Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW1575

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
201110615/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BU1304, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2010 heeft het dagelijks bestuur aan [vergunninghouder] een monumentenvergunning verleend voor het geheel veranderen van de voormalige houthandel op het perceel Overtoom 13-17 te Amsterdam (hierna: het perceel) met bestemming tot een hotel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110615/1/A1.

Datum uitspraak: 11 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2011 in zaken nrs. 10/1028 en 10/2290 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel West.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2010 heeft het dagelijks bestuur aan [vergunninghouder] een monumentenvergunning verleend voor het geheel veranderen van de voormalige houthandel op het perceel Overtoom 13-17 te Amsterdam (hierna: het perceel) met bestemming tot een hotel.

Bij besluit van 1 april 2010 heeft het dagelijks bestuur aan [vergunninghouder] onder vrijstelling van het bestemmingsplan "Oud-West" bouwvergunning eerste fase verleend voor het wijzigen van de bestemming bedrijfsgebouw voormalige houthandel Van de Vijsel in een hotel op het perceel.

Bij uitspraak van 19 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellanten] tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 31 oktober 2011.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2012, waar [appellanten], bijgestaan door mr. B.J. Meruma, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. N. Smit en mr. A. Dirkse, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

[vergunninghouder], bijgestaan door K.T. Bakker en de architect M. Wagenaar, is daar als partij gehoord.

Aan de zijde van [appellanten] zijn voorts A. van Veen en S. Persoon, als deskundigen, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het wijzigen van de voormalige houthandel aan de Overtoom, bekend staand als "De Vijsel", in een hotel. De Vijsel is aangewezen als een gemeentelijk monument. Om veranderingen aan het bouwwerk mogelijk te maken heeft het dagelijks bestuur een vergunning verleend op grond van de Monumentenverordening Oud-West 2006. Ingevolge het bestemmingsplan "Oud-West" rusten op het perceel de bestemmingen "Centrumdoeleinden" (bouwdeel A van het bouwplan) en "Tuinen en Erven" (de bouwdelen B, C, D en E van het bouwplan). Het bouwplan is daarmee in strijd. Het dagelijks bestuur heeft medewerking aan het bouwplan verleend door met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening daarvoor vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen.

De monumentenvergunning

2.2. [appellant A] betoogt primair dat de rechtbank heeft miskend dat de Commissie voor Welstand en Monumenten (CWM) bij haar advisering in het kader van de aanvraag van de monumentenvergunning over onvoldoende kennis en inzicht beschikte met betrekking tot het bouwplan, omdat ten onrechte niet duidelijk is gemaakt welke delen van het monument ongewijzigd behouden dienen te worden en welke kunnen worden gewijzigd en dat voorts bij het nemen van het besluit van een onjuist toetsingskader is uitgegaan. [appellant A] vreest dat, als gevolg hiervan, de monumentale waarde van het pand ernstig zal worden aangetast. [appellant A] stelt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd.

Subsidiair betoogt [appellant A] dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur ten onrechte geen heldere uitvoeringsvoorschriften aan de monumentenvergunning heeft verbonden.

2.2.1. Ingevolge artikel 1, onder a, sub 1, van de Monumentenverordening Oud-West 2006 wordt onder monument verstaan: een zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarden.

Ingevolge artikel 10 is het verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen.

Ingevolge artikel 11 is het verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften een gemeentelijk monument af te breken, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

