Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW3008

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
201200542/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Panovenweg Dr. Slotlaan" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201200542/2/R2.

Datum uitspraak: 10 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats] (Duitsland),

en

de raad van de gemeente Berkelland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Panovenweg Dr. Slotlaan" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2012, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 10 februari 2012. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2012, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. H.E. Davelaar, advocaat te Zwolle, en de raad, vertegenwoordigd door E.J.E.M. Spanjaard en H. Heideveld, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Tevens zijn als partij gehoord Stichting LSG-Rentray en Stichting Trajectum, beide vertegenwoordigd door mr. I.E. Nauta, advocaat te Enschede.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de mogelijkheid om de bebouwing van de zorginstelling LSG-Rentray, die in de bestaande situatie aan de oost- en westzijde van de Panovenweg is gesitueerd, op één locatie te concentreren. LSG-Rentray betreft een zorginstelling voor jongeren en volwassen met gedragsproblemen.

2.3. [verzoeker] heeft bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Maatschappelijk", "Groen" en "Bos" betreffende de gronden ten oosten van de Panovenweg. Hij betoogt dat het plan niet uitvoerbaar is aangezien niet vaststaat dat de instelling voldoende inkomsten kan genereren. Voorts is onzeker of de verkoop van de gebouwen die zullen worden afgestoten, voldoende zal zijn voor de financiering van de nieuwbouw, aldus [verzoeker]. Voorts betoogt [verzoeker] dat het plan ten onrechte in 128 behandelplaatsen voorziet.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan financieel en economisch uitvoerbaar is. Voorts acht de raad de huisvesting van 128 cliënten binnen de in het plan opgenomen bebouwing mogelijk. Hierbij merkt de raad op dat het aantal behandelplaatsen ten opzichte van de bestaande situatie niet is toegenomen.

2.3.2. Blijkens de verbeelding zijn aan de gronden ten oosten van de Panovenweg de bestemmingen "Maatschappelijk", "Groen" en "Bos" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de op de verbeelding voor "Bos" aangewezen gronden bestemd voor bos en instandhouding van bos ten behoeve van aldaar voorkomende natuur- en landschapswaarden.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder b, van de planregels geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende regel: de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 meter.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a en f, van de planregels zijn de op de verbeelding voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor groenvoorzieningen en bos met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 5, lid 5.2.2, onder a, van de planregels mag de hoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 2 meter bedragen.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, sub 1, van de planregels, voor zover thans van belang, zijn de op de verbeelding voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van maatschappelijke hulpverlening en dienstverlening met gesloten en open behandeling, in bijvoorbeeld een justitiële inrichting, met maximaal 128 plaatsen.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder k, van de planregels is het pas toegestaan om deze bestemming te gebruiken of te bebouwen als conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd inrichtings- en beheerplan de groenzones worden gerealiseerd en in stand gehouden.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2.2, onder a, van de planregels mag de hoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 5 meter bedragen.

2.3.3. Ten aanzien van de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gebleken dat tussen de initiatiefnemer en de gemeente een realisatieovereenkomst en een planschadeovereenkomst is gesloten, waardoor alle kosten die verbonden zijn aan de realisatie van het plan door de initiatiefnemer worden gedragen. Voorts is ter zitting gebleken dat, anders dan [verzoeker] meent, de nieuwbouw niet gefinancierd zal worden uit de opbrengst van de verkoop van de gebouwen die zullen worden afgestoten en dat voor de financiering van de nieuwbouw voldoende middelen aanwezig zijn.

Voorts blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de instelling weliswaar niet langer door het ministerie van Veiligheid en Justitie wordt ingezet als justitiële jeugdinrichting, maar dat anderszins voldoende behoefte bestaat aan de in het plan voorziene 128 behandelplaatsen. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan financieel-economisch uitvoerbaar is.

