Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW2893

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
201108692/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de door hem in het kader van artikel 8 van het EVRM te verrichten belangenafweging komt de minister een zekere beoordelingsruimte toe. Dat laat evenwel onverlet dat de besluitvorming moet voldoen aan de eisen van zorgvuldigheid en motivering die het recht daaraan stelt. De rechter moet met inachtneming van de beoordelingsruimte die de minister toekomt toetsen of de besluitvorming aan die eisen voldoet. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister bij de "fair balance" die moet worden gevonden tussen enerzijds de belangen van de betrokken personen en anderzijds het betrokken algemeen belang van de staat, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de inmenging in de uitoefening door de vreemdeling en het kind van hun recht op gezinsleven gerechtvaardigd is. Daarbij is vooral van belang dat de vreemdeling er zelf voor heeft gekozen zich met het kind in de Verenigde Staten te vestigen en het besluit van de minister derhalve het familie- en gezinsleven van betrokkenen, zoals dit bestond voorafgaand aan dat besluit, niet verhindert en er voorts geen objectieve belemmeringen bestaan het gezinsleven aldaar uit te oefenen. De door de rechtbank genoemde, hiervoor onder 2.4.2 weergegeven, aspecten kunnen daaraan niet afdoen. Dat de minister zulks in het besluit van 21 januari 2011 niet uitdrukkelijk tot uiting heeft gebracht, betekent niet dat dit besluit op een ondeugdelijke motivering berust. Voldoende duidelijk is dat de minister de voor het vinden van een "fair balance" relevante feiten en omstandigheden onder ogen heeft gezien en daarbij de door de rechtbank genoemde aspecten niet van doorslaggevende betekenis heeft geacht. Het oordeel van de rechtbank dat de minister niet, althans onvoldoende, op die aspecten is ingegaan, moet derhalve aldus worden begrepen dat volgens de rechtbank aan bedoelde aspecten wel doorslaggevend gewicht toekomt. Voor dat oordeel bestaat zoals hiervoor is overwogen geen grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201108692/1/V1.

Datum uitspraak: 5 april 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 13 juli 2011 in zaak nr. 11/3860 in het geding tussen:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om de aan de haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verbonden beperking te wijzigen afgewezen.

Bij besluit van 21 januari 2011 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A. Pruss, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Berg, advocaat te Amsterdam, en [echtgenoot], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. De vreemdeling heeft op 23 augustus 2010 een aanvraag ingediend om de aan de haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verbonden beperking 'verblijf bij echtgenoot [echtgenoot]' te wijzigen in 'uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) bij [het kind] (hierna: het kind)'.

Bij besluit van 22 september 2010 heeft de minister de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verblijf bij echtgenoot [echtgenoot]' met terugwerkende kracht per 26 mei 2009 ingetrokken. De vreemdeling is per die datum gescheiden van [echtgenoot] (hierna: de man).

Het kind, een meisje, is geboren op [datum] 2004 en heeft zowel de Nederlandse als de Amerikaanse nationaliteit. Nadat de man en de vreemdeling op 11 december 2008 een echtscheidingsconvenant hebben opgesteld, is de vreemdeling begin 2009 met het kind in de Verenigde Staten gaan wonen.

2.3. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft, voor zover hier van belang, een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.4. In de enige grief klaagt de minister dat de rechtbank, door te oordelen dat gelet op de door haar genoemde omstandigheden het standpunt van de minister dat geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM niet zonder nadere onderbouwing kan worden gevolgd, heeft miskend dat zij de door hem in het kader van voormeld verdragsartikel verrichte belangenafweging terughoudend dient te toetsen, nu hem daarbij "a certain margin of appreciation" ofwel beoordelingsvrijheid toekomt. Ter nadere toelichting van zijn grief heeft de minister ter zitting te kennen gegeven dat hetgeen daarin is betoogd omtrent de door de rechter in acht te nemen toetsingsmaatstaf aldus dient te worden verstaan dat de rechter enigszins terughoudend dient te toetsen of de door de minister verrichte belangenafweging de redelijkheidstoets kan doorstaan en dat de rechtbank dat niet heeft gedaan, nu zij in wezen de beoordeling volledig zelfstandig heeft overgedaan. In de in het besluit van 21 januari 2011 weergegeven belangenafweging zijn de belangen van het kind in voldoende mate meegewogen, aldus de minister.

