Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3014

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201107153/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 augustus 2010 heeft het college aan Groenrijk Malkenschoten C.V. een vergunning verleend voor het verplaatsen van een uitweg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201107153/1/A3.

Datum uitspraak: 18 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Apeldoorn,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 18 mei 2011 in zaak nrs. 11/253 en 11/254 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2010 heeft het college aan Groenrijk Malkenschoten C.V. een vergunning verleend voor het verplaatsen van een uitweg.

Bij besluit van 10 februari 2011 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, voor zover van belang, heeft de voorzieningenrechter het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door [zoon], en het college, vertegenwoordigd door G.L. ter Brugge, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.1.5.3, eerste lid, aanhef en onder c, van de algemene plaatselijke verordening 2006 (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

Ingevolge het derde lid kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van:

a. de bruikbaarheid van de weg;

b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

2.2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 30 augustus 2010 heeft het college aan Groenrijk een vergunning verleend voor het enkele meters in westelijke richting verplaatsen van de oostelijke uitweg op het perceel Malkenschoten 9 te Apeldoorn. Hiermee komt deze uitweg te liggen schuin tegenover de uitweg van het perceel [locatie], waarop de woning van [appellante] is gelegen.

2.3. De voorzieningenrechter heeft geen grond gezien voor het oordeel dat de vergunde verplaatsing een verkeersonveilige situatie veroorzaakt en dat het college de gevraagde uitwegvergunning niet mocht verlenen. Hiertoe heeft hij overwogen dat de getrokken conclusies in het door [appellante] in het geding gebrachte deskundigenbericht van 24 februari 2011 van Hauptmeijer Verkeer (hierna: het deskundigenbericht) zijn gebaseerd op een niet vergelijkbare verkeerssituatie.

2.4. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte de conclusies uit het deskundigenbericht terzijde heeft geschoven.

2.5. De Afdeling is met de voorzieningenrechter van oordeel dat de in het deskundigenbericht getrokken conclusies zijn gebaseerd op evaluatieonderzoek uit 2004 dat niet zag op een situatie als de nu voorliggende. Dit evaluatieonderzoek had betrekking op kruispunten met drie of vier takken hetgeen niet overeenkomt met twee uitwegen die nagenoeg tegenover elkaar zijn gelegen en uitkomen op een doorgaande weg. Voorts zal volgens het proces-verbaal van bevindingen van een verbalisant van de regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, dat op 17 november 2010 is opgemaakt, als gevolg van de vergunde verplaatsing van de uitweg geen verkeersonveilige situatie ontstaan. De voorzieningenrechter heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college de gevraagde vergunning op grond van artikel 2.1.5.3, derde lid, aanhef en onder b, van de APV had moeten weigeren.

Het betoog faalt.

2.6. De overige gronden van het hoger beroep houden - kort samengevat - in dat Groenrijk ten onrechte en in strijd met het vigerende bestemmingsplan de detailhandelsfunctie van haar bedrijf heeft uitgebreid.

Dit betoog kan evenwel niet leiden tot het ermee beoogde doel nu artikel 2.1.5.3, derde lid, van de APV in zoverre geen grond voor weigering van de door Groenrijk gevraagde vergunning bevat.

De voorzieningenrechter heeft ook in zoverre terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college de gevraagde uitwegvergunning niet mocht verlenen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2012

312.