Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW1593

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
201003878/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Alphen-Chaam 2010" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2012/33 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3869

Uitspraak

201003878/1/R3.

Datum uitspraak: 11 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert,

2. [appellante sub 2], wonend te Strijbeek, gemeente Alphen-Chaam,

3. [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], beiden wonend te Bavel, gemeente Alphen-Chaam,

4. [appellante sub 4], wonend te Strijbeek, gemeente Alphen-Chaam,

5. [appellante sub 5], wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam,

6. de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Tilburg, en de vereniging Vereniging ABC Milieugroep, gevestigd te

Baarle-Nassau,

7. [appellant sub 7A] en [appellante sub 7B], beiden wonend te Chaam, gemeente Alphen-Chaam,

8. [appellante sub 8], wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, en anderen,

9. [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B], beiden wonend te Chaam, gemeente Alphen-Chaam,

10. [appellante sub 10], wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam,

11. [appellant sub 11A] en [appellante sub 11B], beiden wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam,

12. [appellante sub 12], gevestigd te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

13. [appellant sub 13A] en [appellant sub 13 B], beiden wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 13]),

14. [appellant sub 14], wonend te Strijbeek, gemeente Alphen-Chaam,

15. [appellant sub 15], wonend te Chaam, gemeente Alphen-Chaam,

16. [appellant sub 16], wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam,

17. [appellant sub 17A] en [appellante sub 17 B], beiden wonend te Galder, gemeente Alphen-Chaam,

18. [appellante sub 18], gevestigd te Strijbeek, gemeente Alphen-Chaam,

19. [appellant sub 19], wonend te Ulvenhout, gemeente Breda,

20. [appellante sub 20], wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam,

21. [appellante sub 21], wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam,

22. [appellant sub 22], wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam,

23. [appellant sub 23], wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam,

24. [appellante sub 24], gevestigd te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam,

25. [appellant sub 25], thans zijn rechtsopvolgster [bedrijf], gevestigd te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, en [vennoot C], wonend te Tilburg,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Alphen-Chaam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Alphen-Chaam 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellanten sub 3], [appellante sub 4], [appellante sub 5], BMF en ABC Milieugroep, [appellanten sub 7], [appellante sub 8] en anderen, [appellanten sub 9], [appellante sub 10], [appellanten sub 11], [appellante sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellanten sub 17], [appellante sub 18], [appellant sub 19], [appellante sub 20], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellante sub 24] en [appellant sub 25], thans zijn rechtsopvolgster [bedrijf], tijdig beroep ingesteld. Een aantal van hen heeft de gronden van het beroep schriftelijk aangevuld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht). Een aantal partijen heeft daarop een zienswijze naar voren gebracht.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 en 18 januari 2012, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.1.1. [appellante sub 12] heeft aangegeven dat zij een adviesbureau heeft dat werkzaam is in de provincie Noord-Brabant. Zij stelt dat zij moet worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit. In dit verband wijst zij onder meer op artikel 2 van haar statuten.

2.1.2. Blijkens artikel 2 van haar statuten, voor zover hier van belang, heeft [appellante sub 12] ten doel:

a. het geven van adviezen op het gebied van bouwvergunningen en milieuwetgeving verband houdende met de bouw en voorts het verrichten van alle handelingen welke met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daaraan bevorderlijk kunnen zijn.

2.1.3. [appellante sub 12] is, zo heeft zij ter zitting aangegeven, een adviesbureau dat werkt in opdracht van ondernemers, particulieren en ontwikkelaars. Bij brief van 4 januari 2011 heeft zij desgevraagd vermeld dat zij beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit vanuit haar positie als een soort belangenbehartiger van haar (potentiële) klanten, die zijn gevestigd in het bestemmingsplangebied of die wonen in dat gebied. Zij stelt dat het daarbij gaat om aspecten waarvan haar (potentiële) klanten nog niet de gevolgen kunnen overzien en die niet zijn te herleiden tot concrete gevallen, maar waarvan zij, vanwege haar expertise, in de toekomst nadelige gevolgen verwacht. Daarbij heeft zij zich naar eigen zeggen beperkt tot aspecten die niet door anderen in beroep zijn bestreden. Zij verzoekt de Afdeling over die aspecten een rechtmatigheidsoordeel te geven.

2.1.4. Gelet op het hiervoor weergegeven artikel 2 van de statuten en de daarop door [appellante sub 12] gegeven toelichting, is de Afdeling van oordeel dat [appellante sub 12] geen rechtspersoon is die zich ten doel stelt om op te komen voor de bescherming van bovenindividuele belangen. Zij kan derhalve niet worden aangemerkt als een rechtspersoon die, krachtens haar doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden, algemene en collectieve belangen behartigt als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb.

Uit de brief van [appellante sub 12] van 4 januari 2011 en uit het verhandelde ter zitting is verder gebleken dat [appellante sub 12] zelf geen gronden heeft in het gebied waarvoor het bestemmingsplan is vastgesteld. Zij heeft voorts geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat zij een objectief en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks door het betreden besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

2.1.5. De conclusie is dat [appellante sub 12] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellante sub 12] is niet-ontvankelijk.

2.2. Het beroep van [appellante sub 8] en anderen, voor zover het is gericht tegen de vaststelling van de gebiedsaanduiding "Reconstructiewetzone - Landbouwontwikkelingsgebied" voor het gebied ten oosten van de kern Alphen, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.3. [appellante sub 1] kan zich niet verenigen met de bestemming "Bos" ter plaatse van haar recreatiewoning op het perceel [locatie 1] te Galder. Zij betoogt dat de recreatiewoning ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Hiertoe voert zij aan dat de recreatiewoning in 1965 is opgericht en in 1973 ingrijpend is verbouwd met mondelinge toestemming van het gemeentebestuur van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken en sindsdien in gebruik is geweest voor permanente dan wel recreatieve bewoning. Daarnaast voert zij aan dat de recreatiewoning door de raad van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken in het voorheen geldende bestemmingsplan, zoals dat bij besluit van 23 december 1996 was vastgesteld, als zodanig was bestemd. Hiermee is, naar zij stelt, de mondelinge toestemming voor de bouw van de recreatiewoning formeel vastgelegd. Dit impliceert volgens haar ook dat de recreatiewoning niet onder de gemeentelijke uitsterfregeling voor recreatiewoningen valt. Daarnaast betoogt [appellante sub 1] dat een aantal andere recreatiewoningen wel als zodanig is bestemd. In dit verband stelt zij dat de mondelinge toestemming voor de bouw van haar recreatiewoning gelijk kan worden gesteld met de schriftelijke toestemming voor een recreatiewoning aan de Rijsbergsebaan 10. Zij vreest voorts voor financiële schade als haar recreatiewoning moet worden verwijderd.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de recreatiewoning op het perceel [locatie 1] illegaal is gebouwd. Op grond van het gemeentelijke beleid over recreatiewoningen komt de recreatiewoning niet in aanmerking voor een bestemming als zodanig, aldus de raad.

2.3.2. Uit de retrospectieve toets bij de plantoelichting volgt dat in 1988 beleid voor recreatiewoningen, dat is neergelegd in de "Uitsterfregeling illegale bouwwerken", is vastgesteld door het gemeentebestuur van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken. Dit beleid houdt in dat illegale recreatiewoningen in het buitengebied worden gedoogd totdat één van de nader in dat beleid omschreven gebeurtenissen zich voordoet. De recreatiewoningen dienen vervolgens te worden gesaneerd. Legaal tot stand gekomen recreatiewoningen zijn als zodanig bestemd in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1996" van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken. Belanghebbenden dienden schriftelijk te bewijzen dat hun recreatiewoning legaal tot stand was gekomen. Als geen schriftelijk bewijs werd aangeleverd, is de recreatiewoning beschouwd als illegaal en kwam de recreatiewoning niet voor een bestemming als zodanig in aanmerking.

Dit beleid is voortgezet in het voorliggende bestemmingsplan.

2.3.3. Niet in geschil is dat voor de recreatiewoning [locatie 1] geen bouwvergunning is verleend. [appellante sub 1] heeft geen ander schriftelijk stuk overgelegd waaruit de door haar gestelde mondelinge toestemming van het toenmalige gemeentebestuur voor de bouw en verbouw van de recreatiewoning blijkt. De omstandigheid dat de raad van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken bij besluit van 23 december 1996 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" heeft besloten om een plandeel met de bestemming "Recreatieve woondoeleinden" ter plaatse van de recreatiewoning op te nemen, kan hiermee niet gelijk worden gesteld. Dit besluit is immers nimmer in werking getreden, nu het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant bij besluit van 3 juli 1997 goedkeuring heeft onthouden aan onder meer dit plandeel. In de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 1999, in zaak nr. E01.97.0389, is het beroep hiertegen ongegrond verklaard, waarbij is overwogen dat de opstallen illegaal zijn gebouwd en dat voor deze gevallen het beleid dat is neergelegd in de "Uitsterfregeling illegale bouwwerken" van toepassing is. Uit deze uitspraak kan voorts worden afgeleid dat destijds naar aanleiding van de zienswijzen tegen het ontwerp-plan, waarbij een beroep op het gelijkheidsbeginsel is gedaan, alsnog bij de vaststelling van het plan een bestemming "Recreatieve woondoeleinden" voor onder meer dit plandeel is opgenomen, maar dat de Afdeling uitdrukkelijk heeft overwogen dat van gelijke gevallen geen sprake was, reeds omdat de gemeente ten tijde van de planvaststelling een beleid ten aanzien van illegale bebouwing had ontwikkeld.

De raad heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het voormelde beleid over recreatiewoningen van toepassing is op de illegale recreatiewoning en dat de recreatiewoning daarom niet in aanmerking komt voor een bestemming als zodanig. In de langdurige aanwezigheid van de recreatiewoning, noch in het financiële nadeel dat het op den duur verwijderen van de recreatiewoning met zich zal brengen, behoefde de raad aanleiding te zien om van dit beleid af te wijken.

2.3.4. Ten aanzien van de door [appellante sub 1] gemaakte vergelijking met een aantal andere recreatiewoningen wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie, omdat deze recreatiewoningen reeds in het voorheen geldende plan als zodanig waren bestemd. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 1] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Hierbij wordt overwogen dat, anders dan [appellante sub 1] stelt, een schriftelijke verklaring niet gelijk kan worden gesteld aan een mondelinge verklaring.

2.3.5. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2]

2.4. [appellante sub 2] voert aan dat in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel bij de beantwoording van haar zienswijzen niet op alle argumenten afzonderlijk is ingegaan.

2.4.1. Artikel 3:2 noch artikel 3:46 van de Awb verzet zich er tegen dat de raad de zienswijzen samengevat beantwoordt. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd of onzorgvuldig is voorbereid. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.5. [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" ter plaatse van haar recreatiewoning op het perceel [locatie 2] te Strijbeek. Zij betoogt dat het gebruik van de recreatiewoning voor permanente bewoning als zodanig moet worden bestemd. Hiertoe voert zij aan dat het perceel op grond van de Natuurschoonwet 1928 is aangewezen als landgoed en dat zij voor de ontwikkeling en het onderhoud van het landgoed zorg draagt. Als beheerder van het landgoed is het volgens haar noodzakelijk om permanent op het landgoed te wonen. Voorts voert [appellante sub 2] aan dat geen stedenbouwkundige of ruimtelijke bezwaren tegen de permanente bewoning van de recreatiewoning bestaan. De recreatiewoning is vanaf de openbare weg niet zichtbaar en het gebruik zal niet leiden tot aantasting van het karakter van het landgoed of tot wijzigingen op het perceel, aangezien slechts het feitelijk gebruik als zodanig wordt bestemd. Daarnaast voert [appellante sub 2] aan dat het gemeentebestuur sinds de totstandkoming van het voorheen geldende bestemmingsplan op de hoogte was van de permanente bewoning van de recreatiewoning en hiertegen nooit handhavend heeft opgetreden. [appellante sub 2] stelt dat vele recreatiewoningen in de omgeving wel als burgerwoning zijn bestemd.

Tot slot voert [appellante sub 2] aan dat zij financieel nadeel zal ondervinden als permanente bewoning niet wordt toegelaten.

2.5.1. Aan de recreatiewoning op het perceel [locatie 2] is in het plan de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" toegekend.

Ingevolge artikel 17, lid 17.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Recreatiewoning" aangewezen gronden bestemd voor solitair gelegen recreatiewoningen.

Ingevolge artikel 33, lid 33.1, aanhef en onder c, wordt onder strijdig gebruik, als bedoeld in artikel 7.10 Wro, in ieder geval verstaan het permanent bewonen of laten bewonen van recreatieve nachtverblijven.

2.5.2. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het toekennen van een woonbestemming, waarmee juridisch-planologisch een nieuwe burgerwoning mogelijk wordt gemaakt, in strijd is met het gemeentelijke beleid. Dit beleid laat geen nieuwe burgerwoningen in het buitengebied toe. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, behoefde de raad in redelijkheid geen aanleiding te zien om van dit beleid af te wijken. Hiertoe wordt overwogen dat in het deskundigenbericht staat dat de gevolgen voor het onderhoud van het landgoed van de weigering van de raad om daar permanente bewoning toe te staan, zeer beperkt zijn. Voor een adequaat beheer van het landgoed is volgens het deskundigenbericht de permanente aanwezigheid van de beheerder ervan niet noodzakelijk.

[appellante sub 2] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Verder laat de omstandigheid dat de feitelijke situatie niet zal wijzigen als de permanente bewoning als zodanig wordt bestemd onverlet dat het gebruik in juridisch-planologisch opzicht, waarin het onderscheid tussen recreatieve en permanente bewoning ruimtelijk relevant is, wel zal wijzigen. Dat het gebruik van de recreatiewoning als permanente woning in 1995 is aangevangen en dat het gemeentebestuur hiertegen nooit handhavend heeft opgetreden, brengen voorts niet met zich dat de raad de permanente bewoning van de recreatiewoning als zodanig had moeten bestemmen. Evenmin behoefde de raad daarvoor aanleiding te zien in de omstandigheid dat [appellante sub 2] mogelijk financieel nadeel daarvan zal ondervinden.

2.5.3. Ten aanzien van de door [appellante sub 2] gemaakte vergelijking met recreatiewoningen die in de omgeving staan, wordt overwogen dat in het deskundigenbericht staat dat deze woningen in een andere gemeente staan, met uitzondering van een pand aan de Moerstraat 1, dat reeds in het voorheen geldende plan een bestemming als burgerwoning had. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 2] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.5.4. [appellante sub 2] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van haar zienswijze.

In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze.

[appellante sub 2] heeft in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.5.5. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 3]

2.6. [appellanten sub 3], die wonen aan De Leeuwerik 6 te Bavel, stellen dat in het plan ten onrechte een bedrijfsbestemming is toegekend aan hun perceel. Zij willen dat hieraan, net als in het voorheen geldende plan, een woonbestemming wordt toegekend. Zij stellen dat op het perceel wordt gewoond. Een deel van de bijgebouwen wordt weliswaar gebruikt voor de stalling van caravans, maar dit is volgens hen, gelet op het karakter en de omvang daarvan, niet aan te merken als een bedrijf. [appellanten sub 3] stellen dat zij nadeel ondervinden van het toekennen van een bedrijfsbestemming aan hun perceel en dat dit leidt tot een waardedaling van het perceel. Daarbij hebben zij aangevoerd dat, bij een eventuele beëindiging van de caravanstalling, een deel van de bestaande bebouwing moet worden gesloopt, hetgeen hoge kosten met zich brengt.

[appellanten sub 3] hebben tevens aangevoerd dat het plan ten onrechte de mogelijkheid biedt om het naastgelegen perceel De Leeuwerik 8 te gebruiken als een paardenpension annex manege. Ter zitting hebben zij hun beroep in zoverre ingetrokken.

2.6.1. Aan het perceel van [appellanten sub 3] is, voor zover hier van belang, de bestemming "Bedrijf (B)" met de nadere aanduidingen "bw" en "sb-18" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels, bezien in samenhang met de bij artikel 8 behorende 'Tabel Bedrijf', zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor bedrijfsdoeleinden met bijbehorende voorzieningen ten behoeve van statische opslag, met een oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 1.025 m2, alsmede voor één bedrijfswoning.

Ingevolge lid 8.6.1 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Bedrijf" te wijzigen in de bestemming "Wonen" voor zover het de voormalige bedrijfswoning betreft, waarbij onder meer moet worden voldaan aan de voorwaarde dat de oppervlakte bijgebouwen bij de woning door sloop van overtollige bebouwing dient te worden teruggebracht tot 200 m², waarbij cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gehandhaafd dient te blijven.

2.6.2. Aan het in het geding zijnde perceel was, voor zover hier van belang, in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1996" van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken de bestemming "Woondoeleinden" toegekend.

Blijkens de zienswijzenota en het verweerschrift heeft de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan het uitgangspunt gehanteerd dat een bedrijfsbestemming wordt toegekend aan percelen waar bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. Volgens de raad betreft opslag van statische goederen, zoals het stallen van caravans, een bedrijfsmatige activiteit.

In hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit uitgangspunt onredelijk is.

Gezien het hiervoor weergegeven uitgangspunt en gelet op het feit dat een deel van de bijgebouwen op het perceel van [appellanten sub 3] wordt gebruikt voor de stalling van caravans, voor welk gebruik het gemeentebestuur van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken een vrijstelling heeft verleend, heeft de raad een bedrijfsbestemming aan dit perceel toegekend.

[appellanten sub 3] hebben ter zitting aangegeven dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan ongeveer 20 caravans op het perceel werden gestald en dat zij voornemens zijn het gebruik van de bijgebouwen voor de caravanstalling binnen de planperiode te beëindigen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben zij echter niet aannemelijk gemaakt dat zij de raad voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit op de hoogte hebben gesteld van dit voornemen. Daarbij is van belang dat uit de door [appellanten sub 3] ingediende zienswijzen tegen het ontwerpplan juist kan worden afgeleid dat zij de caravanstalling willen voortzetten. Gelet hierop, alsmede gezien de oppervlakte van de bijgebouwen op het perceel en daarmee samenhangend de potentiële omvang van de caravanstalling, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

2.6.3. In hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

De beroepen van [appellante sub 4] en [appellante sub 18]

2.7. [appellante sub 4] en [appellante sub 18] voeren aan dat zij na afloop van de termijn voor het indienen van zienswijzen een schriftelijke toelichting op hun tijdig ingediende zienswijzen aan de raad hebben gestuurd en dat zij een toelichting op hun zienswijzen hebben gegeven voor een commissie van de raad. Zij betogen dat de raad deze stukken ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.

2.7.1. Uit de beantwoording van de zienswijzen volgt naar het oordeel van de Afdeling genoegzaam dat de raad deze nadere toelichtingen op de zienswijzen bij de vaststelling van het plan heeft bezien. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren en argumenten die naar voren zijn gebracht in de nadere toelichtingen niet in de overwegingen van de raad bij de vaststelling van het plan zijn betrokken. Het betoog faalt.

2.8. [appellante sub 4] en [appellante sub 18] kunnen zich niet verenigen met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden 1" ter plaatse van de gronden rondom hun percelen [locatie 3] en [locatie 4]. Zij betogen dat net als in het voorheen geldende plan een primair agrarische bestemming moet worden toegekend om te voorkomen dat de waterstanden van de gronden zullen stijgen.

Voorts betogen [appellante sub 4] en [appellante sub 18] dat het voorliggende plan ten onrechte geen mogelijkheid biedt voor de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf op de gronden rondom de percelen [locatie 3] en [locatie 4]. Hiertoe voeren zij aan dat in een voorheen geldend bestemmingsplan uit 1980 wel in deze mogelijkheid was voorzien. Volgens hen heeft het gemeentebestuur bij de totstandkoming van het daaropvolgende bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken toegezegd dat de agrarische bestemming van deze gronden en de bijbehorende bouwmogelijkheden zouden worden gecontinueerd in dat plan. In afwijking van deze toezegging is echter in het bestemmingsplan "Buitengebied" noch in het voorliggende plan voorzien in de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf op deze gronden. Zij wijzen er voorts op dat het voorliggende plan voor een nabijgelegen gebied wel voorziet in de mogelijkheid tot nieuwvestiging van agrarische bedrijven.

2.8.1. Aan de gronden rondom de percelen [locatie 3] en [locatie 4] is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden 1" toegekend.

In de planregels is niet voorzien in de mogelijkheid om een nieuw agrarisch bedrijf op gronden met deze bestemmingen te vestigen.

2.8.2. In het voorheen geldende plan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken hadden de betreffende gronden de bestemming "Agrarisch gebied". Naar de raad onbetwist heeft gesteld, zijn in de planregels bij het voorliggende plan geen bepalingen met het oog op de grondwaterstand opgenomen bij de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden 1" die afwijken van de bepalingen in de planvoorschriften van het voorheen geldende plan. Voor de vrees dat de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden 1" tot een stijging van de grondwaterstand zullen leiden, bestaat daarom geen aanleiding. Het betoog faalt.

2.8.3. De raad heeft bij de vaststelling van het plan, in navolging van het provinciale beleid, als beleidsuitgangspunt gehanteerd dat nieuwvestiging van agrarische bedrijven niet wenselijk is. In hetgeen [appellante sub 4] en [appellante sub 18] hebben aangevoerd, behoefde de raad geen aanleiding te zien om van dit beleid af te wijken. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

Ten aanzien van het betoog dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, hebben [appellante sub 4] en [appellante sub 18] niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan voor deze gronden in de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf zou voorzien. Aan de omstandigheid dat de raad zou hebben toegezegd dat deze bouwmogelijkheid in het voorheen geldende plan zou worden opgenomen, wat daar ook van zij, kan niet de gerechtvaardigde verwachting worden ontleend dat deze bouwmogelijkheid ook in het daarop volgende bestemmingsplan wordt opgenomen. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Verder is het nabijgelegen gebied waarnaar [appellante sub 4] en [appellante sub 18] verwijzen, voorzien van de bestemming "Agrarisch". Anders dan zij stellen, is in de planregels niet bij recht voorzien in de nieuwvestiging van agrarische bedrijven op de gronden met deze bestemming, noch in een wijzigingsbevoegdheid daarvoor.