2.4. [verzoeker] betoogt dat in het plan ten onrechte geen onderscheid is gemaakt tussen maatschappelijke hulpverlening en dienstverlening met gesloten behandeling in een justitiële inrichting en maatschappelijke hulpverlening en dienstverlening met open behandeling, terwijl deze bestemmingen naar hun aard verschillend zijn en ook ruimtelijk een verschillende uitstraling hebben. Hierbij wijst hij met name op het hekwerk dat nodig is bij een gesloten inrichting met het oog op het waarborgen van de veiligheid van de omgeving. Hij voert aan dat ten onrechte niet om het hele terrein een hoog hek is voorzien nu binnen de gehele bestemming "Maatschappelijk" gesloten behandeling in een justitiële inrichting is toegestaan. Voorts voert hij aan dat in het plan ten onrechte de inrichting van een overgangszone met daarin een hekwerk afhankelijk is gesteld van een door het college van burgemeester en wethouders nog vast te stellen beheer- en inrichtingsplan, waardoor niet is gewaarborgd dat in een hekwerk zal worden voorzien.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het planologisch onwenselijk is om voor maatschappelijke hulpverlening en dienstverlening met gesloten behandeling en voor maatschappelijke hulpverlening en dienstverlening met open behandeling aparte bestemmingen in het plan op te nemen. De raad stelt dat gelet op het feit dat binnen de zorgsector veelvuldig veranderingen plaatsvinden, het vanuit het oogpunt van flexibiliteit wenselijk is om binnen de bestemming "Maatschappelijk" beide vormen van behandeling mogelijk te maken. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de inrichting van een groenzone en de oprichting van een hekwerk in het plan voldoende is gewaarborgd. Hij wijst hierbij op het door het college van burgemeester en wethouders goed te keuren inrichtings- en beheerplan.

2.4.2. De bestemming "Maatschappelijk" laat ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, sub 1, van de planregels maatschappelijke hulpverlening en dienstverlening met zowel gesloten als open behandeling toe. De voorzitter is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wenselijk is om deze twee functies vanuit het oogpunt van flexibiliteit binnen één bestemming toe te staan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat weliswaar de ruimtelijke effecten van de genoemde functies vanuit het oogpunt van veiligheid verschillen, maar dat binnen het gehele plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" erf- en terreinafscheidingen met een hoogte van 5 meter zijn toegestaan zodat het plan voorziet in de mogelijkheid om met het oog op de waarborging van de veiligheid van de omgeving een voldoende hoog hekwerk op te richten. Voorts is het ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder k van de planregels pas toegestaan om de bestemming "Maatschappelijk" te gebruiken of te bebouwen als conform een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd inrichtings- en beheerplan de groenzones worden gerealiseerd en in standgehouden.

Voor zover [verzoeker] betoogt dat niet is gewaarborgd dat een voldoende hoog hekwerk zal worden gerealiseerd, overweegt de voorzitter het volgende. De raad onderkent het belang van de afscheiding van de gebouwen van de instelling met een niet-overklimbaar hek, waarbij voor een instelling met gesloten behandeling een hekwerk met een hoogte tussen 3 en 5 meter noodzakelijk wordt geacht en voor een instelling met open behandeling een hekwerk met een hoogte van 2 meter. Voorts heeft de raad gesteld dat met de initiatiefnemers een realisatieovereenkomst is gesloten waarin de realisatie van voldoende hekwerk is gewaarborgd. Ook van de zijde van LSG-Rentray is het belang benadrukt van voldoende afscheiding van de gebouwen. Ter zitting is daartoe uitdrukkelijk verklaard dat rondom het zogeheten Kruisgebouw van Trajectum al een hekwerk van ruim vier meter aanwezig is, dat rondom de nieuwbouw van Trajectum een hekwerk van eveneens ruim vier meter wordt geplaatst, dat rondom het terrein van LSG-Rentray al een hekwerk van twee meter staat en dat eenzelfde hekwerk rondom de nieuwbouw wordt geplaatst. Onder deze omstandigheden acht de voorzitter voldoende verzekerd dat de benodigde hekwerken zullen worden geplaatst, temeer nu dit ook in het belang van de instellingen zelf is. Voor zover in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de oprichting van de hekwerken in de planregels is verankerd, is dit een gebrek, dat in die procedure kan worden hersteld.

2.5. Gelet op het vorenoverwogene en na afweging van de betrokken belangen acht de voorzitter geen termen aanwezig om het verzoek om voorlopige voorziening in te willigen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2012

12-674.