Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW1578

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
201107500/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201107500/1/R1.

Datum uitspraak: 11 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Oldenzaal,

en

de raad van de gemeente Losser,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2011, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, [gemachtigde] en E. Jaarsveld, en de raad, vertegenwoordigd door H.A.M. Plegt, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan is vastgesteld ten behoeve van de verplaatsing van de ijssalon van [appellante] van [locatie 2] naar [locatie 1] (hierna: het perceel).

Intrekking

2.2. Ter zitting heeft [appellante] haar beroepsgrond dat de procedure niet correct is verlopen ingetrokken.

Ontvankelijkheid

2.3. De raad en [belanghebbende] betogen dat [appellante] geen belanghebbende is bij het plan.

2.3.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3.2. Nu de afstand van het perceel [locatie 2], dat door [appellante] wordt gehuurd voor de exploitatie van haar ijssalon, tot het plangebied ongeveer 13 m is, is [appellante] belanghebbende bij het plan. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren.

Goede procesorde

2.4. De raad stelt zich op het standpunt dat het betoog van [appellante] dat onduidelijk is of het plan een terras, luifels en reclame-uitingen en een ijssalon met een oppervlakte van in ieder geval 102 m2 mogelijk maakt en of een afvoer rechtstreeks mogelijk is buiten behandeling moet worden gelaten, omdat [appellante] dit betoog pas op de zitting heeft aangevoerd.

Dit betoog is een nadere onderbouwing van de eerder aangevoerde beroepsgrond van [appellante] dat onduidelijk is of het plan een ijssalon die gelijkwaardig is aan de ijssalon die zij thans exploiteert rechtstreeks mogelijk maakt. Ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dit in strijd is met de goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken zodanig verwijtbaar laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

Gelet op de geringe complexiteit van het betoog van [appellante] bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad en [belanghebbende] daarop niet adequaat konden reageren. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding het betoog van [appellante] buiten behandeling te laten.

Inhoudelijk

2.5. [appellante] vreest dat het plan ten onrechte niet een ijssalon die gelijkwaardig is aan de ijssalon die zij thans exploiteert rechtstreeks mogelijk maakt op het perceel. Hiertoe voert zij aan dat het onduidelijk is of het plan een terras, luifels en reclame-uitingen en een ijssalon met een oppervlakte van in ieder geval 102 m2 mogelijk maakt en of een afvoer rechtstreeks mogelijk is.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan op het perceel een ijssalon die gelijkwaardig is aan de ijssalon die [appellante] thans exploiteert rechtstreeks mogelijk maakt.

2.5.2. Aan het perceel is de bestemming "Centrum" toegekend.

Ingevolge artikel 2, lid 2.2, van de planregels, worden bij het meten ondergeschikte bouwdelen als schoorstenen, ventilatiekappen, lichtkoepels en antennes buiten beschouwing gelaten.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Centrum" aangewezen gronden, voor zover het de begane grond betreft, bestemd voor onder meer horecabedrijven als genoemd in categorie 1 van de lijst van horecabedrijven in bijlage 1 en voor zover het de verdiepingen betreft, voor wonen.

Volgens de lijst van horecabedrijven in bijlage 1 zijn horecabedrijven die in categorie 1 vallen onder meer vormen van horeca die wat betreft exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen en daarmee wat betreft openingstijden nagenoeg sporen en waar naast kleinere etenswaren alsmede alcoholvrije dranken wordt verstrekt, zoals een lunchroom, koffiehuis, ijssalon, broodjeszaak, croissanterie, patisserie of een crêperie.

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.1, onder a, mag een gebouw uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.2, mag de bouwhoogte van andere bouwwerken dan gebouwen indien zij voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden opgericht niet meer dan 1 m bedragen, met uitzondering van luifels, en mag in overige gevallen de bouwhoogte van andere bouwwerken dan gebouwen niet meer dan 2,5 m bedragen.

Ingevolge lid 3.3, onder 3.3.1, aanhef en onder b, kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing (thans: omgevingsvergunning voor een binnenplanse afwijking) verlenen van het bepaalde in lid 3.2, onder 3.2.2 en toestaan dat de hoogte voor reclame-uitingen wordt verhoogd tot 4 m.

Blijkens de verbeelding, gelezen in samenhang met lid 3.1, aanhef en onder c, is een terras uitgesloten op de noordwestzijde van het perceel. Voorts mag blijkens de verbeelding, gelezen in samenhang met lid 3.2, onder 3.2.1, onder c en e, de bouwhoogte van gebouwen niet meer dan 4 m bedragen en mag op een gedeelte van het bouwvlak het bebouwd oppervlak niet groter zijn dan 66%.

[appellante] exploiteert thans op de begane grond van het perceel [locatie 2] een ijssalon met een oppervlakte van 102 m2 met op de voorzijde langs de Plechelmusstraat een terras dat overdekt wordt door een luifel.

2.5.3. Niet in geschil is dat het plan op de begane grond van het perceel een ijssalon rechtstreeks mogelijk maakt. Uit artikel 2, lid 2.2, van de planregels volgt verder dat een ondergeschikt bouwdeel van een gebouw, zoals een afvoer, niet binnen het bouwvlak hoeft te worden gebouwd of aan de maximale bouwhoogte hoeft te voldoen. Ter zitting heeft de raad dit bevestigd. Voorts is ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.2, de maximale bouwhoogte van een luifel 2,5 m en volgt uit de planregels dat een terras is toegestaan op het voorste gedeelte van het perceel, nu de aanduiding "terras uitgesloten" uitsluitend is toegekend aan de gronden op de noordwestzijde van het perceel. De raad heeft dit ter zitting ook bevestigd. Ook volgt uit lid 3.2, onder 3.2.2, gelezen in samenhang met lid 3.3, onder 3.3.1, aanhef en onder b, dat reclame-uitingen, als zij voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden opgericht, rechtstreeks zijn toegestaan indien de hoogte daarvan niet meer dan 1 m bedraagt. Verder is ter zitting vastgesteld dat het gehele bouwvlak een oppervlakte van ongeveer 317 m2 heeft en dat het gedeelte van het bouwvlak waaraan geen maximum bebouwingspercentage is toegekend een oppervlakte van ongeveer 224 m2 heeft. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan een ijssalon mogelijk maakt die gelijkwaardig is aan de ijssalon die [appellante] thans exploiteert. Het betoog mist feitelijke grondslag.

2.5.4. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Zwemstra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2012

91-703.