Het betoog faalt.

2.9. [appellante sub 18] betoogt dat ten onrechte niet in het plan is voorzien in een uitbreiding van haar transportbedrijf op het perceel [locatie 4]. Hiertoe voert zij aan dat een uitbreiding van het bedrijf noodzakelijk is voor het voortbestaan ervan, zoals ook volgt uit een bedrijfsplan uit 1998 en een actualisatie daarvan. Zij voert voorts aan dat het gemeentebestuur in het kader van de verplaatsing van een bedrijfsonderdeel naar de huidige locatie heeft toegezegd dat medewerking zou worden verleend aan een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing tot 18.000 m². Dit zou de mogelijkheid bieden om een overkapping ten behoeve van de logistieke activiteiten en een overkapping van de wasplaats voor vrachtwagens te bouwen. Ten aanzien van laatstgenoemde overkapping wijst zij op uit de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2005 in zaak nr. 200407284/1, waaruit volgt dat deze overkapping moet worden toegestaan. Deze overkappingen zullen ook leiden tot een vermindering van de overlast van het bedrijf voor omwonenden. [appellante sub 18] betoogt dat in het plan voor andere bedrijven wel is voorzien in uitbreidingsmogelijkheden. Voorts verzoekt [appellante sub 18] om het gebruik van de huidige parkeerplaats voor de opslag van goederen toe te staan.

[appellante sub 18] voert daarnaast aan dat aan de gronden ten noorden en ten westen van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van het perceel [locatie 4] ook een bedrijfsbestemming moet worden toegekend, zodat het verkeer vanwege het transportbedrijf volledig via de Strijbeekseweg kan worden afgehandeld en het bedrijf beter bereikbaar is voor nood- en hulpdiensten in geval van een calamiteit. Bij de verplaatsing van het bedrijfsonderdeel van Galder naar de Strijbeekseweg waarin deze gronden betrokken waren, heeft het gemeentebestuur volgens haar al rekening gehouden met deze ontsluitingsmogelijkheid.

2.9.1. Ter plaatse van het perceel [locatie 4] is de bestemming "Bedrijf" en de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" toegekend met de aanduidingen "bedrijfswoning" en "specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf en logistiek centrum", alsmede een bouwvlak.

Ingevolge artikel 8, lid 8.2.1, onder b, van de planregels mag de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak niet meer bedragen dan in de "Tabel Bedrijven" is aangegeven.

Ingevolge lid 8.2.1, onder e, mogen gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.

In de "Tabel Bedrijven" is voor het perceel [locatie 4] een oppervlakte van 12.000 m² aangegeven.

Ingevolge artikel 1 wordt onder het begrip gebouw verstaan elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, waaronder overkappingen.

2.9.2. In het voorheen geldende plan "Herziening Transportbedrijf/Logistiek centrum", dat is vastgesteld op 20 november 2003, was ter plaatse van het noordwestelijke deel van het perceel [locatie 4] de bestemming "Parkeerdoeleinden" toegekend en aan het overige deel van het perceel de bestemming "Transportbedrijf/logistiek centrum".

2.9.3. Het transportbedrijf van [appellante sub 18] is gevestigd aan de [locatie 4]. Voorheen was ook een bedrijfsonderdeel gevestigd in Galder. Dit bedrijfsonderdeel is als gevolg van woningbouwplannen in Galder beëindigd en verplaatst naar de Strijbeekseweg. Ten behoeve van de verplaatsing van dit bedrijfsonderdeel is het bestemmingsplan "Transportbedrijf/Logistiek centrum" opgesteld. Dit bestemmingsplan is herzien met het bestemmingsplan "Herziening Transportbedrijf/Logistiek centrum".

Volgens het deskundigenbericht staan op het perceel enkele bedrijfsgebouwen met een gezamenlijk oppervlak van ongeveer 12.000 m².

2.9.4. De raad heeft als beleidsuitgangspunt bij de vaststelling van het plan gehanteerd dat niet-agrarische bedrijven in het buitengebied niet mogen uitbreiden. Voor het bedrijf van [appellante sub 18] heeft de raad daaraan toegevoegd dat het bedrijf in het verleden al uitbreidingsmogelijkheden heeft gekregen en dat een verdere uitbreiding niet wenselijk is. In hetgeen [appellante sub 18] heeft aangevoerd, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om in afwijking van dit beleid te voorzien in de door haar gewenste uitbreiding. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

2.9.4.1. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit het bedrijfsplan uit 1998, noch uit de door [appellante sub 18] opgestelde actualisatie daarvan volgt dat een continuering van het bedrijf niet mogelijk is als de door haar gewenste uitbreiding op het perceel niet kan worden gerealiseerd.

2.9.4.2. Ten aanzien van een overkapping van de wasplaats voor vrachtwagens op het bedrijfsperceel van [appellante sub 18] is in de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2005, in zaak nr. 200407284/1, het volgende overwogen:

"2.5.9. (…) Ter zitting is gebleken dat het slechts gaat om een klein gedeelte van het perceel dat hiervoor overkapt dient te worden en dat de verdere inkapseling van naastgelegen percelen beperkt blijft. Tevens is hierbij naar voren gekomen dat een deel van de bezwaren van omwonenden tegen de aanwezigheid van het bedrijf ter plaatse de overlast als gevolg van de wasplaats betreft en dat de overlast voor omwonenden mogelijk kan worden beperkt door het overkappen hiervan. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering."

Ter zitting heeft [appellante sub 18] medegedeeld dat de overkapping ten tijde van deze uitspraak een oppervlakte van ongeveer 480 m² besloeg en dat de overkapping inmiddels is uitgebreid tot ongeveer 800 m². Gelet hierop kan niet staande worden gehouden dat uit deze uitspraak volgt dat de huidige, fors uitgebreide overkapping moet worden toegelaten, temeer niet nu de Afdeling de afmetingen van het gedeelte van het perceel dat overkapt dient te worden van belang heeft geacht.

Het standpunt van de raad dat het overkappen van het gedeelte van het perceel dat momenteel in gebruik is als wasplaats niet wenselijk is gezien de grootte van dit gedeelte, acht de Afdeling niet onredelijk. Hiertoe wordt overwogen dat dit gedeelte van het perceel momenteel onbebouwd is en dat de overkapping het naastgelegen perceel met twee burgerwoningen verder zal inkapselen aan de noordzijde.

2.9.4.3. Ten aanzien van het betoog dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, heeft [appellante sub 18] niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing zou voorzien. Hiertoe wordt overwogen dat [appellante sub 18] zijn verwachtingen ontleent aan hetgeen tijdens onderhandelingen met het gemeentebestuur over de verplaatsing van een bedrijfsonderdeel in Galder naar de Strijbeekseweg aan bod is gekomen. De juridisch-planologische vertaling van deze verplaatsing heeft plaatsgevonden in het voorheen geldende plan "Transportbedrijf/Logistiek centrum" en de herziening daarvan. In deze plannen is niet voorzien in de gewenste uitbreidingsmogelijkheden. Met de vertaling van de verplaatsing in de voorheen geldende plannen is de vraag of in rechte te honoreren verwachtingen die zijn voortgekomen uit de onderhandelingen over de verplaatsing reeds beantwoord. De raad heeft het plan op dit punt dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit voormelde uitspraak van de Afdeling volgt dat de raad reeds bij de vaststelling van dat bestemmingsplan niet wilde meewerken aan de gewenste uitbreiding van het bedrijf.

2.9.4.4. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het tegemoet komen aan het verzoek om opslag op het huidige parkeerterrein toe te staan een uitbreiding van het bedrijf met zich kan brengen. De raad heeft dit niet wenselijk geacht.

2.9.4.5. Ten aanzien van de door [appellante sub 18] gemaakte vergelijking met een groot aantal bedrijven dat niet was opgenomen in het voorheen geldende plan "Buitengebied", maar dat in het voorliggende plan als zodanig is bestemd en uitbreidingsmogelijkheden heeft gekregen, wordt overwogen dat zij met deze niet nader onderbouwde vergelijking niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze situaties overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.9.4.6. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 18] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toekennen van uitbreidingsmogelijkheden aan het transportbedrijf van [appellante sub 18] op de huidige locatie niet wenselijk is.

Het betoog faalt.

2.9.5. Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 18] over de ontsluiting van het perceel wordt als volgt overwogen. De raad acht het meewerken aan de gewenste alternatieve ontsluiting van het bedrijf onwenselijk, omdat hierdoor een uitbreiding van de bedrijfsbestemming mogelijk wordt gemaakt. Dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk. Uit het voorgaande volgt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een uitbreiding van het bedrijf ter plaatse niet wenselijk is. Verder is gesteld noch gebleken dat momenteel problemen worden ondervonden bij de huidige ontsluiting van het perceel of dat de bereikbaarheid van het perceel voor nood- en hulpdiensten in de huidige situatie onvoldoende is. Verder was in het voorheen geldende plan, waarin de juridisch-planologische vertaling van de verplaatsing is neergelegd, evenmin voorzien in de gewenste ontsluiting van het perceel.

Het betoog faalt.

2.10. In hetgeen [appellante sub 4] en [appellante sub 18] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellante sub 4] en [appellante sub 18] zijn ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 5]

2.11. [appellante sub 5] heeft ter zitting zijn beroepsgrond dat ten onrechte in de planregels is bepaald dat een aanlegvergunning is vereist voor het vervangen van drainage ter plaatse van zijn gronden waaraan de gebiedsaanduiding "Waterstaat - Natte natuurparel bufferzone" is toegekend, ingetrokken.

2.12. [appellante sub 5] betoogt dat ten onrechte een aanlegvergunning is vereist voor het verwijderen of rooien van bos en andere houtopstanden op zijn gronden ten noordoosten van Hondseind te Alphen. Hiertoe voert hij aan dat op zijn gronden geen bos- of andere houtopstanden aanwezig zijn. Voorts betoogt [appellante sub 5] dat onduidelijk is of ingevolge artikel 5, lid 5.6.1, onder d, en artikel 29, lid 29.2, onder f, van de planregels een aanlegvergunning is vereist voor het vervangen van de verharding van bestaande kavelpaden. Voor zover dat wel het geval is, stelt [appellante sub 5] dat de noodzaak ontbreekt om voor deze werkzaamheden een aanlegvergunning te eisen.

2.12.1. Aan de gronden van [appellante sub 5] is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - landschapsontwikkeling" en de dubbelbestemming "Waterstaat - Natte natuurparel bufferzone" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels, voor zover van belang, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor agrarische doeleinden en behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen en in het bijzonder voor landschapsontwikkelingsgebieden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - landschapsontwikkeling".

Ingevolge lid 5.6.1 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

(…)

d. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - landschapsontwikkeling":

1. het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie, daaronder begrepen solitaire bomen;

2. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, anders dan containervelden, voor zover groter dan 500 m² per perceel.

Ingevolge artikel 29, lid 29.1, van de planregels zijn de voor "Waterstaat - Natte natuurparel bufferzone" aangegeven gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische waarden van de bufferzone rondom de natte natuurparel.

Ingevolge lid 29.2.1 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

(…)

f. het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² anders dan een bouwwerk.

Ingevolge lid 29.2.2, aanhef en onder a, is het in lid 29.2.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke

het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van onderschikte betekenis zijn.

2.12.2. De Afdeling kan [appellante sub 5] niet volgen in zijn betoog dat ten onrechte ingevolge artikel 5, lid 5.6.1, van de planregels een aanlegvergunning is vereist voor het verwijderen of rooien van bos en andere houtopstanden op zijn gronden. Als op de gronden van [appellante sub 5] geen groenelementen die zijn genoemd in artikel 5, lid 5.6.1, onder d, punt 1 aanwezig zijn, zoals hij stelt, is immers geen aanlegvergunning voor zijn gronden vereist.

2.12.3. Ten aanzien van het betoog dat onduidelijk is of voor het vervangen van de verharding van de bestaande kavelpaden een aanlegvergunning is vereist, heeft de raad gesteld dat ook voor die werkzaamheden ingevolge bovengenoemde planregels een aanlegvergunning benodigd is, tenzij deze werkzaamheden onder het normale onderhoud vallen dat in die bepalingen is uitgezonderd van de aanlegvergunningplicht. Of dat het geval is, zal van de omstandigheden, zoals de aard en omvang van de werkzaamheden afhangen, aldus de raad. Deze uitleg van de raad acht de Afdeling juist. Voor het oordeel dat bovengenoemde planregels op dit punt onvoldoende duidelijk zijn, ziet de Afdeling geen aanleiding.

Voorts acht de Afdeling het standpunt van de raad dat de noodzaak aanwezig is om ook het vervangen van de verhardingen van bestaande kavelpaden onder het aanlegvergunningenstelsel dat is opgenomen in artikel 5 en artikel 29 van de planregels te brengen, niet onredelijk. Hiertoe wordt overwogen dat het aanlegvergunningenstelsel is opgenomen ter bescherming van de landschapswaarden onderscheidenlijk de hydrologische waarden van de bufferzone rondom de natte natuurparel. Dat in het verleden reeds kavelpaden zijn aangelegd of dat ter plaatse van de kavelpaden al eens een verharding is aangebracht, laat onverlet dat zulks met het vervangen van de verhardingen opnieuw plaatsvindt. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat het vervangen van de verharding van bestaande kavelpaden in het concrete geval deze waarden kan aantasten. Of dit het geval kan zijn zal daarom moeten worden beoordeeld bij een aanvraag om een aanlegvergunning.

2.13. [appellante sub 5] betoogt dat de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" ten onrechte is toegekend aan zijn gronden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2009, in zaak nr. 200705084/1, voert hij aan dat de raad zich bij het toekennen van de bestemming "Waarde - Archeologie 2" niet uitsluitend heeft mogen baseren op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (hierna: de CHW), maar dat de raad nader onderzoek had moeten verrichten naar de aanwezige archeologische waarden van de gronden waarop deze bestemming is gelegd. Volgens [appellante sub 5] zijn zijn gronden na een ruilverkaveling opnieuw ingericht, wat gepaard is gegaan met ingrijpende bodemingrepen, waaronder het diepploegen tot een diepte van 0,9 m. Voor zover de raad stelt dat archeologische waarden ook op een diepte tussen de één en twee m aanwezig kunnen zijn, stelt [appellante sub 5] dat reguliere agrarische werkzaamheden niet op deze diepte plaatsvinden. Hij acht het aanlegvergunningenstelsel dat is opgenomen in de planregels behorende bij deze bestemming onredelijk beperkend voor zijn bedrijfsvoering. Voorts is het voor [appellante sub 5] onduidelijk of voor het vervangen van drainage op zijn gronden een aanlegvergunning is vereist, gelet op de daaraan toegekende archeologische dubbelbestemming. Als dat wel het geval is, voert [appellante sub 5] aan dat het vervangen van drainage moet worden uitgezonderd van het aanlegvergunningenstelsel.

2.13.1. De raad brengt naar voren dat aan de gronden van [appellante sub 5] in de CHW een hoge tot middelhoge verwachtingswaarde is toegekend. In het plan is daarom voorzien in de bescherming van archeologische waarden van deze gronden.

2.13.2. Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

2.13.3. [appellante sub 5] exploiteert een agrarisch bedrijf voor melkvee, jongvee en akkerbouw ter plaatse van het perceel Hondseind 25. Aan de gronden van [appellante sub 5] ten noordoosten van Hondseind is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" toegekend.

Ingevolge artikel 27, lid 27.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Archeologie 2" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden.

Ingevolge lid 27.4.1 is het binnen deze bestemming verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

a. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen;

b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;

c. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,40 m onder het maaiveld.

Ingevolge lid 27.4.2, aanhef en onder a, is het in lid 27.4.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke het normale onderhoud en/of gebruik betreffen.

2.13.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 9 december 2009 in zaak nr. 200801932/1 en 29 september 2010 in zaak nr. 200809200/1/R1) rust op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in een gebied alvorens bij een plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 38a van de Monumentenwet (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn.

2.13.5. Voor zover [appellante sub 5] verwijst naar de uitspraak van 4 maart 2009 in zaak nr. 200705084/1, overweegt de Afdeling dat de archeologische dubbelbestemming, anders dan in deze zaak, was gelegd op gronden die mede waren bestemd voor boomkwekers, die voor een normale bedrijfsvoering van wisselteelt afhankelijk zijn. Uit die uitspraak kan derhalve niet worden afgeleid dat de raad niet in redelijkheid een archeologische medebestemming aan de gronden van [appellante sub 5] heeft kunnen toekennen.

2.13.6. Ter zitting heeft de raad gesteld dat hij het aannemelijk acht dat de gronden van [appellante sub 5] zijn geroerd tot een diepte van 0,9 m. Uit de omstandigheid dat in het verleden ingrepen in de bodem hebben plaatsgevonden kan volgens de raad echter niet worden afgeleid dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Volgens de raad kunnen archeologische waarden ook op een diepte tussen de één en twee m onder het maaiveld voorkomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee onvoldoende blijk gegeven van een zorgvuldige afweging van de belangen die (mogelijk) zijn betrokken bij de bescherming van de archeologische waarden en de bedrijfsbelangen van [appellante sub 5] bij het opnemen van de aanlegvergunningplicht voor werken en werkzaamheden tot een diepte van 0,9 m. Het betoog slaagt.

2.13.7. In hetgeen [appellante sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" ter plaatse van de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" ten noordoosten van Hondseind, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

De Afdeling ziet voorts aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen totdat voor dit onderdeel een planherziening in werking is getreden om ongewenste gevolgen voor de mogelijke archeologische waarden in deze gronden te voorkomen.

Het betoog van [appellante sub 5] ten aanzien van het vervangen van de bestaande drainage, die zich volgens [appellante sub 5] op een diepte van 0,6 m bevindt, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer. Evenmin behoeft het betoog van [appellante sub 5] dat zijn bedrijfsvoering onevenredig wordt belemmerd door het aanlegvergunningenstelsel geen bespreking meer, nu hij ter zitting te kennen heeft gegeven dat de reguliere bedrijfsvoering van zijn bedrijf niet zal worden belemmerd door een aanlegvergunningenstelsel dat van toepassing is op werken en werkzaamheden vanaf een diepte van 0,9 m.

2.13.8. In hetgeen [appellante sub 5] voor het overige heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is voor het overige ongegrond.

BMF en ABC Milieugroep

Omvang van het geding

2.14. BMF en ABC Milieugroep hebben hun beroep ingetrokken voor zover dat betrekking heeft op de percelen Druisdijk 9b en 13 en het plandeel met de bestemmingen "Bos" en "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" dat met de figuur "relatie" is gekoppeld aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ter plaatse van het perceel Druisdijk 9a. Ook hebben BMF en ABC Milieugroep hun beroepsgrond dat het plan ten onrechte niet voorziet in bescherming voor de binnen het plangebied aanwezige zandpaden, behoudens voor zover het betreft de Oude Tilburgsebaan, ingetrokken.

Wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan

2.15. BMF en ABC Milieugroep voeren aan dat in artikel 3, lid 3.4.1, artikel 5, lid 5.7.1 en artikel 6, lid 6.7.1, van de planregels een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor een vormverandering van een bouwvlak van een intensieve veehouderij in onder meer een extensiveringsgebied. Zij betogen dat deze wijzigingsbevoegdheid in zoverre in strijd is met het beleid over intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied dat is neergelegd in de correctieve herziening van het Reconstructieplan De Baronie (hierna: correctieve herziening De Baronie). BMF en ABC Milieugroep betogen voorts dat ten onrechte de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" is toegekend ter plaatse van het perceel Putvenweg (ongenummerd). Hiertoe voeren zij aan dat is afgesproken met het gemeentebestuur dat het perceel wordt teruggegeven aan de natuur. Daarnaast betogen BMF en ABC Milieugroep dat het groenelement bij 't Zand, ten noorden van de Kelbaan, en de groenelementen op het landgoed De Hoevens moeten worden bestemd als "Natuur", dat de groenelementen bij de Turfbaan en De Velden moeten worden bestemd als "Natuur" dan wel "Bos" en dat vennen, poelen en beken die in de Ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) liggen moeten worden bestemd als "Natuur" in plaats van "Water".

BMF en ABC Milieugroep stellen dat de raad bij de vaststelling van het plan heeft besloten het plan op deze punten aan te passen, maar dat daaraan geen gevolg is gegeven.

2.15.1. Bij het besluit tot vaststelling van het plan heeft de raad een aantal wijzigingen ten opzichte van het ontwerp van het plan aangebracht. In het bestreden besluit wordt voor deze wijzigingen verwezen naar de overwegingen en voorstellen die zijn opgenomen in de zienswijzenrapportage en het overzicht ambtshalve wijzigingen. Ten aanzien van de zienswijze van BMF en ABC Milieugroep staat in de zienswijzenrapportage het volgende. Vormverandering ten behoeve van intensieve veehouderij in extensiveringsgebied is in het reconstructieplan niet toegestaan. De betreffende planregels moeten hierop worden aangepast. De jeugdherberg aan de Putvenweg (ongenummerd) wordt beëindigd en gesaneerd, zodat de bestemming hiervan "Natuur" kan worden. De zienswijze van BMF en ABC Milieugroep voor wat betreft voormelde groenelementen kan worden overgenomen en de bestemming van deze groenelementen kan worden gewijzigd. Verder hebben de in de natuurgebieden gelegen vennen en poelen die separaat bestemd zijn, onmiskenbaar een natuurfunctie die boven de waterhuishoudkundige functie staat en kan de bestemming "Water" ter plaatse van de Strijbeekse Heide, Patersmoer, Bleeke Heide en Chaamse Bossen worden gewijzigd in de bestemming "Natuur".

