Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW1551

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
201109306/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 1 april 2010 heeft het college aan [belanghebbende] medegedeeld dat van rechtswege een reguliere bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een paardenstal en rijhal voor paarden op het perceel [locatie] te Lieveren (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/512

Uitspraak

201109306/1/A1.

Datum uitspraak: 11 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Lieveren, gemeente Noordenveld,

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 14 juli 2011 in zaak nr. 10/590 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld.

1. Procesverloop

Bij brief van 1 april 2010 heeft het college aan [belanghebbende] medegedeeld dat van rechtswege een reguliere bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een paardenstal en rijhal voor paarden op het perceel [locatie] te Lieveren (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 juli 2010 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H.C. de Boer, en het college, vertegenwoordigd door O. Horlings, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Daar is voorts [belanghebbende], bijgestaan door mr. J.J.M. Pinners, advocaat te Zwolle, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Jonge veldontginningen" met als nadere aanduidingen "Grondgebonden agrarisch bedrijf" en "Uitbreidingsinrichting".

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Jonge veldontginningen" aangegeven gronden bestemd voor uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder s, wordt onder agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van produkten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Ingevolge de aanhef en onder t wordt onder grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan, voor zover hier van belang, een agrarisch bedrijf waarbij hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van open grond.

2.2. Niet in geschil is dat het college niet binnen twaalf weken na ontvangst van de bouwaanvraag heeft beslist. Een beslissing tot verdaging is niet genomen.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, zodat geen bouwvergunning van rechtswege is verleend. Daartoe voert hij aan dat geen sprake is van een agrarisch bedrijf, nu de bedrijfsactiviteiten niet zijn gericht op het fokken van paarden, maar op het opfokken van paarden. Voor zover wel sprake is van een agrarisch bedrijf, heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat van een grondgebonden agrarisch bedrijf geen sprake is, nu er niet hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van open grond.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 december 2011 in zaak nr. 201012078/1/R1), kan het opfokken van elders gefokte paarden niet worden aangemerkt als het uitoefenen van een agrarisch bedrijf, omdat in dat geval geen sprake is van het voortbrengen van agrarische producten.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de paarden die op het perceel zullen worden opgefokt en afgericht, niet ter plaatse zijn gefokt. Op het perceel zullen elders gefokte paarden worden opgefokt en afgericht. Van het uitoefenen van een agrarisch bedrijf is derhalve geen sprake. Dit betekent dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en derhalve geen bouwvergunning van rechtswege is verleend. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van 22 juli 2010 alsnog gegrond verklaren. Dit besluit komt wegens strijd met artikel 46, vijfde lid, van de Woningwet, zoals dit luidde ten tijde van belang, voor vernietiging in aanmerking. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Assen van 14 juli 2011 in zaak nr. 10/590;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld van 22 juli 2010, kenmerk Z09/03189;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 377,00 (zegge: driehonderdzevenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2012

531-736.