2.2.2. Het dagelijks bestuur heeft de belangen van de aanvrager [vergunninghouder] bij het wijzigen van het pand ten behoeve van de vestiging van een hotel afgewogen tegen het belang van bescherming van de monumentale waarden van het pand en voor het aanbrengen van de veranderingen aan het monument een monumentenvergunning verleend. Het dagelijks bestuur heeft daarbij het, na enkele wijzigingen van het bouwplan, positieve advies van de CWM, tot stand gekomen in samenspraak met het Bureau Monumenten & Archeologie van de gemeente Amsterdam (BMA), betrokken. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het advies van de CWM blijk geeft van zodanige hiaten in kennis dan wel onzorgvuldigheden, dat het dagelijks bestuur het niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Het dagelijks bestuur heeft het besluit voorts van een voldoende motivering voorzien. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de uitgangspunten bij de ontwikkeling van het bouwplan in overleg met onder meer het BMA en de CWM zijn bepaald. Deze uitgangspunten zijn uitgewerkt in het bouwplan dat ter advisering aan de CWM is voorgelegd. Bij zijn besluitvorming heeft het dagelijks bestuur gewicht toegekend aan het feit dat het bouwplan de houtconstructie van het pand in hoofdvorm in tact laat en dat het industriële karakter van het pand in zijn omgeving gehandhaafd blijft en aldus bij zijn toetsing betrokken dat het bouwplan de sfeer en de cultuurhistorische betekenis van het complex in stand laat. Daarmee heeft het dagelijks bestuur geen onjuist toetsingskader gehanteerd. Het dagelijks bestuur heeft voorts in redelijkheid in aanmerking kunnen nemen dat het bouwwerk in bijzonder slechte staat verkeert en restauratie dringend noodzakelijk is om de aanwezige waarden voor de toekomst veilig te stellen, waarin de monumentenvergunning voorziet. De architect van het bouwplan, M. Wagenaar, heeft ter zitting toegelicht dat bij de ontwikkeling van het bouwplan het monumentale karakter van het bestaande pand als uitgangspunt is genomen, maar dat bij vestiging van een nieuwe functie in het pand dient te worden voldaan aan de daarvoor geldende eisen in het Bouwbesluit. Nu de bestaande hoofddraagconstructie van het pand niet bestand is tegen bezwijken, is gelet op de eisen van brandwerendheid een nieuwe hoofddraagconstructie noodzakelijk. In het bouwplan blijft daarbij de oorspronkelijke draagconstructie evenwel als ornament behouden. Bij brief van 20 februari 2012 zijn door [appellant A] contra-expertises overgelegd van A. van Veen en van De Fabryk, Bureau voor gebouwhistorisch onderzoek. Het dagelijks bestuur heeft betoogd dat deze contra-expertises buiten beschouwing dienen te blijven wegens de late indiening daarvan. De Afdeling acht daarvoor geen reden aanwezig, nu de indiening meer dan tien dagen voor de zitting heeft plaatsgehad. Deze contra-expertises geven evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur de monumentenvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Deze rapporten bieden onvoldoende grondslag voor het oordeel dat de vrees voor ernstige aantasting van het monument ten gevolge van het bouwplan gerechtvaardigd is.

De rechtbank heeft, mede in het licht van de bouwtechnische beoordeling bij de bouwvergunning tweede fase, voorts terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat door het niet stellen van concrete uitvoeringsvoorschriften de monumentale waarden van het pand niet zouden zijn beschermd. Uit de door [appellant A] aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2005 (zaak nr. 200410006/1) is, anders dan hij meent, niet af te leiden dat het dagelijks bestuur in dit geval verplicht was uitvoeringsvoorschriften in de vergunning op te nemen.

Het betoog faalt.

De vrijstelling en bouwvergunning eerste fase

2.3. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan geen onevenredige, negatieve effecten zal hebben op hun woon- en leefomgeving. Hiertoe voeren zij aan dat het bouwplan, anders dan is aangenomen door de rechtbank, zal leiden tot een vergroting van de bestaande bebouwingscontouren. Voorts stellen zij in dit kader dat de bedrijvigheid die het bestemmingsplan op het perceel mogelijk maakt, in geen verhouding staat tot een hotel met de voorgenomen omvang en dat het bouwplan geluidhinder en lichthinder tot gevolg zal hebben. Ten aanzien van de geluidhinder stellen zij dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt dat voor onaanvaardbare geluidsoverlast niet behoeft te worden gevreesd.