2.15.2. De hierboven weergegeven wijzigingen zijn niet verwerkt in de verbeelding en de planregels die behoren bij het besluit van de raad van 11 februari 2010 en die ter inzage zijn gelegd. Dit heeft de raad erkend. De verbeelding en de planregels stemmen in zoverre niet overeen met het besluit tot vaststelling van het plan. Het betoog slaagt.

2.15.3. In hetgeen BMF en ABC Milieugroep hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang bezien zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid voor zover het betreft de volgende plandelen:

- artikel 3, lid 3.4.1, artikel 5, lid 5.7.1, en artikel 6, lid 6.7.1, van de planregels;

- het plandeel met de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" ter plaatse van het perceel Putvenweg (ongenummerd) op kaart 5 van de verbeelding;

- drie plandelen met de bestemming "Groen - Landschapselement" die grenzen aan de Turfbaan onderscheidenlijk aan De Velden op kaart 2 van de verbeelding, het plandeel met de bestemming "Groen - Landschapselement" ten noorden van de Kelbaan op kaart 4 van de verbeelding, en de plandelen met de bestemming "Groen - Landschapselement", die grenzen aan de Boslust onderscheidenlijk zijn gesitueerd ten noorden en ten zuiden van de Goorstraat op kaart 3 van de verbeelding;

- de plandelen met de bestemming "Water" ten oosten van de Strijbeekseweg op kaart 1 van de verbeelding, ten zuiden van de Oude Bredasebaan op kaart 2 van de verbeelding en die onderscheidenlijk grenzen aan dan wel op korte afstand ten oosten van de Huisdreef liggen op kaart 5 van de verbeelding. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet voorts aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat als gevolg van deze vernietiging van het bestreden besluit de planregels geen wijzigingsbevoegdheid meer bevatten voor een vormverandering van het bestemmingsvlak en/of bouwvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" van andere agrarische bedrijven dan een intensieve veehouderij, totdat voor dit onderdeel een planherziening in werking is getreden.

Artikel 5, lid 5.7.2, onder a, van de planregels

2.16. BMF en ABC Milieugroep voeren aan dat in artikel 5, lid 5.7.2, onder a, van de planregels een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor het vergroten van een bouwvlak van een grondgebonden agrarisch bedrijf dat meer dan 1,5 ha omvat met maximaal 25%. Deze uitbreidingsmogelijkheid achten zij in strijd met het provinciale beleid dat is neergelegd in de Paraplunota ruimtelijke ordening ten aanzien van bouwvlakken van agrarische bedrijven in de AHS-landschap.

2.16.1. Ingevolge artikel 5, lid 5.7.2, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" te wijzigen ten behoeve van de vergroting van het bestemmingsvlak en/of bouwvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. voor grondgebonden agrarische bedrijven geldt, naast de voorwaarden genoemd in sub e, dat vergroting van het bouwvlak is toegestaan tot een maximum van 1,5 ha. Indien het bestaande bouwvlak reeds meer bedraagt dan 1,5 ha, mag dit bouwvlak worden vergroot met maximaal 25%.

(…).

2.16.2. In paragraaf 4.7.3 van de Paraplunota ruimtelijke ordening is bepaald dat in de AHS-landschap grondgebonden bedrijven en overige

niet-grondgebonden bedrijven hun bouwblok in beginsel mogen uitbreiden met 15% of tot een omvang van 1,5 hectare als het bouwblok na toepassing van dit uitbreidingspercentage kleiner zou zijn.

2.16.3. De raad heeft dit provinciale beleid overgenomen en als eigen beleid gehanteerd bij de vaststelling van het plan. Volgens de plantoelichting heeft het gebied dat in het provinciale beleid is aangeduid als AHS-landschap in het voorliggende plan de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" gekregen. De wijzigingsbevoegdheid in artikel 5, lid 5.7.2, onder a, van de planregels die bij deze bestemming kan worden toegepast, is niet met het voormelde beleid over de AHS-landschap in overeenstemming, zoals de raad ook heeft erkend. Het betoog slaagt.

2.16.4. In hetgeen BMF en ABC Milieugroep hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de zin "Indien het bestaande bouwvlak reeds meer bedraagt dan 1,5 ha, mag dit bouwvlak worden vergroot met maximaal 25%." in artikel 5, lid 5.7.2, onder a, van de planregels, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Zonering intensieve veehouderij

2.17. BMF en ABC Milieugroep betogen dat het oostelijke deel van het perceel Pastoriehoef (ongenummerd) ten onrechte in het plan als landbouwontwikkelingsgebied (hierna: LOG) is aangewezen. Hiertoe voeren zij aan dat dit deel van het perceel in het reconstructieplan De Baronie als verwevingsgebied is aangewezen.

2.17.1. Anders dan BMF en ABC Milieugroep stellen, is het oostelijke deel van het perceel Pastoriehoef (ongenummerd) in het voorliggende plan aangewezen als verwevingsgebied. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.17.2. BMF en ABC Milieugroep betogen dat de gronden in het gebied aan de noordzijde en de oostzijde van het noordelijke deel van het gebied Alphen Oost ten onrechte als LOG zijn aangemerkt. Zij wijzen in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2010 in zaak nr. 200807643/1/R1, waarin onder meer het besluit van provinciale staten van Noord-Brabant tot vaststelling van de correctieve herziening De Baronie en het besluit tot goedkeuring daarvan aan de orde was, waarin onder meer de begrenzing van het LOG Alphen Oost was vastgesteld. Bij de uitspraak zijn deze besluiten, onder meer voor zover het betreft de begrenzing van het LOG Alphen Oost, gedeeltelijk vernietigd. BMF en ABC Milieugroep betogen dat het LOG Alphen Oost, zoals dat in het voorliggende plan is begrensd, te dicht bij natuurgebieden ligt.

BMF en ABC Milieugroep voeren voorts aan dat de percelen Oosterwijksestraat 24, Strijbeekseweg 53 en Markweg (ongenummerd) gelet op voormelde uitspraak van de Afdeling zijn voorzien van een onjuiste zonering.

2.17.3. De raad heeft de zonering intensieve veehouderij, zoals die is opgenomen in de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit vastgestelde en inwerking getreden, maar nog niet onherroepelijke correctieve herziening De Baronie in het voorliggende plan overgenomen. De gronden aan de noordzijde en de oostzijde van het gebied Alphen Oost zijn daarom aangewezen als LOG.

2.17.4. Bij uitspraak van 24 februari 2010, in zaak nr. 200807643/1/R1, heeft de Afdeling het besluit van provinciale staten van Noord-Brabant van 27 juni 2008 tot vaststelling van onder meer de correctieve herziening De Baronie vernietigd, voor zover dit betrekking heeft op de gronden in het gebied aan de noordzijde en de oostzijde van het noordelijke deel van het gebied Alphen Oost die als LOG zijn aangemerkt en binnen 500 m van natuur liggen, alsmede het besluit tot goedkeuring ervan van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans: de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans: de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: het besluit tot goedkeuring).

Voorts heeft de Afdeling bij voormelde uitspraak het besluit tot vaststelling van de correctieve herziening De Baronie vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de zonering van de percelen Oosterwijksestraat 24, Strijbeekseweg 53 en Markweg (ongenummerd), alsmede het besluit tot goedkeuring ervan.

2.17.5. Nu bij genoemde uitspraak van 24 februari 2010 het besluit tot vaststelling van de correctieve herziening De Baronie en het besluit tot goedkeuring daarvan zijn vernietigd, voor zover het betreft de aanwijzing als LOG van de gronden in het gebied aan de noordzijde en de oostzijde van het noordelijke deel van het gebied Alphen Oost die liggen binnen 500 m van natuur, en voor zover het betreft de zonering van de percelen Oosterwijksestraat 24, Strijbeekseweg 53 en Markweg (ongenummerd), moet, gezien de terugwerkende kracht van deze vernietiging, worden geoordeeld dat deze gronden ten tijde van de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan niet waren opgenomen binnen de zonering intensieve veehouderij, die is opgenomen in de correctieve herziening De Baronie. Dit heeft de raad ter zitting erkend. Dit brengt mee dat de raad het opnemen van deze percelen binnen de zonering intensieve veehouderij in het voorliggende plan ten onrechte heeft gebaseerd op de correctieve herziening De Baronie. Het bestreden besluit berust in zoverre op een ondeugdelijke motivering.

2.17.6. In hetgeen BMF en ABC Milieugroep hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft de gebiedsaanduiding "Reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" ter plaatse van de gronden aan de noordzijde en de oostzijde van het noordelijke deel van het gebied Alphen Oost binnen 500 meter van natuur, zoals aangeduid in de uitspraak van 24 februari 2010, in zaak nr. 200807643/1/R1, en voor zover het betreft de gebiedsaanduiding "Reconstructiewetzone - verwevingsgebied" en/of "Reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" ter plaatse van de percelen Oosterwijksestraat 24, Strijbeekseweg 53 en Markweg (ongenummerd) niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998)

2.18. BMF en ABC Milieugroep betogen dat ten onrechte niet is bezien of het plan effecten kan hebben op de Natura 2000-gebieden Regte Heide & Riels Laag en Ulvenhoutse Bos, die in de nabijheid van het plangebied liggen. Zij voeren aan dat het plan voor diverse percelen voorziet in een uitbreiding van het bouwvlak van een intensieve veehouderij. Daarnaast is in de planregels voorzien in een maximale bouw- en goothoogte van onderscheidenlijk 13 m en 8 m voor bedrijfsgebouwen van agrarische bedrijven, waardoor volgens hen bedrijfsgebouwen van intensieve veehouderijen kunnen worden uitgebreid met een tweede bouwlaag. Ook bevatten de planregels een wijzigingsbevoegdheid voor de uitbreiding van het bouwvlak van grondgebonden veehouderijen tot 2,5 ha en van intensieve veehouderijen met maximaal 15%. Verder is ten onrechte geen rekening gehouden met de uitbreidingsmogelijkheden voor burgerwoningen en recreatiebedrijven, die kunnen leiden tot een toename van bezoekers en verkeer in de Natura 2000-gebieden.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 7 september 2011, in zaak nr. 200907076/1/R3, en 19 oktober 2011, in zaak nr. 200906702/1/R3, betogen BMF en ABC Milieugroep dat gelet op deze uitbreidingsmogelijkheden een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 en een milieu-effectrapport als bedoeld in artikel 7.2a van de Wet milieubeheer, waarvan volgens laatstgenoemde bepaling de passende beoordeling deel uitmaakt, noodzakelijk waren.

2.18.1. De raad brengt naar voren dat het plan conserverend van aard is en alleen ruimte biedt voor verschillende (kleinschalige) ontwikkelingen. Naar de raad stelt, zal het plan geen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden hebben en kan een passende beoordeling achterwege blijven.

2.18.2. De gebieden Regte Heide & Riels Laag en Ulvenhoutse Bos liggen in de nabijheid van het plangebied. Bij beschikking van 7 december 2004 van de Europese Commissie (Pb L 387) is het gebied Regte Heide & Riels Laag op de lijst van gebieden van communautair belang geplaatst. Bij beschikking van 12 november 2007 van de Europese Commissie (Pb L 12) is het gebied Ulvenhoutse Bos op de lijst van gebieden van communautair belang geplaatst.

Het bestreden besluit dateert van 2 februari 2010. Per 1 februari 2009 is de Nbw 1998 gewijzigd, waarbij niet is voorzien in overgangsrecht. Derhalve dient aan deze wijziging van de Nbw 1998 onmiddellijke werking te worden toegekend. Ingevolge artikel 1, onder n, sub 3, van de Nbw 1998 gelden voornoemde gebieden als Natura 2000-gebied in de zin van die wet.

2.18.3. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998, maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

2.18.4. In het deskundigenbericht staat dat aan enkele intensieve veehouderijen aan de Druisdijk significant grotere bouwvlakken zijn toegekend dan in het voorheen geldende plan. Voorts is in artikel 3, lid 3.4.2, van de planregels bepaald dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is om de bestemming "Agrarisch" te wijzigen ten behoeve van de vergroting van het bestemmingsvlak en/of bouwvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. Voor grondgebonden agrarische bedrijven geldt, naast de voorwaarden genoemd in sub e, dat vergroting van het bouwvlak is toegestaan tot een maximum van 2,5 ha.

b. Voor intensieve veehouderijen ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" geldt, voor zover van belang, dat vergroting van het bestemmingsvlak en/of bouwvlak uitsluitend is toegestaan voor die diercategorie(ën) die ten tijde van de inwerkingtreding van het Reconstructieplan werd(en) gehouden, indien dit noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de door de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de daarop gebaseerde besluiten gestelde huisvestingseisen, waarbij de vergroting niet meer mag bedragen dan 15% van het bouwvlak.

(…).

2.18.5. De raad heeft de bevinding van de deskundige dat het plan voorziet in een aanzienlijk groter bouwvlak voor een aantal veehouderijen aan de Druisdijk niet weersproken. Verder heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat bij de vaststelling van het plan niet is bezien of binnen de bouwvlakken voor intensieve veehouderijen die overeenkomen met de bouwvlakken die in het voorheen geldende plan waren opgenomen nog ruimte voor uitbreiding is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 200906702/1/R3) dient de raad bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan de aanvaardbaarheid daarvan (opnieuw) te bezien, mede in relatie tot de op het moment van vaststelling geldende regelgeving. Uit de enkele omstandigheid dat een deel van de bouwvlakken voor intensieve veehouderijen overeenstemt met de bouwvlakken die in het voorheen geldende plan reeds waren opgenomen, volgt niet dat het plan op dit punt in overeenstemming is met artikel 19j van de Nbw 1998.

Ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid voor de vergroting van bouwvlakken voor grondgebonden veehouderijen en intensieve veehouderijen, wordt overwogen dat, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2011 in zaak nr. 200907076/1/R3, reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan, uitgaande van de maximale mogelijkheden die het plan biedt, moet worden onderzocht of het plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze verplichting hangt samen met het uitgangspunt dat opname van een wijzigingsbevoegdheid inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel als in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. De raad heeft zich dan ook niet op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat deze wijzigingsbevoegdheid niet betrokken hoeft te worden bij de beantwoording van de vraag of het plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Het betoog van de raad dat de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voor de uitbreiding van bouwvlakken van intensieve veehouderijen niet zal leiden tot een uitbreiding van het aantal dieren, omdat de wijzigingsbevoegdheid alleen kan worden toegepast als dit noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de door de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de daarop gebaseerde besluiten gestelde huisvestingseisen leidt, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel. Hiertoe wordt overwogen dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat met de toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid een verschuiving van de emissiepunten van een intensieve veehouderij mogelijk is, die significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden.

Voorts heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat per abuis in de planregels geen verbod is opgenomen voor het bouwen van een tweede bouwlaag bij intensieve veehouderijen. Gelet hierop kan niet worden uitgesloten dat het plan een uitbreiding van intensieve veehouderijen mogelijk maakt.

Ten aanzien van de uitbreidingsmogelijkheden van recreatiebedrijven is niet gebleken dat de raad bij de vaststelling van het plan heeft bezien of het plan voorziet in uitbreidingsmogelijkheden van recreatiebedrijven, waarbij wordt opgemerkt dat daarbij ook dient te worden bezien of binnen de bouwvlakken voor recreatiebedrijven die overeenkomen met de bouwvlakken die in het voorheen geldende plan waren opgenomen nog ruimte voor uitbreiding is, zoals volgt uit de uitspraak van 19 oktober 2011, in zaak nr. 200906702/1/R3.

Gelet op het voorgaande heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt of het plan in zoverre in overeenstemming is met artikel 19j van de Nbw 1998.

2.18.6. Ten aanzien van de uitbreidingsmogelijkheden voor burgerwoningen wordt als volgt overwogen. In artikel 23, lid 23.2.1, onder d, van de planregels, over de voor "Wonen" aangewezen gronden, is bepaald dat nieuwbouw van woningen niet is toegelaten, met uitzondering van vervangende nieuwbouw. De uitbreidingsmogelijkheid voor woningen die in het plan is opgenomen betreft een wijzigingsbevoegdheid in artikel 23, lid 23.5.1 voor het splitsen van een woning in twee woningen, onder de voorwaarden dat splitsing alleen is toegestaan indien het een woonboerderij betreft en de bouwmassa van de te splitsen woonboerderij een inhoud heeft van ten minste 900 m³. Daarnaast voorziet het plan alleen in wijzigingsbevoegdheden voor het wijzigen van de bestemming van een voormalige agrarische bedrijfswoning of een voormalige bedrijfswoning in de bestemming "Wonen". Gelet op de geringe uitbreidingsmogelijkheden van burgerwoningen waarin het plan voorziet, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre geen dusdanige toename van bezoekers en verkeer in de Natura 2000-gebieden met zich zal brengen dat dit tot significante gevolgen kan leiden voor de Natura 2000-gebieden in de nabijheid van het plangebied.

2.18.7. In hetgeen BMF en ABC Milieugroep hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft artikel 3, lid 3.4.2, onder a en b, van de planregels, de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "intensieve veehouderij", de plandelen met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" en de plandelen met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie", is vastgesteld in strijd met artikel 19j van de Nbw 1998. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Gelet hierop behoeven de overige door BMF en ABC Milieugroep aangevoerde beroepsgronden die op deze onderdelen betrekking hebben geen bespreking meer.

2.18.8. In hetgeen BMF en ABC Milieugroep voor het overige op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is voor het overige in zoverre ongegrond.

Bescherming Ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS)

2.19. BMF en ABC Milieugroep betogen dat aan de gronden die in eigendom zijn van de vereniging Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en het Brabants Landschap en die in de EHS liggen de bestemming "Natuur" moet worden toegekend. Hiertoe voeren zij aan dat de bestemming "Natuur" meer bescherming biedt aan de natuurwaarden van de gronden dan een agrarische bestemming. Daarnaast voeren zij aan dat deze gronden door de eigenaren niet agrarisch worden gebruikt, zoals de raad stelt, maar als natuurgebied worden beheerd.

2.19.1. Het provinciale beleid was ten tijde van het bestreden besluit onder meer neergelegd in de "Interimstructuurvisie Noord-Brabant Brabant in Ontwikkeling" (hierna: de Interimstructuurvisie), vastgesteld bij besluit van 27 juni 2008 van provinciale staten van Noord-Brabant, en in de "Paraplunota ruimtelijke ordening" (hierna: de Paraplunota), vastgesteld door gedeputeerde staten van de provincie op 1 juli 2008.

2.19.2. In paragraaf 4.4.2 van de Interimstructuurvisie staat dat de planologische begrenzing van de EHS, zoals bedoeld in de Nota Ruimte (2006), op provinciaal schaalniveau heeft plaatsgevonden door aanduiding van de Groene hoofdstructuur (hierna: GHS)-natuur. Het beleid ten aanzien van gebieden die zijn aangeduid als GHS is gericht op de planologische bescherming van de (potentiële) natuurwaarden en de hiermee samenhangende landschappelijke waarden in de GHS. In de GHS is op langere termijn alleen plaats voor natuur, (grondgebonden) landbouw, recreatie met een groen karakter en andere laagdynamische functies, zoals bosbouw en waterbeheer.

2.19.3. De raad heeft het provinciale beleid dat betrekking heeft op de GHS onderschreven en als gemeentelijk beleid toegepast bij de vaststelling van het plan.

2.19.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de betreffende gronden die in eigendom zijn van Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en Brabants Landschap in de GHS liggen. De betreffende gronden hebben op de verbeelding de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden 1" dan wel "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden 2", behoudens een strook op kaart 4 van de verbeelding waaraan de bestemming "Agrarisch" is toegekend.

2.19.5. De raad heeft zitting te kennen gegeven dat ten tijde van de vaststelling van het plan een ruilverkaveling gaande was waarbij onder meer de onderhavige gronden betrokken waren. In afwachting van de uitkomsten van de ruilverkaveling heeft de raad de agrarische bestemming van de gronden gehandhaafd. De Afdeling acht deze keuze van de raad niet onredelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de Interimstructuurvisie staat dat binnen de GHS plaats is voor agrarisch grondgebruik en dat in voormelde planregels is bepaald dat de betreffende gronden ook zijn aangewezen voor behoud, herstel en ontwikkeling van de landschaps- en de natuurwaarden en dat een aanlegvergunningenstelsel is opgenomen ter bescherming van deze waarden, zodat de bescherming van de landschaps- en natuurwaarden is gewaarborgd. Overigens heeft de raad ter zitting verklaard dat medewerking zal worden verleend aan het wijzigen van de agrarische bestemming van deze gronden als blijkt dat de bestemming "Natuur" passender is. Het betoog faalt.

2.20. BMF en ABC Milieugroep betogen dat de bestemming "Natuur" moet worden toegekend aan de gronden die een agrarische bestemming hebben en die in de EHS binnen 10 m van de oevers van waterelementen liggen. Zij betogen dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen en het bemesten van deze gronden een bedreiging vormt voor de kwaliteit van het water en voor de vegetatie op de oevers.

2.20.1. Naar het oordeel van de Afdeling hebben BMF en ABC Milieugroep niet aannemelijk gemaakt dat het toegelaten agrarische gebruik van deze gronden en het daarmee gepaard gaande gebruik van bestrijdingsmiddelen en mest zal leiden tot een zodanige aantasting van de waterkwaliteit of de vegetatie op de oevers, dat hier de bestemming "Natuur" had moeten worden toegekend. Het betoog faalt.

2.21. BMF en ABC Milieugroep betogen voorts dat de natuurwaarden van de EHS en de GHS onvoldoende worden beschermd ter plaatse van een militair complex. Hiertoe voeren zij aan dat in de planregels is bepaald dat 5% van het bestemmingsvlak van het militaire complex, dat 80 ha omvat, mag worden bebouwd, wat neerkomt op een oppervlakte van 4 ha. BMF en ABC Milieugroep verwijzen voorts naar de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2009, in zaak nr. 200708124/1.

