Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW1566

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
201111297/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2010 heeft de minister een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201111297/1/A2.

Datum uitspraak: 11 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Abcoude,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 11 oktober 2011 in zaak nr. 11/13326 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2010 heeft de minister een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Bij besluit van 22 maart 2011 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 17 november 2011.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak aan de orde gesteld op de zitting van 14 maart 2012.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het besluit van 22 maart 2011, waarbij de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding is gehandhaafd, ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] diverse aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning, zowel asiel als regulier, heeft ingediend en dat op die aanvragen telkens afwijzend is beslist. Deze besluiten zijn in rechte onaantastbaar, zodat van de rechtmatigheid van die besluiten en de totstandkoming ervan moet worden uitgegaan. Dit brengt mee dat er geen grond is voor vergoeding van schade uit onrechtmatige overheidsdaad. Dat op 20 november 2007 aan [appellant] een verblijfsvergunning is verleend op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet (Ranov), maakt niet dat de eerdere afwijzingen, zoals [appellant] stelt, onrechtmatig zijn.

2.2. [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn betoog dat de door hem gestelde schade mede is veroorzaakt door het kwijtraken van zijn buitenlandse paspoort tijdens een asielprocedure.

2.2.1. Dit betoog faalt. Blijkens de uitspraak van de rechtbank heeft [appellant] ter zitting verklaard dat de door hem gestelde schade niet bestaat uit verlies van zijn zoekgeraakte paspoort. De rechtbank was derhalve niet gehouden deze beroepsgrond nog inhoudelijk te behandelen. Dat zou ook niet tot het gewenste resultaat hebben geleid nu [appellant] in ieder geval op 4 juli 2001 bekend was met het verlies van zijn paspoort door de vreemdelingenpolitie en hij eerst op 13 juli 2010 heeft verzocht om vergoeding van de daardoor geleden schade. De minister heeft het verzoek derhalve terecht wegens verjaring op grond van artikel 3:310, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek afgewezen, omdat de daarin neergelegde termijn van vijf jaar was verstreken.

2.3. [appellant] betoogt voorts dat, samengevat weergegeven, de rechtbank door te overwegen dat de rechtmatigheid van de besluiten op de aanvragen van 4 juli 2001, 2 mei 2006 en 31 augustus 2006 in rechte vaststaat en geen aanspraak bestaat op vergoeding van schade uit onrechtmatige overheidsdaad, heeft miskend dat in die procedures fouten zijn gemaakt die niet aan hem te wijten zijn.

2.3.1. Dit betoog treft evenmin doel. Bij uitspraak van 22 augustus 2005 in zaak nr. 200504513/1 heeft de Afdeling het hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 28 april 2005 ongegrond verklaard. Hiermee is de afwijzing van de aanvraag van 4 juli 2001 bij besluit van 9 juli 2002 in rechte vast komen te staan. Op de aanvraag van 2 mei 2006 is bij besluit van 9 mei 2006 onherroepelijk beslist. Bij besluit van 23 november 2006 is de aanvraag van 31 augustus 2006 buiten behandeling gesteld. [appellant] heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend.

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de afwijzende beslissingen op de aanvragen in rechte onaantastbaar zijn en dat thans van de rechtmatigheid ervan, zowel wat betreft inhoud, als wat betreft de wijze van tot stand komen, wordt uitgegaan. Dit brengt mee dat voor een vergoeding van schade uit onrechtmatige overheidsdaad geen grond bestaat. De rechtbank is dan ook terecht niet inhoudelijk ingegaan op de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, voor zover [appellant] daaraan de onrechtmatigheid van de afwijzingen ten grondslag heeft gelegd. Evenzeer terecht heeft zij geen onderzoek naar de rechtmatigheid van die besluiten gedaan.

2.4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 20 november 2007, waarbij aan hem op grond van de Ranov alsnog een verblijfsvergunning is verleend, de eerdere afwijzingen niet onrechtmatig maakt.

2.4.1. Ook dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Ranov een speciale regeling is waarin bij wijze van uitzondering alsnog verblijf werd verleend aan mensen die er ondanks eerdere aanvragen niet voor in aanmerking waren gekomen. Het besluit van 20 november 2007 behelst derhalve geen erkenning van de onrechtmatigheid door de minister van de besluiten van 9 juli 2002, 9 mei 2006 en 23 november 2006.

2.5. Gelet op hetgeen onder 2.3.1. is overwogen betoogt [appellant] eveneens tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de door hem geleden materiële en immateriële schade, doordat hij niet over een ziektekostenverzekering beschikte, het gevolg is van het ten onrechte weigeren van een verblijfsvergunning bij besluit van 9 juli 2002.

2.6. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de minister ten onrechte van het horen in bezwaar heeft afgezien.

2.6.1. Dit betoog faalt. [appellant] heeft in zijn beroepschrift van 9 mei 2011 gesteld dat het besluit van 22 maart 2010, waarbij de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding is gehandhaafd, op ondeugdelijke gronden is genomen. Nu [appellant] dit niet heeft toegespitst op het niet horen in bezwaar, kan aan de rechtbank niet worden tegengeworpen dat zij daar niet nader op in is gegaan. Daarbij komt dat de minister ook van het horen in bezwaar mocht afzien.

Van het horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

In bezwaar heeft [appellant] aangevoerd - samengevat weergegeven - dat, nu hij ten onrechte niet eerder een verblijfsvergunning heeft gekregen, de minister gehouden is de gestelde schade te vergoeden.

Gelet op de grondslag van het verzoek en hetgeen daarover in 2.3.1. is overwogen, moet redelijkerwijs uitgesloten worden geacht dat [appellant] tijdens een hoorzitting feiten en omstandigheden naar voren zou hebben gebracht die tot gegrondverklaring van het bezwaar zouden hebben kunnen leiden. Dat brengt met zich dat de minister tot het oordeel heeft kunnen komen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, zodat hij, met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, van het horen mocht afzien.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Planken

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2012

299.