2.3.1. [appellanten] vrezen een vergroting van de bouwmassa door plaatsing van voorzieningen op het dak om te kunnen voldoen aan de geluidnormen, zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 januari 2002 in zaak nr. 200005648/1; AB, 2002, 190), is in het stelsel van de Woningwet geen plaats voor een beslissing omtrent de bouwvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag. Op de bij de aan de orde zijnde bouwaanvraag eerste fase behorende bouwtekeningen zijn geen installaties opgenomen op het dak. Ter zitting is komen vast te staan dat het bouwplan, zoals thans aan de orde, geen vergroting van de bouwmassa tot gevolg heeft en niet leidt tot overschrijding van de bestaande bebouwingscontouren. De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het dagelijks bestuur in de stelling dat de beleving van de bestaande bouwmassa ingrijpend is gewijzigd, wat van die stelling overigens zij, in redelijkheid aanleiding had dienen te zien de vrijstelling te weigeren.

2.3.2. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het dagelijks bestuur bij zijn beoordeling van de gevolgen van het bouwplan voor het woon- en leefklimaat van omwonenden in redelijkheid in aanmerking heeft kunnen nemen dat het gebruik dat op grond van het bestemmingsplan op het perceel is toegestaan, (ook) enige nadelige effecten met zich zou kunnen brengen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan ter plaatse een grote verscheidenheid aan functies toestaat, waaronder (ambachtelijke) bedrijven in de milieucategorieën I en II.

2.3.3. Bureau Peutz heeft in opdracht van [vergunninghouder] onderzoek gedaan naar de geluidbelasting in de omgeving ten gevolge van de vestiging van het hotel. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 13 november 2008. In het rapport concludeert Peutz onder meer dat maatregelen zullen moeten worden getroffen om te kunnen voldoen aan de toepasselijke grenswaarden in het Activiteitenbesluit. [appellanten] hebben bij brief van 13 februari 2012 een contra-expertise van M+P raadgevende ingenieurs overgelegd. M+P concluderen daarin dat verfijning en detaillering van het door Peutz toegepaste rekenmodel waarschijnlijk tot overschrijdingen van de in het Activiteitenbesluit gestelde grenswaarden zal leiden, welke door demping naar een lager niveau kunnen worden gecorrigeerd. De door M+P uitgesproken twijfel of het bouwplan op dit punt, mede gezien het daarvoor benodigde budget, praktisch uitvoerbaar is, is onvoldoende voor het oordeel dat het dagelijks bestuur zich bij zijn besluitvorming met betrekking tot het aspect geluid niet op het onderzoek van Peutz heeft mogen baseren. Ook de opmerkingen van M+P ten aanzien van de door Peutz gekozen uitgangspunten met betrekking tot de geluidsbelasting afkomstig van de lichthoven bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het dagelijks bestuur niet van de deugdelijkheid van het onderzoek van Peutz heeft mogen uitgaan. Voor zover is aangevoerd dat het bouwplan niet voorziet in de noodzakelijke maatregelen op het dak om te kunnen voldoen aan de geldende geluidnormen, wordt overwogen dat uit de stukken blijkt dat deze maatregelen zijn voorzien in het kader van de bouwaanvraag tweede fase. Niet aannemelijk is gemaakt dat er nu reeds van uit dient te worden gegaan dat de in dat kader te treffen maatregelen niet tot het gewenste resultaat zullen leiden. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellanten] onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de effecten als gevolg van de verleende vrijstelling van dien aard zijn, dat sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidsoverlast. Zij heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat laden en lossen eveneens mogelijk is bij op grond van het bestemmingsplan op het perceel toegestane bedrijvigheid.

2.3.4. De klacht van [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte hun beroepsgrond met betrekking tot de vrees voor lichthinder ten gevolge van het bouwplan onbesproken heeft gelaten, is terecht voorgedragen, doch kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Hiertoe wordt overwogen dat [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat het bouwplan voor hen onevenredige lichthinder tot gevolg zal hebben. Blijkens de stukken kijken de meeste hotelkamers en vluchtbalkons uit op de lichthoven en is in de eerste lichthof een lift voorzien. Ter zitting is komen vast te staan dat het pand waar appellanten wonen weliswaar in de directe omgeving van de eerste lichthof is gesitueerd, maar dat de voorziene lessenaarsdaken van de belendende bouwdelen boven deze lichthof een aanzienlijk overstek hebben. Voor zover via de lichthoven desalniettemin licht wordt verspreid, is niet aannemelijk gemaakt dat dit tot onevenredige lichthinder voor omwonenden zal leiden.