2.21.1. Het militaire complex ligt in een gebied dat in de Interimstructuurvisie is aangewezen als GHS-natuur en Regionale Natuur- en Landschapseenheid (hierna: RNLE).

Over de zogenoemde externe bescherming van de GHS staat in paragraaf 4.5 van de Paraplunota dat voor deze gronden - voor zover zij niet zijn aangeduid als RNLE of natuurparels - het 'nee, tenzij principe' geldt. Hier is uitbreiding van stedelijk ruimtebeslag alleen toelaatbaar als daar zwaarwegende maatschappelijke belangen aan ten grondslag liggen, en pas nadat een onderzoek heeft aangetoond dat er geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten de GHS en de AHS-landschap, of andere oplossingen waardoor de aantasting van de natuur- en de hiermee samenhangende landschapswaarden wordt voorkomen. In het geval van een dergelijke onontkoombaarheid moet, aldus de Paraplunota, verzekerd zijn dat de aantasting van de natuurwaarden en van de daarmee samenhangende landschapswaarden tot een minimum wordt beperkt en wordt gecompenseerd. Voor zover deze gronden zijn aangeduid als RNLE geldt eveneens het 'nee-principe'.

Ten aanzien van militaire terreinen staat in paragraaf 6.6 van de Paraplunota dat voor de natuur- en landschapswaarden het externe beschermingsregime van toepassing is, zoals beschreven in paragraaf 4.5, met dien verstande dat voor de aanleg, uitbreiding en intensivering van militaire terreinen in RNLE'n en in natuurparels gelegen buiten deze RNLE'n het 'nee, tenzij-principe' geldt en dat de door de Minister van Defensie gewenste aanleg, uitbreiding of intensivering van een militair terrein in beginsel wordt aangemerkt als een zwaarwegend maatschappelijk belang. Voor bestaande militaire terreinen die gelegen zijn in het buitengebied buiten de stedelijke regio’s wordt ernaar gestreefd dat geen verdere uitbreiding van de bebouwing plaatsvindt.

2.21.2. Aan de gronden, waar een militair munitiepark is gevestigd, is de bestemming "Maatschappelijk - Militair" toegekend.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk - Militair" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een militair depot;

b. een zendmast en een brandtoren;

(…)

e. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschaps- en natuurwaarden;

(…).

Ingevolge lid 14.2.1, onder c, mag het bestemmingsvlak voor niet meer dan 5% worden bebouwd.

Ingevolge lid 14.4.1 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de in die bepaling genoemde werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren.

Ingevolge lid 14.4.3 kan de in lid 14.4.1 genoemde vergunning slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden.

2.21.3. Voor zover BMF en ABC Milieugroep verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2009 in zaak nr. 200708124/1, overweegt de Afdeling dat, anders dan in deze zaak, in de planregels, van het in die zaak aan de orde zijnde plan, was bepaald dat de bescherming van natuurwaarden ondergeschikt is aan een ander doeleind.

2.21.4. Ter zitting hebben BMF en ABC Milieugroep gesteld dat momenteel minder dan 1% van het terrein is bebouwd, hetgeen de raad niet heeft weersproken. Voorts heeft de raad niet weersproken dat het plan de mogelijkheid biedt om de bebouwing uit te breiden tot een oppervlakte van 4 ha van het terrein.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan geboden mogelijkheid om de bebouwing uit te breiden in overeenstemming is met het hiervoor vermelde beleid over de externe bescherming van de GHS. De verwijzing van de raad naar het aanlegvergunningenstelsel dat in de planregels is opgenomen, noch de door de raad aangevoerde omstandigheid dat deze bouwmogelijkheid reeds in het voorheen geldende plan was opgenomen, geven er blijk van dat de raad dit beleid in acht heeft genomen.

Wat de door de raad gevreesde nadelige invloed van het plan op de waarde van het militaire terrein betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die bij de bescherming van de EHS aan de orde zijn.

Het betoog slaagt.

2.21.5. In hetgeen BMF en ABC Milieugroep hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft artikel 14, lid 14.2.1, onder c, van de planregels niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

De Afdeling ziet voorts aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat als gevolg van deze vernietiging de planregels geen beperkingen aan de nieuwbouw van gebouwen meer stellen, totdat voor dit onderdeel een planherziening in werking is getreden.

Teeltondersteunende voorzieningen (hierna: tov)

2.22. BMF en ABC Milieugroep betogen dat de definitie van "overige tov" die in artikel 1 van de planregels is opgenomen, rechtsonzeker is, omdat daaruit niet duidelijk volgt of daaronder uitsluitend een permanente voorziening in de vorm van een hek wordt verstaan of ook andere permanente voorzieningen. De maximale oppervlakte van 1,5 ha die in artikel 6, lid 6.3, van de planregels is toegelaten voor overige tov, wijst er volgens hen op dat ook andere permanente voorzieningen daaronder vallen. Voorts voeren BMF en ABC Milieugroep aan dat ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, en artikel 6, lid 6.3, van de planregels overige tov, waaronder permanente tov worden verstaan, bij recht onderscheidenlijk met toepassing van een ontheffingsbevoegdheid buiten het bouwvlak zijn toegelaten. Zij betogen dat het plan in zoverre in strijd is met de provinciale "Beleidsnota Teeltondersteunende Voorzieningen" (hierna: beleidsnota tov). BMF en ABC Milieugroep voeren voorts aan dat voor het perceel Valkenburgseweg 4 is voorzien in een vergroting van het bouwvlak, waardoor teeltondersteunend glas kan worden gerealiseerd, en voor het perceel Strijbeekseweg 56 is voorzien in een containerveld. Deze ontwikkelingen achten zij niet in overeenstemming met de beleidsnota tov.

2.22.1. Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt verstaan onder:

- (teelt)ondersteunende voorzieningen: (teelt)ondersteunende voorzieningen, die onderdeel zijn van de totale agrarische bedrijfsvoering van een (grondgebonden) open- of vollegrondstuinbouwbedrijf(stak), boom- of vaste plantenteeltbedrijf(stak) en die gebruikt worden om de bedrijfsvoering te optimaliseren.

- overige (teelt)ondersteunende voorzieningen: een permanente (teelt)ondersteunende voorziening c.q. een bouwwerk in de vorm van een hek met afrastering, met een hoogte van niet meer dan 2,5 m, op boomteeltpercelen waarmee dieren van die percelen geweerd kunnen worden.

- permanente (teeltondersteunende) voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen die voor een periode langer dan 6 maanden worden gebruikt.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, waaronder tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch met waarden -Landschaps- en natuurwaarden 1" aangewezen gronden bestemd voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge lid 6.3 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 6.2 voor het bouwen van tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen, mits wordt voldaan aan de daar genoemde voorwaarden.

2.22.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij onder overige tov verstaat een voorziening waarmee dieren kunnen worden geweerd van percelen die worden gebruikt voor boomteelt. De raad acht het toegelaten dat een dergelijke voorziening wordt uitgevoerd in de vorm van een permanente tov, zoals een hek met afrastering. De raad heeft echter niet uitsluitend een hek met afrastering willen toelaten, maar ook een andere voorziening, zoals bijvoorbeeld een plastic doek.

Deze uitleg van de raad van het begrip overige tov volgt naar het oordeel van de Afdeling niet eenduidig uit de definitie die in artikel 1 van de planregels is neergelegd. Het betoog van BMF en ABC Milieugroep dat de begripsomschrijving van overige tov in de planregels op dit punt onduidelijk is, slaagt.

2.22.3. In paragraaf 3.4 van de beleidsnota tov worden hekken om boomteeltpercelen, om dieren te weren van de percelen, als voorbeeld genoemd van overige voorzieningen die buiten het bouwvlak kunnen worden geplaatst. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat het plan in zoverre in overeenstemming is met de beleidsnota tov. Het betoog faalt.

2.22.4. Ten aanzien van het perceel Strijbeekseweg 56 staat in de zienswijzenrapportage dat het een bestaand containerveld betreft dat reeds in het voorheen geldende plan als zodanig was bestemd. De raad heeft het containerveld daarom ook in het voorliggende plan als zodanig bestemd door het toekennen van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", zonder bouwvlak. Onder deze omstandigheden heeft de raad het in redelijkheid gerechtvaardigd kunnen achten in zoverre af te wijken van de beleidsnota tov, waarin staat dat permanente voorzieningen alleen zijn toegelaten op een agrarisch bouwvlak. Het betoog faalt.

2.22.5. Ten aanzien van het perceel Valkenburgseweg 4 staat in de zienswijzenrapportage dat het bouwvlak van het perceel Valkenburgseweg 4 is vergroot voor een te bouwen loods waarvoor reeds een bouwvergunning is verleend. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hiermee niet is voorzien in een uitbreiding van teeltondersteunend glas, in strijd met de beleidsnota tov. Het betoog faalt.

2.22.6. In hetgeen BMF en ABC Milieugroep hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de definitie van "overige (teelt)ondersteunende voorzieningen" in artikel 1 van de planregels, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van BMF en ABC Milieugroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

De Afdeling ziet op verzoek van partijen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de omschrijving van "overige (teelt)ondersteunende voorzieningen" in artikel 1 van de planregels luidt: "permanente (teelt)ondersteunende voorzieningen in de vorm van een afscheiding, eventueel in de vorm van een hek, met een hoogte van niet meer dan 2,5 m op boomteeltpercelen, waarmee dieren van die percelen geweerd kunnen worden".

In hetgeen BMF en ABC Milieugroep voor het overige op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is voor het overige in zoverre ongegrond.

Bescherming RNLE

2.23. BMF en ABC Milieugroep voeren aan dat het plan in strijd met het provinciale beleid ten aanzien van de RNLE voorziet in een toename van intensieve gebruiksfuncties met verstedelijking en verstening tot gevolg. Hiertoe voeren zij aan dat in het plan is voorzien in een uitbreiding van de woonfunctie voor de percelen Strijbeekseweg 39 en 39b en Inneem 1 en 3, wat volgens hen kan leiden tot een toename van de verharde oppervlakte. Daarnaast voeren zij aan dat voor het perceel Valkenburgseweg 4 is voorzien in een vergroting van het bouwvlak, waardoor teeltondersteunend glas kan worden gerealiseerd, en voor het perceel Strijbeekseweg 56 is voorzien in een containerveld. Voorts voeren zij aan dat het plan voorziet in een bedrijfsbestemming ter plaatse van het perceel Bredaseweg 89. Volgens BMF en ABC Milieugroep heeft de raad daarnaast ten onrechte de gevolgen van deze uitbreidingsmogelijkheden voor de RNLE niet tezamen bezien.

2.23.1. In paragraaf 4.4.3 van de Interimstructuurvisie staat dat een toename van intensieve gebruiksfuncties waarbij sprake is van verstedelijking en/of intensieve verstening (wonen en bedrijvigheid inclusief glastuinbouw) in de RNLE’n niet is gewenst, behoudens beperkte afronding van stads- en dorpsranden (het ‘nee-principe’). Voor het overige geldt binnen de RNLE'n het beschermingsregime van de onderliggende zonering, zoals dat door gedeputeerde staten is uitgewerkt voor de GHS en de AHS.

Dit beleid is nader uitgewerkt in de Paraplunota ruimtelijke ordening. In paragraaf 4.5.1 staat dat de externe bescherming van de GHS en de AHS-landschap tegen de uitbreiding van steden en dorpen, de aanleg en uitbreiding van bedrijventerreinen en de aanleg en (fysieke) aanpassing van niet-recreatieve infrastructuur, hierna aangeduid als de uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag, het volgende inhoudt. Voor RNLE’n en in de natuurparels buiten deze eenheden geldt het ‘nee-principe’. Uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag is hier uitgesloten, afgezien van de aanleg en de (fysieke) aanpassing van niet-recreatieve infrastructuur, waarvoor het ‘nee, tenzij-principe’ geldt. Beperkte afrondingen van stads- of dorpsranden, die tot een duidelijke verbetering van de stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit leiden, zijn toegestaan in de AHS-landschap, subzone RNLE-landschapsdeel. Voor alle vormen van ruimtegebruik die niet kunnen worden beschouwd als een uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag en evenmin onder het hierna te beschrijven interne beschermingsregime vallen, geldt in de GHS en de AHS-landschap het ‘nee, tenzij-principe’. Dit houdt kort gezegd onder meer in dat sprake moet zijn van zwaarwegende belangen en dat geen alternatieve locatie beschikbaar is.

2.23.2. Ter zitting heeft de raad bevestigd dat hij het provinciale beleid dat betrekking heeft op de RNLE onderschrijft en als gemeentelijk beleid heeft toegepast bij de vaststelling van het plan. Hieraan heeft de raad toegevoegd dat het plan voor deze percelen weliswaar voorziet in uitbreidingsmogelijkheden, maar dat deze mogelijkheden niet per definitie zullen leiden tot een aantasting van de RNLE. Volgens de raad is voor elk perceel bezien welke natuurwaarden aanwezig zijn en of de gewenste ontwikkelingen in het licht daarvan mogelijk zijn.

2.23.3. Voor het standpunt van BMF en ABC Milieugroep dat de gevolgen van uitbreidingsmogelijkheden in de RNLE tezamen moeten worden bezien, vindt de Afdeling geen steun in het voormelde beleid over de RNLE.

2.23.4. Het containerveld ter plaatse van het perceel Strijbeekseweg 56 was reeds in het voorheen geldende plan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken met de gebiedsbestemming "Agrarisch hoofdstructuur (AHS)" en de aanduiding "Kontainerveld (K)" als zodanig bestemd. Ook in het voorliggende plan is het containerveld als zodanig bestemd met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", zonder bouwvlak. De stelling van BMF en ABC Milieugroep dat het voorliggende plan in zoverre voorziet in uitbreiding van het ruimtebeslag, is derhalve onjuist.

2.23.5. Ten aanzien van het perceel Valkenburgseweg 4 staat in de zienswijzenrapportage dat het bouwvlak van het perceel Valkenburgseweg 4 is vergroot om een te bouwen loods waarvoor reeds een bouwvergunning is verleend en bestaande trayvelden binnen het agrarisch bouwvlak op te nemen. Dit is door de BMF en ABC Milieugroep niet bestreden.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het als zodanig bestemmen van de loods en trayvelden niet in strijd is met het provinciale beleid over de RNLE, waarbij in aanmerking wordt genomen dat bij het bestemmingsplan bestaande rechten in beginsel dienen te worden gerespecteerd.

2.23.6. Ten aanzien van het perceel Strijbeekseweg 39 verwijzen BMF en ABC Milieugroep naar nummer A08 van het overzicht van ambtshalve wijzigingen dat bij het bestreden besluit behoort. Dit punt ziet echter op het perceel Strijbeekseweg 39b. Het beroep van BMF en ABC Milieugroep ten aanzien van het perceel Strijbeekseweg 39 wordt daarom geacht te zijn gericht tegen het perceel Strijbeekseweg 39b.

In het voorheen geldende plan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken was ter plaatse van het perceel Strijbeekseweg 39b een bestemmingsvlak met een woonbestemming opgenomen. In het voorliggende plan is deze bestemming gecontinueerd. Daarnaast voorziet het voorliggende plan in een geringe uitbreiding van de woonbestemming ter plaatse van gronden die in het voorheen geldende plan een agrarische bestemming hadden.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze uitbreiding niet in de weg zal staan aan de ontwikkeling van natuur en landschap in de RNLE. Voor het oordeel dat deze uitbreiding in strijd is met het beleid over de RNLE ziet de Afdeling in hetgeen BMF en ABC Milieugroep hebben aangevoerd geen aanleiding.

2.23.7. Ten aanzien van de percelen Inneem 1 en 3 staat onder nummer A-43 van het overzicht ambtshalve wijzigingen dat Inneem 1 en Inneem 3 één woning vormen en dat daarom beide bestemmingsvlakken moeten worden samengevoegd en uitgebreid tot één bestemmingsvlak.

In het voorheen geldende plan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken waren de gronden tussen de percelen Inneem 1 en 3 bestemd als "Multifunktioneel bosgebied". In het voorliggende plan is ter plaatse van deze gronden een aanzienlijk bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" opgenomen. Het plan biedt de mogelijkheid om op deze gronden bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op te richten en om op dit perceel paden, wegen en parkeervoorzieningen aan te leggen.

Dat het uitbreiden van de woonbestemming in overeenstemming is met het beleid over de RNLE heeft de raad met de stelling dat de ontwikkeling mogelijk is en de natuurwaarden niet zal aantasten naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd. Het betoog slaagt.

2.23.8. Het perceel Bredaseweg 89 had in het voorheen geldende plan de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Agrarisch gebied". In het voorliggende plan zijn deze bestemmingen gewijzigd in de bestemming "Bedrijf". Het wijzigen van de agrarische bestemming in een bedrijfsbestemming betekent dat een uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk wordt gemaakt. Dat het plan in zoverre in overeenstemming is met het beleid over de RNLE heeft de raad met de stelling dat de ontwikkeling mogelijk is en de natuurwaarden niet zal aantasten naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd. Het betoog slaagt.

2.23.9. In hetgeen BMF en ABC Milieugroep hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van het perceel Bredaseweg 89 en het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de gronden tussen de percelen Inneem 1 en 3 niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

In hetgeen BMF en ABC Milieugroep voor het overige op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is voor het overige in zoverre ongegrond.

Struweelvogels

2.24. BMF en ABC Milieugroep betogen dat voor de gebieden plaatselijk bekend als Gilzesche Heide en Koekedongen ten onrechte niet in voldoende bescherming van struweelvogels is voorzien. Zij voeren aan dat deze gebieden in het provinciale beleid zijn aangeduid als struweelvogelgebied. Gezien het aantal broedparen dat volgens het ten behoeve van het plan uitgevoerde ecologisch onderzoek daar aanwezig is en vanwege het voorkomen van vogels die op de zogenoemde Rode Lijst zijn vermeld, zoals de patrijs, moeten deze gebieden worden voorzien van de bestemming "Agrarisch gebied met waarden - Landschaps- en natuurwaarden", ter bescherming van de struweelvogels. BMF en ABC Milieugroep stellen verder dat uit artikel 3, tweede lid, onder b en d, van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: de Vogelrichtlijn) volgt dat vogels zowel binnen als buiten de als speciale beschermingszones aangewezen gronden moeten worden beschermd.

2.24.1. Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar het aantal broedterritoria van struweelvogels in vier gebieden in de gemeente Alphen-Chaam, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Onderzoek naar struweelvogels in vier gebieden in de gemeente Alphen-Chaam" uit juli 2008, uitgevoerd door Ecologisch Adviesbureau Cools.

2.24.2. Voor de aanwijzing van een gebied als struweelvogelgebied in het voorliggende plan is de raad niet uitsluitend uitgegaan van de zonering van deze gebieden in het provinciale beleid. De raad heeft als uitgangspunt gehanteerd dat moet worden voldaan aan een minimale dichtheid van struweelvogelsoorten die indicatief zijn voor kleinschalige landschappen, uitgedrukt in het aantal broedparen per ha. De raad heeft daarbij gebruik gemaakt van de resultaten van het bovenvoormelde onderzoek en van de "Handreiking Ecologische Bouwstenen voor de GHS en AHS in het Streekplan 2002" van 30 augustus 2006 om te beoordelen of een gebied zich kwalificeert als struweelvogelgebied gezien het daarin aanwezige aantal broedterritoria. De raad acht het aantal broedterritoria in de gebieden Gilzesche Heide en Koekedongen te gering om een aanwijzing van de gebieden als leefgebied voor struweelvogels te rechtvaardigen.

2.24.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid deze methode kunnen hanteren om te bezien of een gebied moet worden aangewezen als struweelvogelgebied. Voorts hebben BMF en ABC Milieugroep niet aannemelijk gemaakt dat het aantal broedterritoria zodanig groot is dat moet worden aangenomen dat deze gebieden belangrijke leefgebieden vormen voor de struweelvogels die zijn betrokken bij het ecologisch onderzoek. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in het deskundigenbericht staat dat de gebieden Gilzesche Heide en Koekedongen open gebieden zijn die intensief agrarisch worden gebruikt. Het is daarom niet te verwachten is dat struweelvogels hier in groten getale zullen gedijen. Voor het oordeel dat het plan niet in voldoende bescherming van struweelvogels voorziet in de gebieden Gilzesche Heide en Koekedongen, ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding. Het betoog faalt.

2.24.4. In hetgeen BMF en ABC Milieugroep op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Zandpaden

2.25. BMF en ABC Milieugroep kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Verkeer" ter plaatse van het onverharde deel van de Oude Tilburgsebaan. Zij voeren aan dat het zandpad een belangrijke cultuurhistorische en landschappelijke waarde vertegenwoordigt. In de planregels had daarom een aanlegvergunningenstelsel moeten worden opgenomen om te voorkomen dat het zandpad zonder nadere afweging kan worden verhard, aldus BMF en ABC Milieugroep.

2.25.1. Aan de Oude Tilburgsebaan is de bestemming "Verkeer" toegekend.

Ingevolge artikel 21, lid 21.1, van de planregels, voor zover van belang, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder wegen, paden en parkeervoorzieningen.

In artikel 21 is niet voorzien in een aanlegvergunningenstelsel.

2.25.2. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat een deel van de Oude Tilburgsebaan reeds is verhard. Voorts is gebleken dat de Oude Tilburgsebaan een functie heeft voor verkeersafwikkeling, van in ieder geval langzaam verkeer. De raad acht het daarom wenselijk om de mogelijkheid open te laten om ook dit deel van de Oude Tilburgsebaan te verharden.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van het kunnen verharden van dit pad zwaarder weegt dan het door de BMF en ABC Milieugroep voorgestane belang bij het behoud van dit pad als zandpad. De raad heeft daarom in redelijkheid niet behoeven voorzien in een aanlegvergunningenstelsel voor het verharden van de Oude Tilburgsebaan. Het betoog faalt.

