Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3009

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201200554/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Heerenveen-Wooncomplex Nieuwburen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201200554/2/R2.

Datum uitspraak: 10 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te Heerenveen,

en

de raad van de gemeente Heerenveen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Heerenveen-Wooncomplex Nieuwburen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2012, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2012, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 maart 2012, waar [verzoeker], en de raad, vertegenwoordigd door G. Haanstra en

K. Brandsma, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting ir. G. Leistra, vertegenwoordiger van woningcorporatie Accolade, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in een wooncomplex met maximaal 60 woningen, waarvan 16 Fokuswoningen voor personen met een lichamelijke handicap, aan de Nieuwburen te Heerenveen.

2.3. [verzoeker] verzoekt om het treffen van een voorlopige voorziening, omdat hij zich niet kan verenigen met het in het plan voorziene wooncomplex. Hij vreest voor aantasting van zijn privacy en uitzicht, vanwege de in het plan maximaal toegestane hoogte van het wooncomplex. Verder voert hij aan dat het voorziene wooncomplex het monumentale straatbeeld van de Nieuwburen zal aantasten. Voorts heeft [verzoeker] er bezwaar tegen dat het Leidse bruggetje op de Nieuwburen is aangepast, zonder dat de behandeling van het door hem ingestelde beroep is afgewacht. Tevens vreest [verzoeker] voor schade aan zijn woning door de bouwwerkzaamheden. Daarbij heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij in de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van het plan onbehoorlijk is behandeld, vooral wat betreft informatieverstrekking en overleg.

2.4. De voorzitter stelt voorop dat niet is gebleken dat de voor de bestemmingsplanprocedure geldende regels niet zijn nageleefd. Voorts is niet aannemelijk geworden dat het gemeentebestuur tegenover [verzoeker] niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Het voeren van overleg tussen het gemeentebestuur en belanghebbenden maakt geen onderdeel uit van de procedure van vaststelling van een bestemmingsplan, zoals vastgelegd in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening. Het eventueel ontbreken van dergelijk overleg heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit waarbij het bestemmingsplan is vastgesteld.

2.5. In de verbeelding is weergegeven dat het wooncomplex uit drie bouwblokken met verscheidene bouwhoogten zal bestaan. Het bouwblok met een maximaal toegestane bouwhoogte van 15 meter is voorzien op een afstand van ongeveer 44 meter vanaf de woning van [verzoeker] aan de [locatie]. Het bouwblok met een maximaal toegestane bouwhoogte van 18 meter is voorzien op een afstand van ongeveer 46 meter vanaf de woning van [verzoeker]. Het bouwblok met een maximaal toegestane bouwhoogte van 39 meter is voorzien op een afstand van ongeveer 74 meter vanaf de woning van [verzoeker]. In de verbeelding is voorts weergegeven dat tussen de woning van [verzoeker] en het voorziene wooncomplex twee wegen, twee groenstroken van ongeveer vier meter elk en water liggen. Gelet hierop acht de voorzitter niet aannemelijk dat het uitzicht en de privacy van [verzoeker] zo ernstig zullen worden aangetast dat de raad aan deze bezwaren niet in redelijkheid minder gewicht heeft kunnen toekennen dan aan de met de bouw van het wooncomplex gediende belangen.

2.6. In de plantoelichting staat onder meer dat het plangebied de overgang vormt tussen de kleinschalige historische structuur van hoofdzakelijk individuele panden en de grootschalige bebouwing (waarvan een deel nog niet is gerealiseerd) van het Sportstad-gebied. Hierin staat verder dat aan de noord- en noordwestzijde van het plangebied is voorzien in een bouwhoogte die aansluit bij de bebouwing aan de Nieuwburen en aan de zuidwestelijke zijde van het plangebied is voorzien in een hogere maximale bouwhoogte, zodat dit deel kan aansluiten bij de grootschalige bebouwing die gerealiseerd wordt in het Sportstad-gebied. Blijkens het bestemmingsplan "Sportstad Heerenveen (zuidelijk deel)", vastgesteld op 29 maart 2010, dat ziet op de gronden ten zuiden en zuidoosten van het plangebied zijn woongebouwen toegestaan met een maximale bouwhoogte van 16 meter en zijn kantoorgebouwen toegestaan met een maximale bouwhoogte van 42 meter. De raad heeft naar voren gebracht dat met de opzet van het voorziene wooncomplex is beoogd om aan te sluiten bij de bestaande en in ontwikkeling zijnde bebouwing in de omgeving van het plangebied. De voorzitter is van oordeel dat de raad gelet op het bovenstaande de stedenbouwkundige relatie tussen het wooncomplex en de omgeving deugdelijk heeft verantwoord en in redelijkheid in het karakter van de omgeving, waaronder de Nieuwburen, geen beletsel voor realisering van dit complex heeft hoeven zien.

Voor zover [verzoeker] aanvoert dat de materialen die gebruikt zullen worden voor het wooncomplex niet passen bij de bestaande bebouwing in de omgeving, overweegt de voorzitter dat dit geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

2.7. Het plan heeft geen betrekking op de door [verzoeker] aan de orde gestelde aanpassing van het Leidse bruggetje. Ook dit is derhalve een aspect dat bij de beoordeling van dit plan niet aan de orde kan komen.

2.8. Met betrekking tot de vrees van [verzoeker] voor schade aan zijn woning als gevolg van de bouwwerkzaamheden, is door de raad en de woningcorporatie ter zitting aangegeven dat er bij de bouwwerkzaamheden rekening gehouden zal worden met de woningen in de nabije omgeving. Daarom zal er ook geboord worden in plaats van geheid. Mocht niettemin als gevolg van de bouwwerkzaamheden schade optreden, dan zal deze, aldus de raad en de woningcorporatie, worden vergoed. Met het oog hierop zal, zo is namens de woningcorporatie ter zitting verklaard, door een onafhankelijk bureau een nulmeting gedaan zal worden bij alle woningen in de nabije omgeving van het plangebied, voordat begonnen zal worden met de bouwwerkzaamheden. Gelet hierop ziet de voorzitter in hetgeen [verzoeker] op dit punt heeft aangevoerd geen aanleiding voor schorsing van het plan.

2.9. Voor zover [verzoeker] in zijn verzoekschrift verder nog verwijst naar de door hem tegen het ontwerpplan ingediende zienswijze, kan dit evenmin leiden tot het oordeel dat het verzoek moet worden toegewezen, nu [verzoeker] niet heeft gemotiveerd waarom de reactie van de raad op de zienswijze van [verzoeker] onvoldoende was.

2.10. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. De Rooy

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2012

59-677.