2.3.5. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan geen zodanig onevenredig nadelige effecten heeft op de woon- en leefomgeving van omwonenden, dat daarvoor vrijstelling diende te worden geweigerd.

Het betoog faalt.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het stadsdeelbeleid, waaruit volgt dat bij nieuwvestiging van hotels de nadruk moet worden gelegd op hotels in de categorie 3- en 4-sterren. Zij voeren aan dat de voorziene hotelkamers niet voldoen aan het voor een 3-sterrenkwalificatie benodigde vloeroppervlak van minimaal 17 m2 voor een tweepersoonskamer, waarbij 90% van het aantal beschikbare kamers aan deze eis dient te voldoen.

2.4.1. Het beleid van het voormalig stadsdeel Oud-West, neergelegd in de nota "Ruimte voor horeca, van kwantiteit naar kwaliteit", is onder meer gericht op de vestiging van hotels in de categorie 3- en 4-sterren. Ingevolge het Hotelclassificatiebesluit 2003 geldt voor een 3-sterrenkwalificatie dat 90% van de tweepersoonskamers inclusief natte cel en voorportaal een afmeting moet hebben van 17 m2. Niet in geschil is dat van de 82 voorziene hotelkamers er 17 een kleinere oppervlakte hebben. Het dagelijks bestuur en [vergunninghouder] hebben echter te kennen gegeven dat deze kamers als eenpersoonskamer in gebruik zullen worden genomen, dan wel combineerbaar zullen worden gemaakt via deuren in de tussenwand. Op die manier wordt voldaan aan de eis dat 90% van de tweepersoonskamers een vloeroppervlakte van 17 m2 heeft. [appellanten] hebben dit niet betwist. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met het stadsdeelbeleid ten aanzien van horeca en hotels.

Het betoog faalt.

2.5. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte geen aandacht is besteed aan het belang van bescherming van de belevingswaarde van de bestaande binnentuin. Zij verwijzen in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2007 (zaak nr. 200603864/1; www.raadvanstate.nl) met betrekking tot het bestemmingsplan "Oud-West".

2.5.1. De Afdeling heeft in de aangehaalde uitspraak ten aanzien van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor een functieverandering naar een hotel overwogen dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt, waarom de gevolgen van toepassing van de wijzigingsbevoegdheid ook aanvaardbaar zijn op het plandeel met de bestemming "Tuinen en Erven" en niet voor onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden behoeft te worden gevreesd. In de ruimtelijke onderbouwing heeft het dagelijks bestuur uitdrukkelijk aandacht besteed aan de uitspraak van de Afdeling en aan de gevolgen van het gebruik als hotel voor het woon- en leefklimaat op de gronden met bestemming "Tuinen en Erven". Zoals hiervoor is overwogen, blijven de bebouwingscontouren ongewijzigd. Door [appellanten] is voorts niet aannemelijk is gemaakt dat de gebruikswijziging van de bebouwing op de gronden met bestemming "Tuinen en Erven" onevenredig nadelige gevolgen zal hebben voor de belevingswaarde van de binnentuin.

Het betoog faalt.

2.6. De klacht van [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte hun beroepsgrond ten aanzien van de voorbereiding en motivering van het vrijstellingsbesluit met betrekking tot de bescherming van archeologische waarden onbesproken heeft gelaten, is terecht voorgedragen, doch kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. [appellanten] hebben aangevoerd dat bij het archeologisch onderzoek door BMA geen rekening is gehouden met de realisering van een installatiekelder, aangezien deze niet op de bouwtekeningen is ingetekend. Zoals hiervoor reeds is overwogen, dient het dagelijks bestuur te beslissen op grondslag van de bouwaanvraag. De bouwtekeningen maken daarvan deel uit. Op de bouwtekeningen is geen installatiekelder ingetekend. Dat bij de voorbereiding van het bouwplan sprake is geweest van realisering van een installatiekelder, doet hieraan niet af.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2012

392.