2.25.3. In hetgeen BMF en ABC Milieugroep op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 7]

2.26. [appellanten sub 7] kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover daarin is voorzien in één plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de percelen [locatie 5] en [locatie 6]. Zij voeren aan dat onduidelijk is of de woning op het perceel [locatie 6] of een bijgebouw op het perceel [locatie 5], die zij als woning gebruiken, hiermee als zodanig is bestemd. Dit achten zij rechtsonzeker.

Voorts betogen [appellanten sub 7] dat het plan in overeenstemming moet worden gebracht met de kadastrale eigendomsituatie en het feitelijke gebruik van de percelen, door twee afzonderlijke plandelen in het plan op te nemen om de woning en het als zelfstandige woning in gebruik zijnde bijgebouw als zodanig te bestemmen. Zij voeren aan dat het gebruik van het bijgebouw op het perceel [locatie 5] als zelfstandige woning niet in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Chaam", zoals volgens hen ook volgt uit een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 9 december 2005. Daarnaast stellen zij dat het aantal woningen door het bestemmen van het zelfstandige gebruik van het bijgebouw feitelijk niet toeneemt en dat het niet aannemelijk is dat dit gebruik binnen de planperiode van tien jaar zal worden beëindigd. Voorts wijzen [appellanten sub 7] erop dat uit de nota zienswijzen volgt dat de bestemming voor het perceel Cauwelaerseweg 12 wel is gebaseerd op de eigendomsverhouding en de feitelijke situatie.

2.26.1. Aan de percelen [locatie 5] en [locatie 6] is een plandeel met de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 23, lid 23.2.1, onder a, van de planregels is per bestemmingsvlak bebouwing ten behoeve van één woning toegestaan.

Ingevolge artikel 33, lid 33.1, aanhef en onder b, wordt onder strijdig gebruik, als bedoeld in artikel 7.10 Wro, in ieder geval verstaan het gebruiken of laten gebruiken voor wonen van vrijstaande bijgebouwen bij een (bedrijfs)woning.

Ingevolge artikel 1 wordt onder woning verstaan een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

Ingevolge artikel 1 wordt onder bijgebouw verstaan een vrijstaand gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw (de woning), dat qua afmeting en/of in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 1 wordt onder hoofdgebouw verstaan een gebouw dat op een bouwperceel, door zijn constructie, bouwmassa, ruimtelijke uitstraling en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk is aan te merken, met dien verstande dat een woning te allen tijde als het hoofdgebouw wordt aangemerkt.

2.26.2. In het voorheen geldende plan "Buitengebied Chaam" was aan de percelen een plandeel met de medebestemming "Woondoeleinden (W)" en de aanduiding "vrijstaande woning (W1)" toegekend.

Ingevolge artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften zijn op de gronden overeenkomstig de aanduiding op de kaart, in verband met de bestemming, toegelaten één vrijstaande, dan wel half vrijstaande woning, conform de aanduiding in de lijst bij de detailplankaarten, alsmede bij de woning behorende bijgebouwen.

Ingevolge artikel 1, punt 26, wordt onder bijgebouw verstaan een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw, dat door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 1, punt 45, wordt onder hoofdgebouw verstaan een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

2.26.3. Niet in geschil is dat voor het bijgebouw waar [appellanten sub 7] wonen een bouwvergunning is verleend voor een garage bij de woning [locatie 6]. Voorts staat vast dat zij de garage zonder de daarvoor benodigde bouwvergunning hebben verbouwd tot zelfstandige woning en als zodanig in gebruik hebben genomen.

2.26.4. Het gebouw dat [appellanten sub 7] bewonen heeft in vergelijking met het gebouw op het perceel [locatie 6] geringe afmetingen en staat schuin achter het gebouw [locatie 6]. Gelet op de begripsomschrijvingen van "bijgebouw" en "woning" die in artikel 1 van de planregels zijn opgenomen heeft de raad zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het gebouw op het perceel [locatie 6] in het plan is bestemd als woning en dat het gebouw dat [appellanten sub 7] bewonen is bestemd als een vrijstaand bijgebouw bij die woning, dat niet zelfstandig mag worden bewoond. De Afdeling ziet niet in dat het plan op dit punt onduidelijk is. Het betoog dat in zoverre een rechtsonzekere situatie is ontstaan, faalt.

2.26.5. Ook in het voorheen geldende plan was het gebouw van [appellanten sub 7] bestemd als bijgebouw bij de woning [locatie 6], gelet op de bestemming en de aanduiding die in dat plan aan de percelen [locatie 5] en [locatie 6] waren toegekend en de daarbij behorende planvoorschriften. Nu in het voorheen geldende plan één vrijstaande woning was toegestaan op de percelen, kunnen [appellanten sub 7] niet worden gevolgd in hun stelling dat het gebruik van het bijgebouw als zelfstandige woning in dat plan was toegestaan. Anders dan zij stellen, bevat de door hen aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda geen oordeel over de vraag of het gebruik van het bijgebouw in strijd is met het voorheen geldende plan. Voorts is niet de feitelijke situatie, maar de juridisch-planologische situatie bepalend voor de vraag of het aantal woningen toeneemt als het bestaande gebruik van het bijgebouw als zodanig wordt bestemd. Aangezien in het voorheen geldende plan één woning was toegelaten op de percelen, de woning [locatie 6], betekent het als zodanig bestemmen van de zelfstandige bewoning van het bijgebouw in dit plan dat juridisch-planologisch een nieuwe woning mogelijk wordt gemaakt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid, dat zich verzet tegen een toename van het aantal burgerwoningen in het buitengebied. De omstandigheid dat niet aannemelijk is dat [appellanten sub 7] het gebruik van het bijgebouw als woning tijdens de planperiode zullen beëindigen, brengt niet met zich dat de raad dit gebruik in afwijking van het gemeentelijke beleid als zodanig had moeten bestemmen. Evenmin behoefde de raad aanleiding te zien om vanwege de eigendomsverhoudingen van de percelen twee afzonderlijke plandelen met een woonbestemming toe te kennen. Eigendomsverhoudingen zijn uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet van doorslaggevende betekenis.

2.26.6. Ten aanzien van de door [appellanten sub 7] gemaakte vergelijking met het perceel Cauwelaerseweg 12 wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie. Op dat perceel zijn twee bestaande woningen aan weerszijden van een kinderdagverblijf als zodanig bestemd. In hetgeen [appellanten sub 7] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten sub 7] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Voor zover [appellanten sub 7] ter zitting hebben verwezen naar een groot aantal andere percelen in het buitengebied van de gemeente Alphen-Chaam waar volgens hen wel nieuwe burgerwoningen zijn toegestaan, wordt overwogen dat zij met deze niet nader onderbouwde stelling niet aannemelijk hebben gemaakt dat die situaties overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.26.7. In hetgeen [appellanten sub 7] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 7] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 8] en anderen

2.27. [appellante sub 8] en anderen kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" en de aanduiding "bedrijfswoning" ter plaatse van hun perceel [locatie 7] te Alphen.

Zij betogen dat het gebruik van de op het perceel aanwezige woning als burgerwoning als zodanig moet worden bestemd. Hiertoe voeren zij aan dat met toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken (hierna: Rbv) de voormalige veehouderij op het perceel in 2002 is beëindigd en de bijbehorende bedrijfsgebouwen zijn gesloopt. Gezien deze voorgeschiedenis had het toekennen van de bestemming "Wonen" aan de voormalige agrarische bedrijfswoning volgens hen in de rede gelegen en hebben zij er ook op kunnen vertrouwen dat aan de voormalige agrarische bedrijfswoning een woonbestemming zou worden toegekend. Ook uit artikel 7 van de beleidsregeling Ruimte voor Ruimte en de toelichting daarop volgt volgens hen dat het toekennen van een woonbestemming is aangewezen. [appellante sub 8] en anderen stellen dat het toekennen van een woonbestemming geen belemmering zal opleveren voor de naastgelegen intensieve veehouderij, omdat gezien het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna Wgv) de woning dezelfde bescherming blijft behouden als een agrarische bedrijfswoning. Ook wijzen zij erop dat in het voorontwerp van het plan wel de bestemming "Wonen" aan hun woning was toegekend. [appellante sub 8] en anderen betogen voorts dat de percelen Hondseind 5 en Boslust 5 eveneens voormalige agrarische bedrijfslocaties zijn waar het voormalige agrarische bedrijf onder toepassing van de Rbv is beëindigd en dat aan die percelen wel een woonbestemming is toegekend.

2.27.1. De raad acht nieuwe burgerwoningen in een landbouwontwikkelingsgebied, waarbinnen het perceel ligt, niet wenselijk. Voorts stelt de raad dat het bestemmen van de woning als burgerwoning een verdere belemmering zal vormen voor de naastgelegen veehouderij.

2.27.2. Ter plaatse van het perceel [locatie 7] is de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" en de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels, voor zover van belang, zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven en bedrijfswoningen.

2.27.3. Ingevolge artikel 1 van de Wgv wordt onder een geurgevoelig object verstaan een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of [op] een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wgv, voor zover van belang, bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

2.27.4. Op het perceel ten zuiden van het perceel [locatie 7] is een intensieve veehouderij gevestigd waarvan niet in geschil is dat deze moet worden aangemerkt als een veehouderij als bedoeld in de Wgv. De woning op het perceel [locatie 7] kan worden aangemerkt als een geurgevoelig object als bedoeld in de Wgv. Het perceel ligt buiten de bebouwde kom. Niet in geschil is dat de veehouderij die op het perceel [locatie 7] was gevestigd in 2002 onder toepassing van de Rbv is ontmanteld en dat hiertoe de bedrijfsgebouwen zijn afgebroken en de milieuvergunning van de veehouderij is ingetrokken. [appellante sub 8] en anderen hebben in 2005 de voormalige agrarische bedrijfswoning als burgerwoning in gebruik genomen. Gelet op het voorgaande dient de woning op het perceel [locatie 7] te worden aangemerkt als een geurgevoelig object dat na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. De voor dergelijke woningen ingevolge de Wgv geldende normen zijn gelijk aan de normen voor de aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij. Ten opzichte van de situatie waarin de woning op het perceel [locatie 7] dienst doet als bedrijfswoning bij een veehouderij heeft het toekennen van een bestemming als burgerwoning aan het perceel [locatie 7] dan ook geen verdere beperking voor de bedrijfsvoering van de naastgelegen veehouderij tot gevolg. De raad heeft in zoverre een onjuist standpunt ingenomen.

2.27.5. Dit leidt evenwel niet tot het oordeel dat de raad de woning op het perceel [locatie 7] als burgerwoning dient te bestemmen. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

2.27.6. Het perceel [locatie 7] ligt in een landbouwontwikkelingsgebied. Volgens de raad is een toename van het aantal burgerwoningen in een landbouwontwikkelingsgebied niet wenselijk. De locatie dient beschikbaar te blijven voor een hervestiging van een intensieve veehouderij. De raad acht het niet uitgesloten dat een intensieve veehouderij zich zal vestigen op het perceel [locatie 7], eventueel met aankoop van aangrenzende percelen. Daarnaast zou het perceel [locatie 7] als uitbreidingslocatie kunnen dienen voor reeds bestaande intensieve veehouderijen en grondgebonden agrarische bedrijven. Dit standpunt van de raad acht de Afdeling niet onredelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het perceel, behoudens een noordelijk gelegen perceel, is omringd door intensieve veehouderijen en andere agrarische bedrijven. Voor zover [appellante sub 8] en anderen verwijzen naar het standpunt van het college van burgemeester en wethouders in een handhavingsprocedure inzake het gebruik van het perceel [locatie 7], wordt overwogen dat de raad, en niet het college van burgemeester en wethouders, bij de vaststelling van een bestemmingsplan beslist over daarin op te nemen bestemmingen. Voorts heeft de raad in redelijkheid belang kunnen hechten aan het woon- en leefklimaat in de woning van [appellante sub 8] en anderen, gezien de afstand van ongeveer 30 m tussen de woning van [appellante sub 8] en anderen en de naastgelegen veehouderij.

Aan de omstandigheid dat het voormalige agrarische bedrijf met toepassing van de Rbv is beëindigd, hebben [appellante sub 8] en anderen niet de gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat hun woning in dit plan als burgerwoning zou worden bestemd, nu een burgerwoning op deze locatie niet passend is. Voor zover [appellante sub 8] en anderen in dit verband verwijzen naar de beleidsregel Ruimte voor Ruimte wordt overwogen dat in de toelichting bij het door [appellante sub 8] en anderen vermelde artikel slechts is vermeld dat de voormalige agrarische bedrijfswoning "doorgaans" onder de woonbestemming wordt gebracht. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Evenmin volgt uit deze omstandigheid dat de raad gehouden is om de bestemming van het perceel te wijzigen in een bestemming, die niet passend wordt geacht.

Voorts kunnen aan de bestemming die in het voorontwerp aan het perceel was toegekend geen rechten worden ontleend. De raad beslist bij de vaststelling van het plan over de uiteindelijke bestemmingen.

2.27.7. Ten aanzien van de door [appellante sub 8] en anderen gemaakte vergelijking met de percelen Hondseind 5 en Boslust 5 wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat de situatie op die percelen verschilt van de aan de orde zijnde situatie. Het perceel Boslust 5 ligt in een verwevingsgebied en bij het perceel Hondseind 5 ondervindt de naastgelegen veehouderij reeds een belemmering van een andere als zodanig bestemde burgerwoning. In hetgeen [appellante sub 8] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 8] en anderen genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.27.8. In hetgeen [appellante sub 8] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 9]

2.28. [appellanten sub 9], die wonen aan de [locatie 8] te Chaam, stellen dat het plan ten onrechte de mogelijkheid biedt om de tegenover hun woning gelegen camping De Meysberg uit te breiden. Zij vrezen voor een aantasting van hun woongenot en voor een verkeersonveilige situatie en hebben onder meer aangevoerd dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar verkeershinder, geluidhinder, aantasting van de luchtkwaliteit, aantasting van natuur- en landschapswaarden en wateroverlast. Volgens [appellanten sub 8] moet de camping op een andere locatie worden uitgebreid.

2.28.1. Aan het bestaande terrein van camping De Meysberg ten westen van de Sluisstraat en aan het perceel ten oosten van de Sluisstraat waar de uitbreiding van de camping is voorzien, is in het plan, voor zover hier van belang, de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie (R-VR)" toegekend, met de nadere aanduiding "sr-8".

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planregels bezien in samenhang met de bij artikel 18 behorende 'Tabel Recreatie', zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor een camping.

2.28.2. Bij besluit van 15 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam aan Camping De Meysberg krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend van het destijds geldende bestemmingsplan "Buitengebied Chaam". Deze vrijstelling ziet op het gebruik van het perceel ten oosten van de Sluisstraat voor de uitbreiding van de camping.

De vrijstelling is bij de uitspraak van de Afdeling van 13 oktober 2010, in zaak nr. 201001648/1/H1, onherroepelijk geworden.

2.28.3. Met het plan is, wat betreft bovengenoemd perceel, beoogd hetgeen met de eerder genoemde vrijstelling ter plaatse mogelijk is gemaakt, planologisch vast te leggen. Onder deze omstandigheden sluit de afweging die de raad bij de vaststelling van het plan heeft moeten maken, nauw aan bij de afweging van het college van burgemeester en wethouders in het kader van de verzochte vrijstelling. De verandering van gebruik die mogelijk is gemaakt door de verleende vrijstelling is onherroepelijk geworden en moet derhalve voor rechtmatig worden gehouden. Hetgeen [appellanten sub 9] naar voren hebben gebracht, geeft geen grond voor het oordeel dat de raad in dit geval een andere afweging had moeten maken. Daarbij is van belang dat [appellanten sub 9] niet hebben aangevoerd dat zich sinds de verlening van de vrijstelling nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die ten tijde van de vaststelling van het plan hadden moeten leiden tot een andere afweging. Het bestemmingsplan biedt weliswaar de mogelijkheid om het perceel ten oosten van de Sluisstraat op een andere wijze in te richten dan in de vrijstelling en in de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing is voorzien, maar [appellanten sub 9] hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij hierdoor in hun belangen zijn geschaad. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan niet de mogelijkheid biedt om op voornoemd perceel centrale voorzieningen aan te leggen. Voorts voorziet het bestemmingsplan in de aanleg van een groenstrook rond het perceel ten oosten van de Sluisstraat, die niet mag worden verwijderd zonder dat daarvoor een aanlegvergunning is verleend. De raad heeft ter zitting onweersproken gesteld dat deze groenstrook inmiddels is aangeplant.

2.28.4. In hetgeen [appellanten sub 9] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

De beroepen van [appellante sub 10] en [appellante sub 20]

Perceel [locatie 9]

2.29. [appellante sub 20] kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ter plaatse van zijn perceel [locatie 9] te Alphen. Hij voert aan dat hij zijn agrarische bedrijf heeft beëindigd en dat het perceel thans in gebruik is voor diverse bedrijfsdoeleinden. Hij betoogt dat deze bedrijvigheid ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Hiertoe voert hij aan dat het college van burgemeester en wethouders bij brief van 9 juni 1997 positief heeft gereageerd op een zogenoemd principeverzoek om de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen voor bedrijfsmatige opslag te gebruiken. Ook is een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend voor voormelde bedrijfsactiviteiten. [appellante sub 20] stelt dat hij uit deze omstandigheden heeft mogen afleiden dat het gemeentebestuur instemt met de bedrijfsactiviteiten op zijn perceel. Het standpunt van het gemeentebestuur dat bij een wijziging van de bestemming van het perceel een oppervlakte van maximaal 1.000 m² van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen mag worden behouden, acht [appellante sub 20] onredelijk en zal volgens hem leiden tot kapitaalvernietiging, omdat een groot deel van de gebouwen zal moeten worden gesloopt om daaraan te kunnen voldoen. Deze voorwaarde acht hij onvoldoende onderbouwd en te vergaand. [appellante sub 20] kan zich daarom evenmin verenigen met de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 4, lid 4.6.8, van de planregels voor het wijzigen van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" in de bestemming "Bedrijf" ten behoeve van de opslag van goederen, voor zover daarin deze sloopvoorwaarde is opgenomen. Voorts stelt hij dat deze voorwaarde als wijziging ten opzichte van het ontwerp van het plan aan de planregel is toegevoegd, maar niet in het besluit tot vaststelling van het plan is opgenomen. [appellante sub 20] betoogt dat deze wijziging van het ontwerp van het plan daarom niet door de raad is vastgesteld.

2.29.1. Aan het perceel [locatie 9] is de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover van belang, zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven.

Ingevolge lid 4.6.8, aanhef en onder c, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming "Bedrijf" ten behoeve van de opslag van goederen indien wordt voldaan aan de voorwaarde dat de oppervlakte aan bedrijvigheid per vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie door sloop van overtollige bebouwing wordt teruggebracht tot maximaal 1.000 m².

2.29.2. Anders dan [appellante sub 20] stelt, was de bepaling in artikel 4, lid 4.6.8, van de planregels dat de oppervlakte aan bedrijvigheid per vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie door sloop van overtollige bebouwing dient te worden teruggebracht tot 1.000 m² al in het ontwerp van het plan opgenomen. Bij de vaststelling van het plan is als wijziging ten opzichte van het ontwerp alleen het woord "maximale" aan de bepaling toegevoegd. Het betoog dat deze bepaling over de sloop van overtollige bebouwing niet is vastgesteld door de raad mist daarom feitelijke grondslag.

2.29.3. De raad acht het toegelaten dat de agrarische bestemming van een voormalige agrarische bedrijfslocatie onder voorwaarden wordt gewijzigd in een andere bestemming, bijvoorbeeld ten behoeve van statische opslag en kleinschalige bedrijvigheid. Als voorwaarde heeft de raad onder meer gesteld dat een kwaliteitsverbetering moet plaatsvinden in de vorm van sloop van overtollige bedrijfsgebouwen. Voor het wijzigen van de agrarische bestemming in een bestemming ten behoeve van de opslag van goederen heeft de raad als uitgangspunt gehanteerd dat overtollige bedrijfsbebouwing tot maximaal 1.000 m² moet worden teruggebracht. Deze voorwaarde is neergelegd in de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 4, lid 4.6.8, onder c, van de planregels.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 20] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze sloopvoorwaarde onvoldoende heeft gemotiveerd en niet in redelijkheid heeft kunnen stellen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het algemene belang dat is gediend met een kwaliteitsverbetering van het buitengebied door de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen dan aan het financiële belang dat [appellante sub 20] heeft bij het behoud ervan.

2.29.4. Ten aanzien van de agrarische bestemming van het perceel wordt als volgt overwogen. Volgens het deskundigenbericht betreft het perceel een voormalige pluimveehouderij met drie bedrijfsgebouwen, die omstreeks 1997 in gebruik zijn genomen voor de stalling van caravans, de uitoefening van een constructiewerkplaats en voor de opslag van gebruikte bouwmaterialen en machines. De bedrijfsgebouwen hebben een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 2.800 m².

In het voorheen geldende plan "Buitengebied Alphen" had het perceel de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden". Ten tijde van de vaststelling van het plan bestond tussen de raad en [appellante sub 20] nog geen overeenstemming over de vraag wat een passende bestemming van het perceel zou zijn nu de pluimveeveehouderij is beëindigd. Hierbij speelt een rol dat [appellante sub 20] te kennen heeft gegeven niet te willen voldoen aan de voorwaarde dat zijn voormalige agrarische bedrijfsgebouwen tot een oppervlakte van maximaal 1.000 m² moeten worden teruggebracht bij een wijziging van de agrarische bestemming in een bedrijfsbestemming. Dat de raad de agrarische bestemming van het perceel wenst te handhaven totdat duidelijkheid bestaat over een passende bestemming voor het perceel, acht de Afdeling niet onredelijk.

