Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW1591

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
201106507/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft de raad het verzoek van [appellant] om gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/138

Uitspraak

201106507/1/A2.

Datum uitspraak: 11 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Woerden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2011 in zaak nr. 11/270 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (voorheen: de raad voor rechtsbijstand Amsterdam; hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft de raad het verzoek van [appellant] om gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 6 januari 2011 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 mei 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Nadat partijen bij brieven van 31 augustus en 1 september 2011 daartoe toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht hebben verleend, heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB 2010 C 83, hierna: het Handvest) heeft eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.

Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld omtrent de overeenkomstig het tweede lid in acht te nemen criteria.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, wordt de toevoeging geweigerd indien de aanvraag een rechtsprobleem betreft dat naar het oordeel van het bestuur eenvoudig afgehandeld kan worden.

Ingevolge het tweede lid kunnen bij de in artikel 12, derde lid, bedoelde algemene maatregel van bestuur omtrent het in het eerste lid bepaalde nadere regels worden gesteld.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: het Brt) wordt voor rechtsbijstand in zaken betreffende Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek geen toevoeging verleend indien de kantonrechter bevoegd is van het verzoek, de vordering of het verweer kennis te nemen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kan in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, een toevoeging worden verleend indien de bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid van het geval dat vereist.

Volgens aantekening 31 bij artikel 12 Wrb, van het Handboek toevoegen 2007 (hierna: het Handboek) hanteert de raad daarbij als beleid dat de uitsluitingsgrond ex artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g Wrb voortvloeit uit de doelstelling van de wet, nu deze er immers toe strekt een voorziening te bieden voor bijstand van juridische aard.

In een aantal gevallen zal weliswaar sprake zijn van een probleem waarvoor de rechtszoekende hulp nodig heeft, doch in het kader van deze wet zal beoordeeld moeten worden of de noodzaak bestaat om juridische bijstand te verlenen. Het niet spreken van de Nederlandse taal, het niet beschikken over juridische kennis of de gezondheid van rechtzoekende maakt niet dat er een noodzaak tot juridische bijstand bestaat.

Is juridische bijstand niet geïndiceerd dan dient de aanvraag te worden afgewezen waarbij rechtzoekende zo nodig gewezen kan worden op andere meer geëigende vormen van hulpverlening zoals maatschappelijk werk, slachtofferhulp of het bureau sociaal raadslieden.

Volgens aantekening 6 bij artikel 28 Wrb, van het Handboek hanteert de raad tevens als beleid dat het niet spreken van de Nederlandse taal, het niet beschikken over juridische kennis of de (geestelijke) gezondheid van rechtszoekende niet maakt dat er sprake is van bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid in de zin van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Brt.

2.2. Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft de raad het verzoek om gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen, omdat het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijs aan [appellant] zelf kan worden overgelaten in de zin van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb.

Het daartegen gerichte bezwaar is bij besluit van 6 januari 2011 afgewezen, nu er bij een verzoek om onderbewindstelling geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt, er voldoende andere personen of instellingen [appellant] zo nodig kunnen bijstaan, en een dergelijke procedure bij de Kantonrechter als een laagdrempelige aangelegenheid wordt behandeld. De gezondheidsproblemen van [appellant] zijn, aldus de raad, geen aanleiding om de zaak als juridisch of feitelijk ingewikkeld te bestempelen.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 mei 2011 het tegen dat besluit gerichte beroep ongegrond verklaard, en het verzoek om een schadevergoeding afgewezen.

2.3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat hij meerdere gronden heeft aangedragen in zijn beroepschrift, en dat, nu de rechtbank heeft nagelaten in te gaan op deze beroepsgronden, de uitspraak van 10 mei 2011 reeds daarom voor vernietiging in aanmerking komt. [appellant] heeft slechts ten aanzien van artikel 47 van het Handvest gronden aangevoerd en voor het overige slechts verzocht hetgeen hij heeft betoogd in zijn bezwaarschrift als herhaald en ingelast te beschouwen. Hij heeft niet aangegeven waarom hij het niet eens is met het besluit van 6 januari 2011.

2.4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat er geen andere personen of instellingen zijn die hem kunnen bijstaan, en hijzelf wegens gezondheidsproblemen zijn belang niet kan behartigen. Hij betoogt in dat kader voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de onderbewindstellingsprocedure ingewikkeld is.

2.4.1. Uit de toelichting bij artikel 47 van het Handvest volgt dat voor wat betreft de uitleg van de derde alinea moet worden aangesloten bij de uitleg van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 juli 2011, zaak nr. 201008269/1/H2; www.raadvanstate.nl) is het daarin vervatte recht op toegang tot de rechter niet absoluut, maar mag het aan beperkingen worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen echter het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel.

Van een essentiële aantasting van het recht op toegang tot de rechter is geen sprake, nu er voor een verzoek tot onderbewindstelling geen procesvertegenwoordiging is vereist en het [appellant] derhalve vrij staat zelf, al dan niet met hulp van andere personen of instellingen, een dergelijk verzoek in te dienen. Daarbij is voorts van belang dat het, in tegenstelling tot hetgeen [appellant] betoogt, een eenvoudige procedure betreft. Mede gelet op de financiële beheersbaarheid van het systeem van rechtsbijstandverlening, moet het gerechtvaardigd worden geacht om wanneer andere personen of instellingen van dienst kunnen zijn bij het doen van een dergelijk eenvoudig verzoek, geen toevoeging te verstrekken.

Nu er voor [appellant] geen kosten zijn verbonden aan bijstand van andere instellingen als bijvoorbeeld het Juridisch Loket, zijn de gevolgen van de afwijzing voor hem niet onevenredig tot het doel. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2012

362-729.