacaravan, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge het tweede lid is ingeval een caravan als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: de Wor) is aan te merken als een bouwwerk, niettemin voor het plaatsen daarvan geen bouwvergunning vereist in de gevallen, bedoeld in het derde lid van genoemd artikel.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wor, zoals deze bepaling luidde ten tijde van de plaatsing en de verplaatsing van de stacaravan, wordt onder kampeermiddel verstaan tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Ingevolge het derde lid is voor het plaatsen geen bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet vereist ingeval een caravan is aan te merken als een bouwwerk en het plaatsen geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze wet.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1992" en "Reparatie herziening bestemmingsplan Buitengebied 1999" rust op het perceel de bestemming "Kampeerterrein Rv(k)".

Ingevolge artikel 2.25, eerste lid, zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Kampeerterrein Rv(k)" bestemd voor kamperen.

Ingevolge het tweede lid zijn op deze gronden uitsluitend ten behoeve van de in lid 1 genoemde doeleinden toegelaten:

a. bedrijfsgebouwen;

b. bedrijfswoningen met de daarbij behorende bijgebouwen;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

d. verhardingen;

e. groenvoorzieningen;

f. bijbehorende voorzieningen.

2.4. Aan het besluit van 28 oktober 2010, gehandhaafd bij besluit van 18 april 2011, heeft het college ten grondslag gelegd dat de stacaravan een bouwwerk is, dat het bestemmingsplan dat bouwwerk op het perceel niet toelaat en dat het bouwwerk is opgericht zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning.

2.5. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden, nu van een overtreding geen sprake is. Daartoe voeren zij aan dat de stacaravan al in 1997 op het kampeerterrein is geplaatst en in 2001 naar het perceel op het kampeerterrein is verplaatst. Weliswaar is de stacaravan als bouwwerk aan te merken, maar ten tijde van de plaatsing en de verplaatsing daarvan was de stacaravan in overeenstemming met het bestemmingsplan en de destijds geldende Wor, aldus [appellanten]. Bovendien is voor de stacaravan destijds een exploitatievergunning verleend.

2.5.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college bevoegd was terzake handhavend op te treden, nu de stacaravan is geplaatst, zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend.

Anders dan [appellanten] betogen, was ook ten tijde van de plaatsing en de verplaatsing van de stacaravan een bouwvergunning vereist, nu deze, gelet op de constructie, vorm, omvang en plaatsgebonden karakter, niet geschikt is om regelmatig te worden vervoerd en derhalve niet als caravan in de zin van de Wor, kan worden aangemerkt. Dat ten behoeve van de stacaravan destijds een exploitatievergunning is verleend, betekent niet dat daarvoor geen bouwvergunning was vereist.

Voorts heeft het college zich bij besluit van 28 oktober 2010, gehandhaafd bij besluit van 18 april 2011, terecht op het standpunt gesteld dat de stacaravan in strijd is met het bestemmingsplan, nu daarin geen bouwmogelijkheden voor stacaravans zijn opgenomen.

2.6. De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wabo en artikel 2.25, tweede lid, van het bestemmingsplan, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 18 april 2011 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe verwijzen zij naar een aantal gevallen op andere kampeerterreinen in de gemeente, die volgens hen met het voorliggende geval gelijk zijn, waarin het college niet handhavend optreedt.

2.7.1. Dit betoog faalt. Hangende het beroep heeft het college bij brief van 19 oktober 2011 gemotiveerd uiteengezet dat en waarom de door [appellanten] genoemde gevallen niet gelijk zijn aan het voorliggende geval. Volgens het college geldt voor een deel van de genoemde gevallen een andere bestemming, dan wel is het overgangsrecht van het bestemmingsplan van toepassing en verschillen de genoemde stacaravans waarvoor dezelfde bestemming geldt, in omvang en wat de ligging betreft van de voorliggende stacaravan. Ter zitting bij de voorzitter heeft het college desgevraagd te kennen gegeven dat het, gelet op een tekort aan personele capaciteit, met het oog op handhaving het beleid voert dat aan de hand van de criteria ruimtelijke uitstraling, strijd met het bestemmingsplan en maatvoering een zogenoemde prioriteitenlijst wordt vastgesteld. Gelet op de strijdigheid met het bestemmingsplan, de solitaire ligging en de betrekkelijk grote omvang van de stacaravan, bestaande uit twee aan elkaar bevestigde delen met daaraan permanent aangebrachte overdekte terrassen met een oppervlakte van omstreeks 90 m², heeft het college prioriteit gegeven aan het handhavend optreden tegen de voorliggende stacaravan. Dit betekent niet dat tegen andere omgevingsvergunningplichtige stacaravans in de gemeente waarvoor geen omgevingsvergunning is verleend en die in strijd met het bestemmingsplan zijn geplaatst niet handhavend zal worden opgetreden, aldus het college.

Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college genoegzaam heeft gemotiveerd dat het niet afziet van handhavend optreden in gelijke gevallen.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. De Haseth

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2012

476.