Voorts heeft [appellante sub 20] niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan voor zijn perceel in een bedrijfsbestemming zou voorzien. Het verlenen van een milieuvergunning en het vaststellen van een bestemmingsplan zijn twee gescheiden procedures. Uit de omstandigheid dat een milieuvergunning is verleend voor bedrijfsactiviteiten op het perceel volgt daarom niet dat eveneens planologisch medewerking zal worden verleend aan het gebruik van het perceel voor bedrijfsactiviteiten. Voorts staat in de beantwoording van het zogenoemde principeverzoek uitdrukkelijk dat het geen definitief besluit inhoudt. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Het betoog faalt.

Perceel [locatie 10]

2.30. [appellante sub 10] kan zich niet verenigen met de bestemming "Wonen" ter plaatse van zijn perceel [locatie 10] te Alphen en [appellante sub 10] en [appellante sub 20] kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ter plaatse van het noordelijke deel van dit perceel. [appellante sub 10] betoogt dat het bestaande gebruik van het perceel voor een asbestinventarisatiebedrijf en voor de opslag en handel in oude bouwmaterialen ten onrechte niet als zodanig bestemd. Evenmin is het gebruik van de woning als een bij dit bedrijf behorende bedrijfswoning als zodanig bestemd. [appellante sub 20] en [appellante sub 10] betogen voorts dat het noordelijke deel ten onrechte op de verbeelding binnen het agrarische bouwvlak is gebracht dat behoort bij het naastgelegen perceel [locatie 9]. [appellante sub 10] voert in dit verband aan dat hij eigenaar en gebruiker is van dit deel van het bouwvlak, waar een loods staat die hij ten behoeve van zijn bedrijf in gebruik heeft. [appellante sub 20] voert aan dat deze loods zal moeten worden gesloopt als de bestemming van zijn perceel [locatie 9] onder toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.6.8, van de planregels wordt gewijzigd in een bedrijfsbestemming voor statische opslag. Dat acht hij niet rechtvaardig. [appellante sub 10] voert daarnaast aan dat een bedrijf op het perceel Boshoven 8 wel als zodanig is bestemd.

[appellante sub 10] voert voorts aan dat in het plan een oppervlakte van slechts 100 m² aan bijgebouwen op het perceel is toegelaten, terwijl daar bijgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 300 m² aanwezig zijn. Hierdoor zijn deze bijgebouwen ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht.

2.30.1. Ter plaatse van het perceel [locatie 10] zijn de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 23, lid 23.2.3, aanhef en onder b, van de planregels geldt voor vrijstaande bijgebouwen dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m². Indien de bestaande oppervlakte meer bedraagt dan 100 m² mag de bestaande oppervlakte niet worden uitgebreid.

2.30.2. Volgens het deskundigenbericht heeft het grootste deel van het perceel een woonfunctie en bestaat de bebouwing daar uit een woning en twee bijgebouwen. De bedrijfsactiviteiten van het bedrijf van [appellante sub 10] vinden volgens het deskundigenbericht uitsluitend plaats op het noordelijke deel van het perceel, waaraan de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" is toegekend. Op dit deel van het perceel staat een schuur van 160 m² met een bijbehorend erf. De schuur en het bijbehorende erf worden grotendeels gebruikt voor opslag.

2.30.3. De raad heeft het agrarische bouwvlak dat in het voorheen geldende plan "Buitengebied Alphen" ter plaatse van het perceel [locatie 9] was opgenomen, overgenomen in dit plan. Niet in geschil is dat het noordelijke deel van het perceel [locatie 10] met de loods ook in het voorheen geldende plan binnen het agrarische bouwvlak was opgenomen en dat de loods tot de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing van het perceel [locatie 9] behoort. Het standpunt van de raad dat ook deze loods dient te worden betrokken bij een wijziging van de agrarische bestemming van het perceel [locatie 9], acht de Afdeling daarom niet onredelijk. Voor zover [appellante sub 10] de eigendomsverhoudingen van dit deel van het perceel aan de orde stelt, overweegt de Afdeling dat eigendomsverhoudingen vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet van doorslaggevende betekenis zijn. Slechts indien privaatrechtelijke verhoudingen van een dusdanige aard zijn dat daarmee de realisering van het bestemmingsplan binnen de planperiode niet aannemelijk is, kan hieraan betekenis toekomen. Dit is niet gesteld, noch gebleken.

2.30.4. Ten aanzien van de door [appellante sub 10] gemaakte vergelijking met het perceel Boshoven 8, waarvan de agrarische bestemming is gewijzigd in "Bedrijf", wordt overwogen dat de omstandigheid dat voor dit perceel de bestemming wel is gewijzigd niet met zich brengt dat ook voor andere percelen een dergelijke bestemmingswijziging zonder meer kan worden toegelaten. Zoals uit het voorgaande is gebleken, bestaat nog geen duidelijkheid over de vraag wat een passende bestemming van het voormalige agrarische bouwvlak is. In hetgeen [appellante sub 10] heeft aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 10] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Voor het oordeel dat de raad ten onrechte de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aan het noordelijke deel van het perceel [locatie 10] heeft toegekend, ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen aanleiding.

2.30.5. [appellante sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat in tegenstelling tot de bevindingen van de deskundige ook het deel van het perceel waaraan de bestemming "Wonen" is toegekend in gebruik is voor bedrijfsdoeleinden. Evenmin heeft [appellante sub 10] aannemelijk gemaakt dat de woning op het perceel moet worden aangemerkt als bedrijfswoning. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de bestemming "Wonen" het bestaande gebruik van het perceel is bestemd.

2.30.6. Vast staat dat de gezamenlijke oppervlakte van de twee vrijstaande bijgebouwen die zich bevinden op het deel van het perceel met de bestemming "Wonen" en die bij de woning op het perceel horen meer dan 100 m² bedraagt. Voor zover de in artikel 23 van de planregels toegestane maximale oppervlakte van 100 m² aan vrijstaande bijgebouwen in de huidige situatie wordt overschreden, is deze overschrijding op grond van het bepaalde in artikel 23, lid 23.2.3, aanhef en onder b, laatste zin, van de planregels toegestaan. De raad heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de bestaande vrijstaande bijgebouwen op dit plandeel als zodanig zijn bestemd.

Conclusie

2.31. In hetgeen [appellante sub 20] en [appellante sub 10] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 11]

2.32. [appellanten sub 11] betogen dat de planologische koppeling tussen de agrarische bouwvlakken ter plaatse van de percelen Het Sas 5 en Baarlesebaan (ongenummerd) moet worden verwijderd. Hiertoe voeren zij aan dat het perceel Baarlesebaan (ongenummerd) gezien de ligging ervan in een landbouwontwikkelingsgebied geschikt is voor de hervestiging van een agrarisch bedrijf dat genoodzaakt is te verplaatsen naar een landbouwontwikkelingsgebied. De koppeling tussen de bouwvlakken van beide percelen staat hieraan in de weg. Daarnaast voeren [appellanten sub 11] aan dat op het perceel Het Sas 5 nauwelijks ruimte is om het bedrijf uit te breiden, maar op het perceel Baarlesebaan (ongenummerd) wel. De koppeling tussen beide percelen staat echter aan een aanzienlijke uitbreiding, tot maximaal 1,5 ha, van het bouwvlak op het perceel Baarlesebaan (ongenummerd) in de weg. Voorts betogen zij dat de raad voorbij gaat aan de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2003, in zaak nr. 200105710/1, waarin volgens hen is overwogen dat onvoldoende duidelijk is dat sprake is van één bedrijf op beide percelen en dat een planologische koppeling gerechtvaardigd zou zijn.

2.32.1. Op het perceel Het Sas 5 is een kalvermesterij gevestigd. Op het perceel Baarlesebaan (ongenummerd) staan volgens het deskundigenbericht twee onvoltooide schuren, die voor opslag worden gebruikt.

Aan het perceel Het Sas 5 is de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduidingen "bedrijfswoning" en "intensieve veehouderij" toegekend. Aan de omringende gronden is de bestemming "Agrarisch" toegekend.

Aan het perceel Baarlesebaan (ongenummerd) is de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend. Aan de omringende gronden is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend.

Tussen beide percelen is de figuur "relatie" aangebracht.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover van belang, zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" tevens intensieve veehouderijen zijn toegestaan.

Ingevolge lid 4.2.1, onder a, van de planregels is per bestemmingsvlak bebouwing ten behoeve van niet meer dan één agrarisch bedrijf toegestaan. Indien tussen bestemmingsvlakken de aanduiding "relatie" is aangegeven worden deze bestemmingsvlakken aangemerkt als één bestemmingsvlak.

In artikel 3, lid 3.4.2, en artikel 5, lid 5.7.2, van de planregels, voor zover van belang, is voorzien in een wijzigingsbevoegdheid voor de vergroting van het bestemmingsvlak en/of bouwvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", waarvoor voor intensieve veehouderijen geldt dat vergroting uitsluitend is toegestaan voor die diercategorieën die ten tijde van de inwerkingtreding van het Reconstructieplan werd(en) gehouden, indien dit noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de door de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de daarop gebaseerde besluiten gestelde huisvestingseisen, waarbij de vergroting niet meer mag bedragen dan 15% van het bouwvlak.

2.32.2. Uit de koppeling tussen beide percelen op de verbeelding en het bepaalde in artikel 4, lid 4.2.1, onder a, van de planregels volgt dat de bestemmingsvlakken ter plaatse van perceel Het Sas 5 en het perceel Baarlesebaan (ongenummerd) als één bestemmingsvlak moeten worden aangemerkt.

2.32.3. In de door [appellanten sub 11] aangehaalde uitspraak van de Afdeling over het voorheen geldende plan "Buitengebied Alphen" is het beroep dat betrekking heeft op het perceel Het Sas 5 gegrond verklaard, omdat het college van gedeputeerde staten zich ter zitting ten aanzien van dit perceel op een ander standpunt had gesteld dan zij in het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied Alphen" had gedaan. Anders dan [appellanten sub 11] stellen, heeft in deze uitspraak geen inhoudelijke beoordeling van de planologische koppeling tussen het perceel Het Sas 5 en het perceel Baarlesebaan (ongenummerd) plaatsgevonden. Uit deze uitspraak kan daarom niet worden afgeleid dat een planologische koppeling tussen beide percelen niet gerechtvaardigd zou zijn.

2.32.4. Het verwijderen van de koppeling heeft tot gevolg dat een nieuw agrarisch bedrijf, waaronder een intensieve veehouderij, zich op het perceel Baarlesebaan (ongenummerd) kan vestigen. De raad heeft gesteld dat nieuwvestiging van een intensieve veehouderij in een landbouwontwikkelingsgebied een nadere afweging vereist gezien de ruimtelijke uitstraling van een dergelijk bedrijf. Medewerking aan de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij kan daarom niet zonder meer worden verleend. Niet is gebleken van een concreet voornemen voor nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf op het perceel, zodat niet kan worden beoordeeld of daaraan medewerking kan worden verleend. De raad wenst daarom geen gevolg te geven aan het verzoek van [appellanten sub 11] om de koppeling te verwijderen.

Dit standpunt van de raad acht de Afdeling niet onredelijk.

2.32.5. Ten aanzien van het betoog dat de koppeling aan een aanzienlijke uitbreiding van het bedrijf op het perceel Baarlesebaan (ongenummerd) in de weg staat, wordt overwogen dat in de planregels is voorzien in een wijzigingsbevoegdheid voor de uitbreiding van een intensieve veehouderij met 15% van het bouwvlak ten behoeve van het dierenwelzijn. Deze uitbreiding kan worden gerealiseerd op zowel het perceel Het Sas 5 als het perceel Baarlesebaan (ongenummerd). Met de koppeling tussen de percelen wordt voorkomen dat het bedrijf van [appellanten sub 11] meer uitbreidingsmogelijkheden zou krijgen dan de toegestane 15% van het bouwvlak. Voor het oordeel dat de raad redelijkerwijs ruimere uitbreidingsmogelijkheden voor hun bedrijf had moeten toekennen, ziet de Afdeling geen aanleiding.

2.32.6. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 11] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de planologische koppeling tussen de percelen Het Sas 5 en Baarlesebaan (ongenummerd) heeft kunnen handhaven in dit plan.

2.32.7. In hetgeen [appellanten sub 11] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 13]

2.33. [appellant sub 13], die een loon/transportbedrijf met een biogas-installatie exploiteert op het perceel [locatie 11] te Alphen, stelt dat in de tabel bij artikel 8 van de planregels een onjuiste omschrijving van zijn bedrijf is opgenomen. Naar aanleiding van de zienswijzen die met betrekking tot dit plandeel zijn ingediend, heeft de raad besloten in de tabel de omschrijving "Loon-, mechanisatie- en transportbedrijf en biogasinstallatie" op te nemen bij bovengenoemd adres. Dit is ten onrechte niet gebeurd, zo stelt [appellant sub 13].

Daarnaast stelt [appellant sub 13] dat in de desbetreffende tabel een onjuiste oppervlakte bedrijfsbebouwing voor zijn bedrijf is opgenomen. In de tabel is een oppervlakte genoemd van 5.900 m2. In de zienswijze is gemotiveerd aangegeven dat de oppervlakte van de bebouwing 8.140 m2 bedraagt. Volgens [appellant sub 13] is de raad hieraan ten onrechte voorbijgegaan.

2.33.1. Ingevolge artikel 1.2.3, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening is, indien na vaststelling van een bestemmingsplan de inhoud van het langs elektronische weg vastgelegde bestemmingsplan en die van de verbeelding daarvan op papier tot een verschillende uitleg aanleiding geeft, de eerstbedoelde inhoud beslissend.

Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, voor zover van belang, is artikel 1.2.3 niet van toepassing op bestemmingsplannen waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd vóór 1 januari 2010.

Ingevolge het tweede lid, voor zover van belang, is, indien de inhoud van plannen op papier, bedoeld in het eerste lid, en de inhoud van de verbeelding daarvan in elektronische vorm tot verschillende uitleg aanleiding geeft, in afwijking van artikel 1.2.3, tweede lid, de inhoud van de papieren vorm beslissend.

Nu de terinzagelegging van het ontwerp van het voorliggende plan vóór 1 januari 2010 heeft plaatsgevonden, is de papieren versie van het bestemmingsplan in dit geval beslissend.

2.33.2. Aan het perceel van [appellant sub 13] is, voor zover hier van belang, in de papieren versie van het vastgestelde bestemmingsplan de bestemming "Bedrijf (B)" met de nadere aanduiding "sb-12" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de papieren versie van de planregels zijn de desbetreffende gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor bedrijfsdoeleinden met bijbehorende voorzieningen zoals aangegeven in de 'Tabel Bedrijf'.

Ingevolge lid 8.2.1, onder b, mag de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak niet meer bedragen dan in de 'Tabel Bedrijf' is aangegeven.

In de 'Tabel Bedrijf' is ten aanzien van het perceel [locatie 11] vermeld: "Loon-, mechanisatie- en transportbedrijf en biogasinstallatie" met een oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 5.900 m2.

Uit het vorenstaande volgt dat de omschrijving van het bedrijf in de papieren versie van het plan is aangepast conform de beslissing van de raad.

Gelet hierop mist het beroep van [appellant sub 13] in zoverre feitelijke grondslag.

Het beroep is op dit punt ongegrond.

2.33.3. Wat betreft de maximaal toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 5.900 m2 overweegt de Afdeling dat deze oppervlakte gelijk is aan de maximaal toegestane oppervlakte die was opgenomen in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Alphen 2001".

De raad stelt zich blijkens het verhandelde ter zitting op het standpunt dat hij bij de planvaststelling ten onrechte is voorbijgegaan aan het verzoek van [appellant sub 13] om deze oppervlakte te verhogen. De raad heeft hierbij toegelicht dat de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing op het desbetreffende perceel inmiddels met vergunning is uitgebreid.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 13] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.33.4. Blijkens de bijlagen bij het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet langer in geschil dat in de 'Tabel Bedrijf' bij artikel 8 van de planregels - gelet op de vergunningen die inmiddels zijn verleend voor de uitbreiding van de bebouwing op het perceel - een maximaal toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 7.867 m2 had moeten worden opgenomen voor het perceel van [appellant sub 13]. Gelet hierop en nu niet aannemelijk is dat derden hierdoor in hun belangen worden geschaad, ziet de Afdeling in dit geval aanleiding om deze oppervlakte zelfvoorziend aan te passen met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 14]

2.34. [appellant sub 14], die een intensieve veehouderij exploiteert op het perceel [locatie 12] te Strijbeek en die tevens een tuinbouwbedrijf exploiteert, stelt dat in het plan ten onrechte geen agrarisch bouwvlak is opgenomen voor de agrarische gronden achter de woning en de loods op het perceel [locatie 13]. De Afdeling heeft reeds bij uitspraak van 12 juli 1999, in zaak nr. E01.97.0389, geoordeeld dat de gronden achter de woning op het perceel [locatie 13] moeten worden bestemd voor zijn tuinbouwbedrijf. Hieraan heeft de raad, ondanks vele verzoeken daartoe, nog steeds geen uitvoering gegeven, zo stelt [appellant sub 14].

Daarnaast biedt het plan volgens [appellant sub 14] ten onrechte niet de mogelijkheid om permanente teeltondersteunende voorzieningen (hierna: tov) te bouwen op de agrarische gronden achter de woning en de loods op het perceel [locatie 13]. [appellant sub 14] stelt dat op deze gronden al decennia lang een tuinbouwbedrijf met tov aanwezig is.

2.34.1. Aan het perceel [locatie 13] is in het plan de bestemming "Wonen" toegekend. Op dit perceel staan een woning en een loods van derden.

De agrarische gronden achter de woning en de loods zijn eigendom van [appellant sub 14]. Aan deze gronden is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (AW-L)" met de nadere aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - landschapsontwikkeling" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn deze gronden onder meer bestemd voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, waaronder tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen. In artikel 1 van de planregels is het begrip "overige (teelt)ondersteunende voorzieningen" gedefinieerd als "een permanente (teelt)ondersteunende voorziening c.q. een bouwwerk in de vorm van een hek met afrastering, met een hoogte van niet meer dan 2,5 m, op boomteeltpercelen waarmee dieren van die percelen geweerd kunnen worden".

Ingevolge artikel 5, lid 5.2.2, mogen op de desbetreffende gronden geen gebouwen worden gebouwd.

Het plan voorziet aldus niet in een agrarisch bouwvlak voor de in geding zijnde agrarische gronden van [appellant sub 14]. Evenmin biedt het plan de mogelijkheid om op deze gronden permanente tov, anders dan een voorziening of bouwwerk in de vorm van een hek met afrastering op boomteeltpercelen, te bouwen.

2.34.2. In het door de raad van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken op 24 juni 1980 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied" was aan het huidige perceel [locatie 13] en aan de daarachter gelegen agrarische gronden de bestemming "Primair agrarisch gebied" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid A, van de voorschriften van dat plan, voor zover hier van belang, mochten op de desbetreffende gronden bouwwerken, geen woningen zijnde, worden gebouwd ten behoeve van een bestaand agrarisch of een nieuw te vestigen volwaardig agrarisch bedrijf.

In het door de raad van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken op 23 december 1996 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 1996" is een woonbestemming toegekend aan de woning en de loods op het perceel [locatie 13]. Aan de agrarische gronden achter de woning en de loods is in dat plan de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend, zonder een agrarisch bouwvlak.

[appellant sub 14] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 3 juli 1997 tot goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied 1996", voor zover in dat plan een woonbestemming is toegekend aan de woning en de loods op het perceel [locatie 13]. De Afdeling heeft dat beroep bij uitspraak van 12 juli 1999, in zaak nr. E01.97.0389, gegrond verklaard, het besluit tot goedkeuring in zoverre vernietigd en goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden".

2.34.3. De Afdeling heeft in de evengenoemde uitspraak van 12 juli 1999 het volgende overwogen ten aanzien van het beroep van [appellant sub 14]:

"2.6 Het beroep van appellanten sub 2 is gericht tegen de bestemming "Woondoeleinden" voor het perceel [locatie 13]. Zij wensen een "Agrarisch bouwblok" voor dit perceel ten einde een tuinbouwloods te kunnen realiseren.

Ter ondersteuning van hun bezwaren voeren appellanten aan dat op het perceel [locatie 13] daadwerkelijk een vollegrondstuinbouwbedrijf wordt uitgeoefend en dat er op naam van [appellant sub 14] een milieuvergunning aanwezig is voor een vollegrondstuinbouwbedrijf op dat adres. Voorts wordt hiermee de kans op ziekte-insleep voor de varkenshouderij op [locatie 12] teruggebracht. Verder wijzen appellanten erop dat [appellant sub 14] reeds voor een deel de eigendom heeft van het perceel [locatie 13].

2.6.1. Uit de stukken blijkt dat [appellant sub 14] aan de [locatie 12] een varkensbedrijf exploiteert. Zijn "Agrarisch bouwblok" heeft een omvang van 1.3 ha. Daarnaast heeft [appellant sub 14] nog een tuinbouwbedrijf van 10 ha, waarvan de gronden verspreid liggen. De activiteiten betreffen met name de teelt van asperges en aardbeien. Het tuinbouwbedrijf wordt hoofdzakelijk uitgevoerd vanaf het perceel [locatie 13]. Daar bevindt zich de woning van [belanghebbende], de vader van [appellant sub 14], en een loods met een oppervlakte van circa 200 m2. Dit perceel heeft de bestemming "Woondoeleinden" gekregen.

2.6.2. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de uiterlijke kenmerken van de woning, recht is gedaan aan de bestaande situatie door een burgerwoonbestemming op de woning met loods te leggen. Zij zijn verder van mening dat het gebruik van de loods door [appellant sub 14] hieraan niet afdoet. De milieuvergunning heeft betrekking op het bedrijf aan de [locatie 12], aldus verweerders.

