Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW1563

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
201107845/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2009 heeft het college de aanvraag om bouwvergunning van A.V.V. voor een hotelcomplex met zalen en recreatieappartementen (hierna: het bouwplan) op het perceel Boulevard Evertsen 244 te Vlissingen (hierna: het perceel) buiten behandeling gesteld.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/511

Uitspraak

201107845/1/A1.

Datum uitspraak: 11 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 9 juni 2011 in zaak nr. 10/639 in het geding tussen:

A.V.V. Beheer B.V. (hierna: A.V.V.), gevestigd te Middelburg,

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2009 heeft het college de aanvraag om bouwvergunning van A.V.V. voor een hotelcomplex met zalen en recreatieappartementen (hierna: het bouwplan) op het perceel Boulevard Evertsen 244 te Vlissingen (hierna: het perceel) buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 15 juni 2010 heeft het college het door A.V.V. daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 7 december 2009 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 9 juni 2011 heeft de rechtbank het door A.V.V. daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 juni 2010 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

A.V.V. heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting, gelijktijdig met het hoger beroep in zaak nr. 201107848/1/A1, behandeld op 3 januari 2012, waar het college, vertegenwoordigd door M. Kavsitli en H.A.J.M. Peters, beiden werkzaam bij de gemeente, en A.V.V., vertegenwoordigd door J. Geurts en K. Timmermans, bijgestaan door mr. L.J. Wildeboer, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat A.V.V. is aan te merken als belanghebbende bij een besluit op haar bouwaanvraag van 13 oktober 2009. Volgens het college heeft de rechtbank miskend dat het bouwplan waarvoor A.V.V. bouwvergunning heeft gevraagd nimmer kan worden gerealiseerd, nu de daarvoor benodigde gronden niet aan haar in eigendom toebehoren.

2.2.1. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 oktober 2009 in zaak nr. 200900139/1/H1), is de aanvrager om bouwvergunning belanghebbende bij een beslissing op die aanvraag, tenzij aannemelijk is dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt. Zoals verder uit genoemde uitspraak volgt, leidt de enkele omstandigheid dat de aanvrager geen eigenaar is van de gronden waarop het bouwplan is voorzien, niet tot die conclusie.

De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de stelling dat het bouwplan nimmer zal kunnen worden verwezenlijkt, niet gerechtvaardigd is. Daarbij heeft zij terecht in aanmerking genomen dat, zoals ter zitting is bevestigd, het gedeelte van de gronden waarop het bouwplan is voorzien en dat niet in eigendom is van A.V.V., nog in een civielrechtelijke procedure tussen partijen is betrokken, waarvan de uitkomst nog ongewis is.

De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat onder die omstandigheden niet is uitgesloten dat het bouwplan wordt uitgevoerd.

2.3. Anders dan het college betoogt, heeft de rechtbank eveneens terecht geoordeeld dat het de aanvraag om bouwvergunning van A.V.V. ten onrechte met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling heeft gelaten. Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld is in het onderhavige geval niet voldaan aan een van de in voormeld artikellid gestelde voorwaarden voor de toepasselijkheid daarvan.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2012

531-641.