2.4.1. Blijkens het besluit van 21 januari 2011 en het daarbij ingelaste besluit van 1 september 2010 heeft de minister bij zijn afweging in aanmerking genomen dat de vreemdeling en de man in het door hen gesloten echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen dat het kind met de vreemdeling in de Verenigde Staten gaat wonen, dat zij daarbij ongetwijfeld mede het belang van het kind voor ogen hebben gehad, dat de enkele omstandigheid dat de vreemdeling en de man zich nadien op het standpunt hebben gesteld dat het voor het kind beter is om met de vreemdeling in Nederland te wonen, er niet toe leidt dat het belang van het kind thans vergt dat de vreemdeling in Nederland dient te verblijven en dat de omgang tussen de man, de vreemdeling en het kind kan plaatsvinden op de wijze die is voorzien in het echtscheidingsconvenant. Voorts heeft de minister vermeld dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Ter realisering van de wens van de vreemdeling dat het kind zowel haar vader als haar moeder in de buurt heeft, is het volgens de minister niet nodig de vreemdeling verblijf in Nederland te verlenen, maar kan dit ook gestalte krijgen indien de man zich in de Verenigde Staten zou vestigen, waarbij de minister in aanmerking heeft genomen dat de omstandigheid dat het de man, naar gesteld, in het verleden niet is gelukt aldaar een bedrijf van de grond te krijgen, niet betekent dat dit ook thans niet mogelijk zou zijn. Het is niet duidelijk waarom de man zijn eenmansbedrijf niet in de Verenigde Staten zou kunnen voortzetten, dan wel daar niet anderszins in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien, aldus de minister in het besluit.

2.4.2. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar enkele arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), overwogen dat de minister in het besluit van 21 januari 2011 een aantal aspecten onvoldoende kenbaar bij de besluitvorming heeft betrokken. De rechtbank heeft daarbij gewezen op de omstandigheden dat het gaat om een Nederlands meisje van 7 jaar oud dat sterkere banden heeft met Nederland dan met de Verenigde Staten, dat er een omgangsregeling is waarin is afgesproken dat het kind bij de vreemdeling verblijft, dat zij alle kosten voor het kind draagt en dat belangrijke beslissingen ten aanzien van het kind door de vreemdeling en de man samen worden genomen, dat het gezinsleven tussen het kind en de vreemdeling is opgebouwd tijdens legaal verblijf, dat niet uit te sluiten valt dat de vreemdeling na haar echtscheiding rechtmatig verblijf in Nederland had kunnen krijgen als zij niet naar de Verenigde Staten was gegaan, en dat de vreemdeling en de man hebben gesteld dat verblijf van het kind met haar ouders in de Verenigde Staten geen optie is. Aldus heeft de minister volgens de rechtbank met name onvoldoende kenbaar meegewogen het belang voor een kind van de leeftijd als thans aan de orde, dat beide ouders in de directe nabijheid verkeren.

2.4.3. Niet in geschil is dat sprake is van inmenging in het gezinsleven tussen de vreemdeling en het kind als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van die bepaling, indien aan de vreemdeling geen voortgezet verblijf in Nederland wordt toegestaan.

2.4.4. Zoals volgt uit de jurisprudentie van het EHRM, onder meer het arrest Rodriguez da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, (JV 2006/90), en de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009 in zaak nr. 200903237/1/V2; www.raadvanstate.nl), dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval een inmenging in het familie- of gezinsleven van een vreemdeling rechtvaardigt, een "fair balance" te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het betrokken algemeen belang van die lidstaat.

2.4.5. Bij de door hem in het kader van artikel 8 van het EVRM te verrichten belangenafweging komt de minister een zekere beoordelingsruimte toe. Dat laat evenwel onverlet dat de besluitvorming moet voldoen aan de eisen van zorgvuldigheid en motivering die het recht daaraan stelt. De rechter moet met inachtneming van de beoordelingsruimte die de minister toekomt toetsen of de besluitvorming aan die eisen voldoet. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister bij de "fair balance" die moet worden gevonden tussen enerzijds de belangen van de betrokken personen en anderzijds het betrokken algemeen belang van de staat, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de inmenging in de uitoefening door de vreemdeling en het kind van hun recht op gezinsleven gerechtvaardigd is. Daarbij is vooral van belang dat de vreemdeling er zelf voor heeft gekozen zich met het kind in de Verenigde Staten te vestigen en het besluit van de minister derhalve het familie- en gezinsleven van betrokkenen, zoals dit bestond voorafgaand aan dat besluit, niet verhindert en er voorts geen objectieve belemmeringen bestaan het gezinsleven aldaar uit te oefenen. De door de rechtbank genoemde, hiervoor onder 2.4.2 weergegeven, aspecten kunnen daaraan niet afdoen. Dat de minister zulks in het besluit van 21 januari 2011 niet uitdrukkelijk tot uiting heeft gebracht, betekent niet dat dit besluit op een ondeugdelijke motivering berust. Voldoende duidelijk is dat de minister de voor het vinden van een "fair balance" relevante feiten en omstandigheden onder ogen heeft gezien en daarbij de door de rechtbank genoemde aspecten niet van doorslaggevende betekenis heeft geacht. Het oordeel van de rechtbank dat de minister niet, althans onvoldoende, op die aspecten is ingegaan, moet derhalve aldus worden begrepen dat volgens de rechtbank aan bedoelde aspecten wel doorslaggevend gewicht toekomt. Voor dat oordeel bestaat zoals hiervoor is overwogen geen grond.