2.6.3. De Afdeling overweegt dat, gelet op de stukken, het standpunt van verweerders dat de uiterlijke kenmerken in aanmerking genomen de woning aan de [locatie 13] als een burgerwoning kan worden gezien, niet onjuist is. Onbestreden is dat de bijbehorende loods voor de tuinbouwactiviteiten van [appellant sub 14] wordt gebruikt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de milieuvergunning, anders dan verweerders in hun bestreden besluit hebben aangenomen, betrekking heeft op het perceel [locatie 13].

Voorts is ter zitting van de zijde van de gemeente Alphen-Chaam naar voren gebracht dat er geen bezwaar tegen bestaat aan het perceel [locatie 13], naast de bestemming "Woondoeleinden" voor de woning van [belanghebbende], een agrarisch bouwblok toe te kennen. Wel dient dit bouwblok gekoppeld te worden met het bouwblok op het perceel [locatie 12] en mag de totale omvang van deze bouwblokken niet meer bedragen dan 1,5 ha. Verweerders hebben tegen deze oplossing geen bezwaar.

In aanmerking genomen dat verweerders in het bestreden besluit er ten onrechte vanuit zijn gegaan dat de milieuvergunning was afgegeven voor het bedrijf aan de [locatie 12] en dat verweerders thans kunnen instemmen met een gedeeltelijk andere bestemming voor het perceel [locatie 13], is de Afdeling van oordeel dat verweerders bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende kennis hebben vergaard omtrent de af te wegen belangen. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" zich niet verdraagt met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van appellanten sub 2 is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. Voorts ziet de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, aanleiding op de hieronder aangegeven wijze in de zaak te voorzien."

2.34.4. Uit het vorenstaande blijkt dat de uitspraak van 12 juli 1999 uitsluitend betrekking heeft op de woonbestemming die was toegekend aan de woning en de loods op het perceel [locatie 13]. Uit de uitspraak volgt dat voor de loods - die op dat moment eigendom was van de vader van [appellant sub 14] en die door [appellant sub 14] werd gebruikt voor zijn tuinbouwbedrijf - een, aan het perceel [locatie 12] gekoppeld, agrarisch bouwvlak in het plan kan worden opgenomen. De stelling van [appellant sub 14] dat de raad in zoverre ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak behoeft in de voorliggende procedure echter geen bespreking. Uit het beroepschrift van [appellant sub 14], zoals nader toegelicht ter zitting, blijkt immers dat de desbetreffende loods inmiddels met de woning is verkocht aan derden en dat [appellant sub 14] het gebruik van die loods voor zijn tuinbouwbedrijf heeft beëindigd. Het nu voorliggende beroep van [appellant sub 14] ziet dan ook niet op het perceel dat aan de orde was in de uitspraak van 12 juli 1999, maar heeft betrekking op de daarachter gelegen agrarische gronden. [appellant sub 14] kan reeds hierom niet worden gevolgd in zijn betoog dat de raad, gelet op de voornoemde uitspraak, voor de in het geding zijnde agrarische gronden een bouwvlak in het plan had moeten opnemen.

In hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling ook overigens geen grond voor het oordeel dat de raad dit had moeten doen.

De raad heeft in dit verband overwogen dat het beleid er inmiddels al geruime tijd op is gericht om geen nieuwe gekoppelde agrarische bouwvlakken in het desbetreffende gebied toe te staan. De raad heeft verder van belang geacht dat [appellant sub 14] reeds een agrarisch bouwvlak heeft op het nabijgelegen perceel [locatie 12], waar hij een tweetal loodsen in gebruik heeft voor zijn tuinbouwbedrijf en waar nog ruimte bestaat voor uitbreiding. Gelet hierop stelt de raad zich op het standpunt dat in dit geval geen aanleiding bestaat om van het ter zake geldende beleid af te wijken.

[appellant sub 14] heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de raad dit standpunt niet in redelijkheid had mogen innemen. De verwijzing naar de voorgeschiedenis leidt, zoals reeds blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, niet tot die conclusie.

Gelet op het vorenstaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen agrarisch bouwvlak voor de agrarische gronden van [appellant sub 14] in het plan op te nemen.

2.34.5. De Afdeling overweegt verder dat uit het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellant sub 14] de agrarische gronden achter de woning en de loods ook thans nog in gebruik heeft voor de teelt van aardbeien. Die teelt vindt plaats in niet-permanente tov, hetgeen is toegestaan op grond van het plan zoals dat is vastgesteld. [appellant sub 14] wil permanente tov op de desbetreffende gronden kunnen bouwen.

De raad stelt zich op het standpunt dat het toestaan van dergelijke voorzieningen, gelet op het ter zake geldende beleid, niet wenselijk is.

Hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat de raad dit standpunt niet in redelijkheid heeft kunnen innemen. De Afdeling acht daarbij van belang dat [appellant sub 14] niet aannemelijk heeft gemaakt dat permanente tov noodzakelijk zijn voor zijn bedrijfsvoering.

2.34.6. In hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door [appellant sub 14] bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 15]

2.35. [appellant sub 15], die als nevenactiviteit bij zijn agrarische bedrijf een hondenpension exploiteert op het perceel [locatie 14] te Chaam, stelt dat in het plan ten onrechte slechts een bebouwingsoppervlak van 250 m2 is toegestaan voor zijn hondenpension.

2.35.1. Aan het bovengenoemde perceel is, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf (A-B)" met de nadere aanduiding "sa-8" toegekend. Het bestemmingsvlak is tevens het bouwvlak.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, alsmede voor overige aan de agrarische bedrijfsactiviteiten ondergeschikte nevenactiviteiten, zoals opgenomen in de 'Tabel Agrarisch'.

Ingevolge lid 4.2.1, aanhef en onder g, mogen gebouwen ten behoeve van nevenactiviteiten, zoals aangegeven in de 'Tabel Agrarisch', worden gebouwd/gebruikt tot de in de 'Tabel Agrarisch' opgenomen oppervlakte bedrijfsgebouwen.

In de 'Tabel Agrarisch' is ten aanzien van het perceel [locatie 14] vermeld: "Hondenpension" met een oppervlakte aan bebouwing van 250 m2.

2.35.2. Blijkens de zienswijzennota en het verweerschrift heeft de raad bij de vaststelling van het plan het uitgangspunt gehanteerd dat nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf - indien wordt voldaan aan de voorwaarden om deze activiteiten als zodanig te bestemmen - in het plan worden toegestaan conform de feitelijk bestaande omvang.

Volgens [appellant sub 15] had de raad, in afwijking van dit uitgangspunt, voor het hondenpension op zijn perceel een groter oppervlak in het plan moeten opnemen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij bij brief van 9 februari 2007 aan het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam heeft gevraagd in het plan een bebouwingsoppervlak van 400 m2 op te nemen en dat het college bij brief van 13 februari 2007 heeft aangegeven ter zake een afweging te zullen maken bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan. Volgens [appellant sub 15] had het dan ook op de weg van de raad gelegen om bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan te bezien of de feitelijk bestaande bebouwing voor het hondenpension kan worden uitgebreid.

2.35.3. De Afdeling onderschrijft dit betoog van [appellant sub 15] niet. Hiertoe is van belang dat [appellant sub 15] in zijn brief van 9 februari 2007 heeft aangegeven dat hij voor het dierenpension een bebouwingsoppervlak van ongeveer 240 m2 in gebruik heeft. Weliswaar heeft hij daarbij de wens uitgesproken dat dit oppervlak in het plan wordt uitgebreid tot 400 m2, maar hij heeft deze wens niet onderbouwd met een concreet bouwplan. [appellant sub 15] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de raad anderszins op de hoogte heeft gesteld van een concreet plan om de bebouwing voor zijn hondenpension uit te breiden.

Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen afgaan op het feitelijk bestaande bebouwingsoppervlak voor het hondenpension dat [appellant sub 15] in zijn brief van 9 februari 2007 heeft vermeld. Daarbij heeft de raad tevens in aanmerking kunnen nemen dat in artikel 4.5.1 van de planregels een ontheffingsregeling is opgenomen, waarmee het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak voor nevenactiviteiten kan worden uitgebreid.

2.35.4. In hetgeen [appellant sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 16]

2.36. [appellant sub 16], die woont aan de [locatie 15] te Alphen, stelt dat in het plan een te groot bouwvlak is opgenomen voor het tegenover zijn woning gelegen perceel Kwaalburg 13. Volgens [appellant sub 16] is de omvang van dit bouwvlak ten onrechte niet afgestemd op het feitelijke agrarische gebruik. Hij vreest voor een aantasting van zijn uitzicht, aangezien het plan nieuwe bebouwing mogelijk maakt binnen het bouwvlak.

2.36.1. Aan het perceel Kwaalburg 13 is in het plan, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf (A-B)" toegekend.

Het bestemmingsvlak is tevens het bouwvlak.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf.

2.36.2. Wat betreft de omvang van het bouwvlak voor het perceel Kwaalburg 13 heeft de raad gesteld dat bestaande rechten blijven bestaan en dat het desbetreffende bouwvlak gehandhaafd dient te blijven zoals het op de verbeelding is opgenomen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de omvang van dit bouwvlak is afgestemd op de uitoefening van een melkrundveehouderijbedrijf. De raad heeft daarbij aangegeven dat hij ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet op de hoogte was van concrete plannen van de eigenaar van het perceel om het bedrijf af te bouwen. De raad stelt zich dan ook op het standpunt dat er geen aanleiding bestond om het bestaande bouwvlak bij de planvaststelling te verkleinen.

Hetgeen [appellant sub 16] naar voren heeft gebracht, leidt niet tot het oordeel dat de raad dit standpunt niet in redelijkheid heeft kunnen innemen.

Overigens is ter zitting gebleken dat [appellant sub 16] inmiddels overeenstemming heeft bereikt met de eigenaar van het perceel over een verkleining van het bouwvlak en dat de raad bereid is het bestemmingsplan op dit punt te herzien.

2.36.3. In hetgeen [appellant sub 16] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is, wat betreft dit onderdeel, ongegrond.

2.37. [appellant sub 16] heeft tevens aangevoerd dat aan het gebied ten zuiden van de Kwaalburg, tegenover zijn woning, ten onrechte niet de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (AW-L)" is toegekend, gelet op de ter plaatse voorkomende landschappelijke waarden. Daarbij wijst hij onder meer op de toegenomen recreatieve functie van het buitengebied.

2.37.1. Aan het gebied ten zuiden van de Kwaalburg, ten zuidoosten van de woning van [appellant sub 16], is in het plan, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch (A)" toegekend.

2.37.2. De raad stelt zich op het standpunt dat hij in redelijkheid een agrarische bestemming aan het desbetreffende gebied heeft kunnen toekennen. Daarbij acht de raad van belang dat dit gebied in het reconstructieplan "De Baronie" niet is aangeduid als Regionale Natuur- en Landschapseenheid (RNLE) waar het beleid is gericht op het handhaven van een groen en landelijk gebied.

Hetgeen [appellant sub 16] naar voren heeft gebracht, leidt niet tot het oordeel dat de raad het hiervoor weergegeven standpunt niet in redelijkheid heeft kunnen innemen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in het desbetreffende gebied geen bijzondere waarden voorkomen. Verder is hierbij van belang dat het [appellant sub 16], zo blijkt uit het in zoverre onweersproken deskundigenbericht, met name is te doen om het behoud van de agrarische openheid van het gebied, maar dat hij geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" meer garanties biedt voor het behoud van die openheid dan de bestemming "Agrarisch".

2.37.3. In hetgeen [appellant sub 16] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ook in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 17]

2.38. [appellanten sub 17] hebben hun beroepsgrond dat ten onrechte de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden 2" aan het perceel [locatie 16] te Galder is toegekend, ter zitting ingetrokken.

2.38.1. [appellanten sub 17] betogen dat hun recreatiewoning, drie caravans en een schuilhut op het perceel [locatie 16] te Galder ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. Hiertoe voeren zij aan dat zij deze gebouwen sinds 1986 voor woondoeleinden in gebruik hebben. Ten aanzien van de recreatiewoning voeren zij voorts aan dat het gemeentebestuur hen bij brief van 26 januari 1986 heeft bericht dat de overgangsbepalingen van het voorheen geldende plan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken van toepassing zijn op de legale recreatiewoning. Daarnaast is volgens [appellanten sub 17] op 5 april 1946 een bouwvergunning verleend voor de recreatiewoning. Uit de brief van het gemeentebestuur en de bouwvergunning leiden [appellanten sub 17] af dat de recreatiewoning legaal tot stand is gekomen. De recreatiewoning moet volgens hen daarom als zodanig worden bestemd in het plan, zodat de recreatiewoning kan worden vernieuwd. Het standpunt van de raad dat de recreatiewoning onder het bouwovergangsrecht valt, achten [appellanten sub 17] onjuist.

2.38.2. Op het perceel [locatie 16] zijn een recreatiewoning, drie caravans en een schuilhut aanwezig. Aan het perceel zijn de bestemmingen "Bos" en "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden 1" toegekend. De bij deze bestemmingen behorende planregels staan deze gebouwen niet toe, noch het gebruik ervan voor woondoeleinden.

2.38.3. De raad is bij de vaststelling van het plan ervan uitgegaan dat de bouwvergunning van 5 april 1946, die [appellanten sub 17] hebben overgelegd, niet is verleend voor één van de opstallen op het perceel [locatie 16]. Ter zitting hebben de raad en [appellanten sub 17] de bouwvergunning bezien. Daarbij is bij de raad verwarring ontstaan over de vragen of deze bouwvergunning terecht buiten beschouwing is gelaten bij de vaststelling van het plan en welke gevolgen moeten worden verbonden aan deze bouwvergunning voor de bestemming van het perceel. Gelet op deze onduidelijkheid ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Bos" en "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden 1" van het perceel [locatie 16] niet met de vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld. Het betoog slaagt.

2.38.4. In hetgeen [appellanten sub 17] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Bos" en "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden 1" ter plaatse van het perceel [locatie 16] is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellanten sub 17] geen bespreking meer.

Het beroep van [appellant sub 19]

2.39. [appellant sub 19], eigenaar van de woning aan de [locatie 17] te Ulvenhout, stelt dat in het plan ten onrechte een agrarische bestemming, gericht op de bescherming van kwetsbare soorten, is toegekend aan een deel van het woonperceel. [appellant sub 19] stelt dat het plan op dit punt is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan, zonder dat dit is gemotiveerd en zonder dat hieraan enig onderzoek ten grondslag ligt waaruit blijkt dat er daadwerkelijk kwetsbare soorten voorkomen op de desbetreffende gronden.

2.39.1. Aan een deel van het woonperceel van [appellant sub 19] is in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden 1 (AW-LN1)" met de nadere aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - kwetsbare soort(en)" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor agrarische doeleinden, voor extensief recreatief medegebruik en voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden in het algemeen en in het bijzonder voor kwetsbare soort(en).

2.39.2. Blijkens de zienswijzennota is het plan op dit punt gewijzigd vastgesteld naar aanleiding van zienswijzen die zijn ingediend door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant. Het college heeft in die zienswijzen onder meer aangegeven dat aan diverse locaties, waaronder aan het perceel [locatie 17], een te omvangrijke woonbestemming is toegekend. In de zienswijzennota is gesteld dat de door het college genoemde locaties nader zijn onderzocht en dat daarbij het uitgangspunt is gehanteerd dat, wanneer feitelijk sprake is van een gebruik dat hoort bij een woning (tuin, paardenbak e.d.), aan de desbetreffende gronden een woonbestemming is toegekend. Blijkens de zienswijzennota is op basis hiervan geconstateerd dat het bestemmingsvlak van de woonbestemming voor het perceel [locatie 17] te groot is.

2.39.3. Uit het deskundigenbericht en de daarbij behorende bijlagen blijkt dat de in het geding zijnde gronden door [appellant sub 19] weliswaar worden beschouwd als tuin, maar dat deze gronden nagenoeg geheel bestaan uit grasland zonder bouwwerken of verhardingen.

Aan de desbetreffende gronden was in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1996" van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken de bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarden" toegekend. Deze bestemming was eveneens mede gericht op het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de aanwezige natuurwaarden.

[appellant sub 19] heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het bestemmingsplan, zoals dat bij het bestreden besluit is vastgesteld, ten opzichte van het vorige plan leidt tot een beperking van zijn gebruiksmogelijkheden.

De Afdeling overweegt verder dat aan een groot aantal percelen in de directe omgeving van de gronden van [appellant sub 19] eveneens een bestemming is toegekend die is gericht op het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van natuurwaarden en kwetsbare soort(en). De raad heeft ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat het plan in zoverre is afgestemd op provinciaal beleid en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken met betrekking tot de aanwezigheid van natuurwaarden en kwetsbare soorten in het desbetreffende gebied.

Gelet op het vorenstaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om het plan in zoverre gewijzigd vast te stellen.

2.39.4. In hetgeen [appellant sub 19] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door [appellant sub 19] bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 21]

2.40. [appellant sub 21], die een varkenshouderij exploiteert op het perceel [locatie 18] te Alphen, stelt dat zijn perceel, wat betreft het gekoppelde bouwvlak aan de overzijde van de weg, in het plan ten onrechte niet mede is bestemd voor de nevenactiviteit "stalling machines en aanhangers". Hij heeft aangevoerd dat hij reeds vanaf 1986 een transportbedrijf exploiteert als kleinschalige nevenactiviteit, waarbij hij zijn eigen truck met drie opleggers tevens gebruikt voor transport voor derden. Dit gebruik, waarvan de gemeente reeds jarenlang op de hoogte is, was toegestaan op grond van het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan en is ten onrechte voor de tweede keer onder het overgangsrecht gebracht, zo stelt [appellant sub 21]. Volgens [appellant sub 21] bestaat er uit ruimtelijk oogpunt geen bezwaar tegen het verrichten van deze nevenactiviteiten, aangezien het geen verschil maakt of hij zijn truck inzet voor eigen gebruik dan wel voor derden. Verder acht hij het bestreden besluit op dit punt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aangezien langdurig bestaand gebruik in andere gevallen wel als zodanig is bestemd. [appellant sub 21] wijst in dit verband op het perceel Boshoven 8 te Alphen.

2.40.1. Aan het perceel [locatie 18] en aan het daaraan gekoppelde bestemmingsvlak aan de overzijde van de weg is in het plan de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf (A-B)" met de nadere aanduiding 'intensieve veehouderij' toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' tevens intensieve veehouderijen zijn toegestaan.

Het plan voorziet, wat betreft de percelen van [appellant sub 21], niet in een bestemmingsregeling voor de door hem verrichte nevenactiviteiten.

Ingevolge artikel 4, lid 4.5.1, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 4.1, onder a, voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten, onder de nader gestelde voorwaarden. Daarbij is onder meer bepaald dat voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten geldt dat semi-agrarische bedrijven tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 400 m2 zijn toegestaan als functie bij het agrarische bedrijf.

2.40.2. De raad stelt dat het uitoefenen van een transportbedrijf waarvoor machines, autobanden en aanhangers worden opgeslagen geen vorm van semi-agrarische bedrijfsactiviteiten betreft. Dit betekent dat voor de desbetreffende nevenactiviteiten geen ontheffing kan worden verleend.

Gelet hierop zijn deze activiteiten in het plan niet als zodanig bestemd, aldus de raad.

2.40.3. Niet in geschil is dat de door [appellant sub 21] verrichte nevenactiviteiten niet als zodanig waren bestemd in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Alphen 2001". [appellant sub 21] heeft voorts niet aangetoond dat deze nevenactiviteiten werden beschermd door het overgangsrecht van het voorheen geldende plan. Dit betekent dat het in planologisch opzicht gaat om nieuwe activiteiten.

Blijkens de zienswijzennota en het verhandelde ter zitting heeft de raad bij de vaststelling van het plan het uitgangspunt gehanteerd dat nieuwe nevenactiviteiten bij een bestaand bedrijf uitsluitend als zodanig worden bestemd indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een ontheffing voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten, als bedoeld in artikel 4.5.1 van de planregels. In hetgeen [appellant sub 21] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit uitgangspunt onredelijk is. Daarbij is van belang dat, indien het in een bepaald geval gaat om een illegale situatie die al meer dan tien jaar bestaat zonder dat daartegen handhavend is opgetreden, dit er niet toe leidt dat het bestaande gebruik in een nieuw bestemmingsplan zonder meer als zodanig dient te worden bestemd.

De raad stelt zich blijkens de zienswijzennota en het verhandelde ter zitting op het standpunt dat [appellant sub 21] niet voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit heeft aangetoond dat wat betreft de door hem verrichte nevenactiviteiten wordt voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een ontheffing, als bedoeld in artikel 4.5.1 van de planregels.

Hetgeen [appellant sub 21] naar voren heeft gebracht, leidt niet tot het oordeel dat de raad dit standpunt niet in redelijkheid heeft kunnen innemen.

De Afdeling ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om niet tegemoet te komen aan de wens van [appellant sub 21] om de door hem verrichte nevenactiviteiten in het plan als zodanig te bestemmen.

2.40.4. Met betrekking tot de bestemmingsregeling die in het plan is opgenomen voor het perceel Boshoven 8 heeft de raad onweersproken gesteld dat - zoals is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2003, in zaak nr. 200105710/1 - het college van burgemeester en wethouders al in 1998 heeft besloten niet handhavend te zullen optreden tegen de activiteiten die ter plaatse worden verricht. Verder blijkt uit het deskundigenbericht, voor zover dat is uitgebracht met betrekking tot het beroep van [appellante sub 24], dat het wat betreft het perceel Boshoven 8 gaat om een voormalige agrarische bedrijfslocatie waar geen agrarische bedrijfsactiviteiten meer worden verricht. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat geen sprake is van een situatie die gelijk te stellen is aan die van [appellant sub 21].

Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

2.40.5. In hetgeen [appellant sub 21] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door [appellant sub 21] bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 22]

2.41. [appellant sub 22], die een paardenhouderij annex manege exploiteert op het perceel [locatie 19] te Alphen, stelt dat zijn perceel in het plan ten onrechte is opgenomen in één bestemmingsvlak met het perceel [locatie 20]. Dit perceel heeft een andere eigenaar. Volgens [appellant sub 22] moet voor zijn perceel een afzonderlijke bestemming in het plan worden opgenomen die, naast het uitoefenen van een paardenhouderij, ook activiteiten mogelijk maakt die vallen onder de bestemming "Sport - Manege". Hij stelt daartoe dat op het perceel reeds jarenlang, met toestemming van de gemeente, manege-activiteiten plaatsvinden. Subsidiair stelt [appellant sub 22] dat in de tabel bij artikel 8 van de planregels ten onrechte alleen het perceel [locatie 20] is vermeld, in plaats van het perceel [locatie 20]/[locatie 19].

2.41.1. Het perceel [locatie 20]/[locatie 19] betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Aan dit perceel is in het plan, voor zover hier van belang, de bestemming "Bedrijf (B)" met de nadere aanduiding "sb-15" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels bezien in samenhang met de bij artikel 8 behorende 'Tabel Bedrijf', zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor bedrijfsdoeleinden met bijbehorende voorzieningen ten behoeve van een paardenhouderij en hondenhouderij, met een oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 2.000 m2.

In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Alphen 2001" was aan dit perceel, voor zover hier van belang, eveneens de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" toegekend, met de nadere aanduiding "paardenhouderij/hondenhouderij".

Uit het deskundigenbericht blijkt dat de bedrijfswoning behorende bij het voormalige agrarische complex en één van de bijgebouwen in eigendom zijn van een derde. De overige bedrijfsgebouwen zijn eigendom van [appellant sub 22].

2.41.2. De raad stelt zich op het standpunt dat het splitsen van het bestaande bestemmingsvlak niet wenselijk is omdat dit zou neerkomen op de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied. Dit is volgens de raad in strijd met het ter zake geldende beleid.

In hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad op dit punt niet aan zijn beleid heeft mogen vasthouden. Het feit dat [appellant sub 22] destijds slechts een deel van het voormalige agrarische complex heeft aangekocht, neemt niet weg dat in planologisch opzicht sprake is van één bedrijfsperceel.

[appellant sub 22] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het plan, voor zover door hem bestreden, in de weg staat aan de door hem gewenste vervanging van de bebouwing voor zijn paardenhouderij annex manege. Overigens is ter zitting gebleken dat de hondenhouderij op het perceel [locatie 20] is beëindigd en dat het desbetreffende perceel inmiddels te koop staat.

Hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd, leidt evenmin tot het oordeel dat de enkele vermelding van het adres [locatie 20] bij de aanduiding "sb-15" in de 'Tabel Bedrijf' leidt tot rechtsonzekerheid. De Afdeling overweegt daartoe dat de desbetreffende tabel dient te worden bezien in samenhang met de verbeelding en dat op de verbeelding één bestemmingsvlak is opgenomen voor de percelen [locatie 20] en [locatie 19], waarbij aan het gehele bestemmingsvlak de aanduiding "sb-15" is toegekend.

2.41.3. De raad stelt zich verder op het standpunt dat met de bedrijfsvorm paardenhouderij, zoals opgenomen in de 'Tabel Bedrijf', alle vormen van de paardenhouderij kunnen worden uitgeoefend, aangezien het begrip paardenhouderij in de desbetreffende planregels niet nader is ingevuld. Volgens de raad heeft dit tot gevolg dat ter plaatse ook manegeactiviteiten zijn toegestaan. Het toekennen van de bestemming "Sport - Manege" zou dan ook niet leiden tot ruimere gebruiksmogelijkheden, aldus de raad.

Hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd, leidt niet tot de conclusie dat dit standpunt van de raad onjuist is. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de bestaande bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 22] in het plan niet als zodanig zijn bestemd.

2.41.4. In hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 23]

2.42. [appellant sub 23], die een varkenshouderij exploiteert op het perceel [locatie 21] te Alphen, stelt dat in het plan een te klein bouwvlak voor zijn perceel is opgenomen. Hij wil een uitbreiding van het bouwvlak in oostelijke richting ten behoeve van de bouw van nieuwe stalruimte en een nieuwe loods. Hij stelt dat deze uitbreiding, waarvoor hij al in 2008 een concreet verzoek heeft gedaan bij de gemeente, onder meer noodzakelijk is in verband met de vanaf 1 januari 2013 geldende wet- en regelgeving op het gebied van dierenwelzijn. Het vervangen van de bestaande stallen binnen het bestaande bouwvlak is volgens [appellant sub 23] bedrijfseconomisch niet mogelijk. Hij stelt daarbij dat de gevraagde uitbreiding past binnen het reconstructiebeleid, aangezien bouwvlakken in een verwevingsgebied op een duurzame locatie mogen worden uitgebreid tot 1,5 hectare. Verder acht hij het bestreden besluit op dit punt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat het bouwvlak voor het perceel Boshoven 25 te Alphen wel is vergroot.

2.42.1. Aan het perceel [locatie 21] is in het plan de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf (A-B)" met de nadere aanduidingen "sa-1", "bedrijfswoning" en "intensieve veehouderij" toegekend.

Het bestemmingsvlak is tevens het bouwvlak. Het perceel ligt binnen een op de planverbeeldingen aangegeven "reconstructiewetzone-verwevingsgebied".

2.42.2. Uit het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bouwvlak een omvang heeft van ongeveer 1 hectare.

De raad stelt zich blijkens de zienswijzennota en het verhandelde ter zitting op het standpunt dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet behoefde te worden voorzien in een uitbreiding van dit bouwvlak, omdat de bestaande stallen niet meer voldoen aan de eisen van de huidige tijd.

De raad acht het dan ook zeer waarschijnlijk dat vervangende nieuwbouw noodzakelijk is. Uit een oogpunt van zuinig ruimtegebruik dient eerst te worden overgegaan tot sloop en herbouw van de bestaande stallen.

De nieuwe stallen kunnen vervolgens zodanig op het perceel worden gesitueerd, dat een vergroting van het staloppervlak en de bouw van een nieuwe loods mogelijk zijn binnen het huidige bouwvlak. Dit verdient de voorkeur boven een uitbreiding van het bouwvlak, aldus de raad.

2.42.3. Het standpunt van de raad dat de bestaande stallen zodanig zijn verouderd dat vervangende nieuwbouw noodzakelijk is, is niet onderbouwd aan de hand van concrete feiten of omstandigheden. Verder heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom hij zich op het standpunt stelt dat bij de sloop en herbouw van de stallen binnen het bestaande bouwvlak voldoende ruimte aanwezig is voor de door [appellant sub 23] gevraagde vergroting van het staloppervlak en de bouw van een nieuwe loods.

In hetgeen [appellant sub 23] heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wat dit plandeel betreft wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.42.4. Nu ook uit het overwogene onder 2.18.7 volgt dat het door [appellant sub 23] bestreden plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de nadere aanduidingen "sa-1", "bedrijfswoning" en "intensieve veehouderij" ter plaatse van het perceel [locatie 21] dient te worden vernietigd, zal de vernietiging van het door [appellant sub 23] bestreden plandeel niet separaat worden vermeld in de beslissing bij deze uitspraak.

Het beroep van [appellante sub 24]

2.43. [appellante sub 24], die een agrarisch bedrijf exploiteert op het perceel [locatie 22] te Alphen, stelt dat de nevenactiviteiten die op haar perceel worden verricht in het plan ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. Het gaat om las- en metaalbewerkingsactiviteiten die volgens haar al meer dan 15 jaar met medeweten van de gemeente op het perceel plaatsvinden. Dit gebruik was toegestaan op grond van het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan en is ten onrechte voor de tweede keer onder het overgangsrecht gebracht, zo stelt zij. [appellante sub 24] acht het bestreden besluit op dit punt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aangezien bestaande nevenactiviteiten in andere gevallen wel als zodanig zijn bestemd, terwijl daar evenmin sprake is van semi-agrarische activiteiten. Zij wijst hierbij op de percelen Boshoven 8 te Alphen en Boslust 15a.

2.43.1. Aan het perceel [locatie 22] is, voor zover hier van belang, in het plan de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf (A-B)" met de nadere aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' tevens intensieve veehouderijen zijn toegestaan.

Het plan voorziet, wat betreft het perceel van [appellante sub 24], niet in een bestemmingsregeling voor de door haar verrichte nevenactiviteiten.

Ingevolge artikel 4, lid 4.5.1, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 4.1, onder a, voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten, onder de nader gestelde voorwaarden. Daarbij is onder meer bepaald dat voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten geldt dat semi-agrarische bedrijven tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 400 m2 zijn toegestaan als functie bij het agrarische bedrijf.

2.43.2. De raad stelt dat het uitoefenen van las- en metaalbewerkingsactiviteiten geen vorm van semi-agrarische bedrijfsactiviteiten betreft. Dit betekent dat voor de desbetreffende nevenactiviteiten geen ontheffing kan worden verleend. Gelet hierop zijn deze activiteiten in het plan niet als zodanig bestemd, aldus de raad.

2.43.3. Niet in geschil is dat de door [appellante sub 24] verrichte nevenactiviteiten niet als zodanig waren bestemd in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Alphen 2001". [appellante sub 24] heeft voorts niet aangetoond dat deze nevenactiviteiten werden beschermd door het overgangsrecht van het voorheen geldende plan. Dit betekent dat het in planologisch opzicht gaat om nieuwe activiteiten.

Blijkens de zienswijzennota en het verhandelde ter zitting heeft de raad bij de vaststelling van het plan het uitgangspunt gehanteerd dat nieuwe nevenactiviteiten bij een bestaand bedrijf uitsluitend als zodanig worden bestemd indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een ontheffing voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten, als bedoeld in artikel 4.5.1 van de planregels. Hetgeen [appellante sub 24] heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat dit uitgangspunt onredelijk is. Daarbij is van belang dat, indien het in een bepaald geval gaat om een illegale situatie die al meer dan tien jaar bestaat zonder dat daartegen handhavend is opgetreden, dit er niet toe leidt dat het bestaande gebruik in een nieuw bestemmingsplan zonder meer als zodanig dient te worden bestemd.

De raad stelt zich blijkens de zienswijzennota en het verhandelde ter zitting op het standpunt dat [appellante sub 24] niet voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit heeft aangetoond dat wat betreft de door haar verrichte nevenactiviteiten wordt voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een ontheffing, als bedoeld in artikel 4.5.1 van de planregels. Hetgeen [appellante sub 24] naar voren heeft gebracht, leidt niet tot het oordeel dat de raad dit standpunt niet in redelijkheid heeft kunnen innemen. De Afdeling ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om niet tegemoet te komen aan de wens van [appellante sub 24] om de door haar verrichte nevenactiviteiten in het plan als zodanig te bestemmen.

2.43.4. Met betrekking tot de stelling van [appellante sub 24] dat de bestaande activiteiten op de percelen Boshoven 8 en Boslust 15a wel als zodanig zijn bestemd, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft onweersproken gesteld dat - zoals is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2003 in zaak nr. 200105710/1 - het college van burgemeester en wethouders al in 1998 heeft besloten niet handhavend te zullen optreden tegen de activiteiten die worden verricht op het perceel Boshoven 8. Verder blijkt uit het deskundigenbericht dat het wat betreft het perceel Boshoven 8 gaat om een voormalige agrarische bedrijfslocatie waar geen agrarische bedrijfsactiviteiten meer worden verricht. Wat betreft het perceel Boslust 15a is volgens de raad wel aangetoond dat het gaat om semi-agrarische bedrijfsactiviteiten, te weten het maken van hekwerken en stalhekken voor agrarische bedrijven. [appellante sub 24] heeft dit niet weersproken. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat geen sprake is van situaties die gelijk te stellen zijn aan die van [appellante sub 24].

Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

2.43.5. In hetgeen [appellante sub 24] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door [appellante sub 24] bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [bedrijf]

2.44. [bedrijf], rechtsopvolgster van [appellant sub 25], exploiteert een restaurant op het perceel [locatie 23] te Alphen. Zij stelt dat in de 'Tabel Horeca' bij artikel 12 van de planregels een onjuiste omschrijving van haar bedrijf is opgenomen. Naar aanleiding van de zienswijzen die met betrekking tot dit plandeel zijn ingediend, heeft de raad besloten de omschrijving "café met dagrecreatieve voorzieningen (cat 1)" in die tabel te wijzigen in "horeca met dagrecreatieve voorzieningen". Deze wijziging is ten onrechte niet in de planregels verwerkt, zo stelt [bedrijf].

2.44.1. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 2.33.1, stelt de Afdeling vast dat de papieren versie van het bestemmingsplan in dit geval beslissend is, aangezien de terinzagelegging van het ontwerp van het plan vóór 1 januari 2010 heeft plaatsgevonden.

Aan het perceel van [bedrijf] is, voor zover hier van belang, in de papieren versie van het vastgestelde bestemmingsplan de bestemming "Horeca (H)" met de nadere aanduiding "sh-3" toegekend.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de papieren versie van de planregels bezien in samenhang met de bij artikel 12 behorende 'Tabel Horeca', zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor een horecabedrijf met dagrecreatieve voorzieningen.

Uit het vorenstaande volgt dat de omschrijving van het bedrijf in de papieren versie van het plan is aangepast conform de beslissing van de raad.

Gelet hierop mist het beroep van [bedrijf] feitelijke grondslag.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.45. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 12] geheel en het beroep van [appellante sub 8] en anderen voor zover het is gericht tegen de vaststelling van de gebiedsaanduiding "Reconstructiewetzone - Landbouwontwikkelingsgebied" voor het gebied ten oosten van de kern Alphen niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 17A] en [appellante sub 17 B] en van [appellant sub 23] geheel en de beroepen van [appellante sub 5], van de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de vereniging Vereniging ABC Milieugroep en van [appellant sub 13A] en [appellant sub 13 B] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Alphen-Chaam van 11 februari 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Alphen-Chaam 2010" voor zover het betreft:

a. de plandelen met de bestemmingen "Bos" en "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden 1" ter plaatse van het perceel [locatie 16] op kaart 1 van de verbeelding;

b. de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" ter plaatse van de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" ten noordoosten van Hondseind, zoals aangegeven op het bijgevoegde kaartje;

c. artikel 3, lid 3.4.1, artikel 5, lid 5.7.1, en artikel 6, lid 6.7.1, van de planregels;

d. het plandeel met de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" ter plaatse van het perceel Putvenweg (ongenummerd) op kaart 5 van de verbeelding;

e. drie plandelen met de bestemming "Groen - Landschapselement" die grenzen aan de Turfbaan onderscheidenlijk aan De Velden op kaart 2 van de verbeelding, het plandeel met de bestemming "Groen - Landschapselement" ten noorden van de Kelbaan op kaart 4 van de verbeelding, en de plandelen met de bestemming "Groen - Landschapselement" die grenzen aan de Boslust onderscheidenlijk zijn gesitueerd ten noorden en ten zuiden van de Goorstraat op kaart 3 van de verbeelding;

f. de plandelen met de bestemming "Water" ten oosten van de Strijbeekseweg op kaart 1 van de verbeelding, ten zuiden van de Oude Bredasebaan op kaart 2 van de verbeelding en die onderscheidenlijk grenzen aan dan wel op korte afstand ten oosten van de Huisdreef liggen op kaart 5 van de verbeelding.

g. de zin "Indien het bestaande bouwvlak reeds meer bedraagt dan 1,5 ha, mag dit bouwvlak worden vergroot met maximaal 25%." in artikel 5, lid 5.7.2, onder a, van de planregels;

h. de gebiedsaanduiding "Reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" ter plaatse van de gronden aan de noordzijde en de oostzijde van het noordelijke deel van het gebied Alphen Oost binnen 500 meter van natuur, zoals aangeduid in de uitspraak van 24 februari 2010, in zaak nr. 200807643/1/R1 (www.raadvanstate.nl);

i. de gebiedsaanduiding "Reconstructiewetzone - verwevingsgebied" en/of "Reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" ter plaatse van de percelen Oosterwijksestraat 24 op kaart 4 van de verbeelding, Strijbeekseweg 53 en Markweg (ongenummerd), beiden op kaart 1 van de verbeelding;

j. artikel 3, lid 3.4.2, onder a en b, van de planregels;

k. de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "intensieve veehouderij", de plandelen met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" en de plandelen met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie";

l. artikel 14, lid 14.2.1, onder c, van de planregels;

m. de definitie van "overige (teelt)ondersteunende voorzieningen" in artikel 1 van de planregels;

n. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van het perceel Bredaseweg 89 op kaart 5 van de verbeelding;

o. het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de gronden tussen de percelen Inneem 1 en 3 op kaart 1 van de verbeelding;

p. de 'Tabel Bedrijf' achter artikel 8, lid 8.6.3, van de planregels, voor zover in de kolom "Oppervlakte bedrijfsbebouwing (m2)" ten aanzien van het perceel [locatie 11] te Alphen is vermeld: "5.900";

IV. verklaart de beroepen van [appellante sub 5], de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de vereniging Vereniging ABC Milieugroep, [appellante sub 8] en anderen en van [appellant sub 13A] en [appellant sub 13 B] voor het overige en de beroepen van [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], [appellante sub 4], [appellante sub 18], [appellant sub 7A] en [appellante sub 7B], [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B], [appellante sub 10], [appellante sub 20], [appellant sub 11A] en [appellante sub 11B], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 19], [appellante sub 21], [appellant sub 22], [appellante sub 24], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], en de vennootschap onder [bedrijf], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], geheel ongegrond;

V. draagt de raad van de gemeente Alphen-Chaam op om binnen zes maanden na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van het plan voor de onderdelen genoemd onder III.a, b, c, d, e, f en l te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

VI. treft de voorlopige voorziening dat de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" rust op de gronden ten noordoosten van Hondseind, zoals weergegeven op het bijgevoegde kaartje, en dat voor deze gronden het getal "0,40" in artikel 27, lid 27.4.1, onder a en c, van de planregels wordt vervangen door het getal "0,90";

treft de voorlopige voorziening dat artikel 3, lid 3.4.1, van de planregels als volgt komt te luiden: "Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd deze bestemming te wijzigen ten behoeve van de vormverandering van het bestemmingsvlak en/of bouwvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. De wijzigingsbevoegdheid kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid binnen de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf".

b. De totale oppervlakte van het bestemmingsvlak en/of bouwvlak mag niet worden vergroot.

c. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing op basis van een erfbeplantingsplan.

d. Deze wijzigingsbevoegdheid kan niet worden toegepast voor het bestemmingsvlak en/of bouwvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" en de gebiedsaanduiding "Reconstructiewetzone - extensiveringsgebied".";

treft de voorlopige voorziening dat artikel 5, lid 5.7.1, en artikel 6, lid 6.7.1, van de planregels als volgt komen te luiden: "Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd deze bestemming te wijzigen ten behoeve van de vormverandering van het bestemmingsvlak en/of bouwvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. De wijzigingsbevoegdheid kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid binnen de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf".

b. De totale oppervlakte van het bestemmingsvlak en/of bouwvlak mag niet worden vergroot.

c. De in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.

d. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing op basis van een erfbeplantingsplan.

e. Deze wijzigingsbevoegdheid kan niet worden toegepast voor het bestemmingsvlak en/of bouwvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" en de gebiedsaanduiding "Reconstructiewetzone - extensiveringsgebied".";

treft de voorlopige voorziening dat artikel 14, lid 14.2.1, onder c, van de planregels als volgt komt te luiden: "Nieuwbouw van gebouwen en bouwwerken is niet toegestaan".

VII. bepaalt dat de onder VI getroffen voorlopige voorzieningen vervallen op het moment waarop het door de raad van de gemeente Alphen-Chaam vast te stellen plan ten aanzien van de onder III.b, III.c. en III.l. vernietigde delen in werking treedt;

VIII. bepaalt dat de omschrijving van "overige (teelt)ondersteunende voorzieningen" in artikel 1 van de planregels als volgt komt te luiden: "permanente (teelt)ondersteunende voorzieningen in de vorm van een afscheiding, eventueel in de vorm van een hek, met een hoogte van niet meer dan 2,5 m op boomteeltpercelen, waarmee dieren van die percelen geweerd kunnen worden."

IX. bepaalt dat de 'Tabel Bedrijf' achter artikel 8, lid 8.6.3, van de planregels, wat betreft de kolom "Oppervlakte bedrijfsbebouwing (m2)" ten aanzien van het perceel [locatie 11] te Alphen, als volgt komt te luiden: "7.867";

X. bepaalt dat deze uitspraak, wat betreft de onderdelen VIII en IX, in de plaats treedt van het besluit van de raad van de gemeente Alphen-Chaam van 11 februari 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Alphen-Chaam 2010", voor zover dat onder III.m en III.p is vernietigd

XI. veroordeelt de raad van de gemeente Alphen-Chaam tot vergoeding van:

a. bij [appellant sub 17A] en [appellante sub 17 B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. bij [appellant sub 23] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. bij [appellante sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. bij de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de vereniging Vereniging ABC Milieugroep in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 903,92 (zegge: negenhonderddrie euro en tweeënnegentig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

e. bij [appellant sub 13A] en [appellant sub 13 B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

XII. gelast dat de raad van de gemeente Alphen-Chaam aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van

a. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 17A] en [appellante sub 17 B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 23];

c. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellante sub 5];

d. € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de vereniging Vereniging ABC Milieugroep, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

e. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 13A] en [appellant sub 13 B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I. Slagt, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Slagt

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2012

208-618.