Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW1548

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
201105495/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2010 heeft het college het verzoek van Intertoys om een afschrift van de accountantsverklaring over het jaar 2008 ten behoeve van [belanghebbende] openbaar te maken gedeeltelijk afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/230

Uitspraak

201105495/1/A3.

Datum uitspraak: 11 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Intertoys Holland B.V. en Intertoys B.V., gevestigd te Waddinxveen (hierna tezamen en in enkelvoud: Intertoys),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 april 2011 in zaak nr. 10/2765 in het geding tussen:

Intertoys

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2010 heeft het college het verzoek van Intertoys om een afschrift van de accountantsverklaring over het jaar 2008 ten behoeve van [belanghebbende] openbaar te maken gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 17 juni 2010 heeft het college het door Intertoys daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Intertoys daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Intertoys bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 26 augustus 2011, onderscheidenlijk 31 augustus 2011, hebben Intertoys en [belanghebbende] toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Intertoys en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2012, waar Intertoys, vertegenwoordigd door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.P. Berg en mr. T.H. Iking-de Jong, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

2.2. Het college heeft bij het in bezwaar gehandhaafde besluit de gevraagde accountantsverklaring verstrekt met uitzondering van de gewaarmerkte bijlage en twee bedragen met betrekking tot de jaaromzet. Het college heeft aan dat besluit primair ten grondslag gelegd dat deze gegevens bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wob en subsidiair dat de verstrekking van deze gegevens achterwege moet blijven omdat [belanghebbende] bij openbaarmaking onevenredig wordt benadeeld en dat belang zwaarder dient te wegen.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de geweigerde gegevens moeten worden aangemerkt als bedrijfs- en fabricagegegevens en dat het college de verstrekking van deze gegevens terecht achterwege heeft gelaten met toepassing van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob.

2.4. Intertoys heeft aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt en ten onrechte de geweigerde informatie heeft aangemerkt als bedrijfs- en fabricagegegevens nu die geen concurrentiegevoelige gegevens kan bevatten en ziet op het jaar 2008.

2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 29 april 2008 in zaak nr. 200704972/1), zijn bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, slechts die gegevens, waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen, kunnen onder omstandigheden zodanige bedrijfsgegevens zijn. Verder dient artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 juli 2002 in zaak nr. 200103014/1) naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd.

2.5.1. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van de niet openbaar gemaakte informatie.

De niet openbaar gemaakte passages, die onderdeel zijn van de accountantsverklaring en vertrouwelijk aan het college zijn meegedeeld, bevatten informatie over de totale jaaromzet en het aandeel daarin van de verschillende productgroepen in 2008. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat uit deze gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen niet alleen met betrekking tot de omzet per productgroep maar ook de afzet van producten door [belanghebbende]. Gelet op het geringe tijdsverloop tussen de datum van de accountantsverklaring en het verzoek is de Afdeling van oordeel dat de gegevens actueel zijn. Onder deze omstandigheid heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college openbaarmaking van de bijlage en de twee weggelakte bedragen op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob terecht heeft geweigerd.

2.6. Gelet op het vorenoverwogene komt de Afdeling, evenals de rechtbank, niet toe aan hetgeen het college subsidiair aan zijn besluit op bezwaar van 17 juni 2010 ten grondslag heeft gelegd, te weten dat ook artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob zich tegen openbaarmaking van de gevraagde informatie verzet.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2012

290.