De grief slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 21 januari 2011 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.6. De vreemdeling heeft in beroep, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 8 maart 2011, C 34/09, Ruiz Zambrano (hierna: het arrest Ruiz Zambrano; www.curia.europa.eu), betoogd dat het burgerschap van de Unie vereist dat Nederland aan de vreemdeling, als moeder van een kind met de Nederlandse nationaliteit, toestaat in Nederland te verblijven en te werken, aangezien een weigering het kind het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van de burger van de Unie ontleende rechten ontzegt.

2.6.1. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, genieten de burgers van de Unie de rechten en hebben zij de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald en hebben zij, onder andere, het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.

2.6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 maart 2012 in zaak nr. 201105729/1/V1; www.raadvanstate.nl) is uit de overwegingen van het Hof in het arrest van 15 november 2011, C 256/11, Dereci e.a., (hierna: het arrest Dereci; www.curia.europa.eu), waarin een nadere uitleg wordt gegeven van het arrest Ruiz Zambrano, af te leiden dat bij de beantwoording van de vraag of een burger van de Unie die gezinsleven uitoefent met een burger van een derde land, zijn uit artikel 20 van het VWEU voortvloeiende recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, slechts beperkte betekenis toekomt aan het recht op bescherming van het gezinsleven. Zoals volgt uit punt 68 van het arrest Dereci, wordt dit recht niet als zodanig door artikel 20 van het VWEU beschermd, maar door andere internationaal-, Unie , en nationaalrechtelijke regelingen en bepalingen, zoals artikel 8 van het EVRM, artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Unierechtelijke verblijfsrichtlijnen en artikel 15 van de Vreemdelingenwet 2000.

Bij de beantwoording van genoemde vraag is onder meer de wens van gezinsleden om als gezin in Nederland of in de Unie te verblijven dus eveneens van beperkt belang. De situatie dat de burger van de Unie zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, doet zich slechts voor als de burger van de Unie zodanig afhankelijk is van de burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van de minister geen andere keus heeft dan met de burger van het derde land buiten de Unie te verblijven.

2.6.3. De beantwoording van de vraag of de burger van het derde land aannemelijk heeft gemaakt dat zich deze situatie voordoet, vergt een beoordeling door de minister van de, gelet op artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht, door de burger van het derde land in de bestuurlijke fase aan te voeren, feiten en omstandigheden van het geval. De uitkomst van die beoordeling kan door de rechter zonder terughoudendheid worden getoetst.

2.6.4. Niet in geschil is dat het kind de status van burger van de Unie (punt 63 van het arrest Dereci) bezit, zodat zij zich, ook ten opzichte van de lidstaat Nederland, op de bij die status behorende rechten kan beroepen.

2.6.5. Het betoog dat uit artikel 20 van het VWEU voortvloeit dat de vreemdeling moet worden toegestaan met het kind in Nederland te verblijven, treft geen doel. Concrete aanwijzingen dat de man, al dan niet met behulp van derden, feitelijk niet in staat is de zorg voor het kind te dragen, en dat het kind niet bij hem kan verblijven, zijn door de vreemdeling niet verstrekt. De vreemdeling is er dan ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het kind, burger van de Unie, zodanig van haar, burger van een derde land, afhankelijk is dat het kind als gevolg van de besluitvorming van de minister feitelijk wordt verplicht met de vreemdeling buiten de Unie te verblijven. Het kind is derhalve niet het effectieve genot ontzegd van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten.

De beroepsgrond faalt.

2.7. Ten slotte heeft de vreemdeling betoogd dat artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: het IVRK) zich verzet tegen de afzondering van een kind van zijn ouders.

2.8. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 januari 2006 in zaak nr. 200507463/1; www.raadvanstate.nl) roept deze verdragsbepaling, voor zover zij al een direct toepasbare norm zou inhouden, geen aanspraak in het leven die verder strekt dan artikel 8 van het EVRM.

De beroepsgrond faalt.

2.9. Het inleidende beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 13 juli 2011 in zaak nr. 11/3860;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden Clarenbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2012

488.

Verzonden: 5 april 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser