Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW1547

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
201104786/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2011:BQ1371, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2010 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit geweigerd [appellant] ontheffing te verlenen van het verbod voor het in bezit hebben van twee gewone zeehonden (Phoca vitulina).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3873

Uitspraak

201104786/1/A3.

Datum uitspraak: 11 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Venlo,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 13 april 2011 in zaak nr. 10/1767 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie).

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2010 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit geweigerd [appellant] ontheffing te verlenen van het verbod voor het in bezit hebben van twee gewone zeehonden (Phoca vitulina).

Bij besluit van 14 december 2010 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 oktober 2011.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2012, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door J. Klaus, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Klaus, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.E.W. Tieleman, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 34 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VwEU) zijn kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten verboden.

Ingevolge artikel 36 vormen de bepalingen van de artikelen 34 en 35 geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen lidstaten vormen.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 (Pb EG nr. L 061) inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (hierna: de Verordening) kunnen lidstaten het bezit van specimens, met name van tot de in bijlage A genoemde soorten behorende levende dieren, verbieden.

Ingevolge artikel 54 van Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (hierna: de Uitvoeringsverordening) wordt onverminderd het bepaalde in artikel 55 een specimen van een diersoort uitsluitend beschouwd als zijnde in gevangenschap geboren en gefokt indien ten genoegen van een bevoegde administratieve instantie, welke overleg pleegt met een bevoegde wetenschappelijke autoriteit van de betrokken lidstaat, is aangetoond dat aan de volgende vereisten is voldaan:

1. het betreft een nakomeling of een afgeleid product van een nakomeling, die in een gecontroleerd milieu is geboren of anderszins op één van de volgende wijzen is geteeld:

a) als gevolg van de paring of een andere vorm van gametenoverdracht tussen ouderdieren in een gecontroleerd milieu, in het geval van geslachtelijke voortplanting;

b) uit ouderdieren die zich bij het begin van de ontwikkeling van de nakomeling in een gecontroleerd milieu bevonden, in het geval van ongeslachtelijke voortplanting;

2. het fokdierenbestand is in overeenstemming met de op het moment van verwerving daarop toepasselijke wettelijke bepalingen op een zodanige wijze gevormd dat het voortbestaan van de betrokken soort in het wild daardoor geen schade heeft ondervonden;

3. het fokdierenbestand wordt zonder toevoeging van aan de natuur onttrokken specimens in stand gehouden, afgezien van de occasionele aanvulling met dieren, eieren of gameten in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen en op een zodanige wijze dat het voortbestaan van de betrokken soort in het wild daardoor geen schade ondervindt, en zulks uitsluitend voor één of meer van de volgende doeleinden:

a) om schadelijke inteelt te voorkomen of te matigen, waarbij de omvang van de aanvulling door de behoefte aan nieuw genetisch materiaal wordt bepaald;

b) teneinde een bestemming te geven aan verbeurdverklaarde dieren, overeenkomstig artikel 16, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97;

c) in uitzonderlijke gevallen, om zich daarvan als fokdieren te bedienen;

4. het fokdierenbestand heeft zelf in een gecontroleerd milieu nakomelingen van de tweede of een latere generatie opgeleverd (F2, F3 enzovoort), dan wel wordt beheerd op een wijze waarvan is aangetoond dat daarbij de productie van nakomelingen van de tweede generatie in een gecontroleerd milieu is gewaarborgd.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw), voor zover thans van belang, is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort onder zich te hebben.

Ingevolge artikel 75, derde lid, voor zover thans van belang, kan de minister ontheffing verlenen van het bij of krachtens artikel 13 bepaalde.

Ingevolge het vijfde lid worden ontheffingen en vrijstellingen slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, tenzij uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties noodzaakt tot het verlenen van vrijstelling of ontheffing om andere redenen.

Ingevolge het zesde lid worden, onverminderd het vijfde lid, voor soorten genoemd in bijlage IV van richtlijn 92/43/EEG, voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beschermde inheemse dier- of plantensoorten vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat:

a. ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten;

b. teneinde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze binnen bepaalde grenzen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal van bij die maatregel aan te wijzen soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben of,

c. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (hierna: het Besluit) zijn als beschermde inheemse dier- en plantensoorten als bedoeld in artikel 75, vijfde (lees: zesde) lid, van de Ffw aangewezen de dier- en plantensoorten, genoemd in bijlage 1 bij dit besluit.

Ingevolge het derde lid zijn als andere belangen als bedoeld in artikel 75, vijfde (lees: zesde) lid, onderdeel c, van de Ffw aangewezen:

a. de bepalingen inzake de gemeenschappelijke markt en een vrij verkeer van goederen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen;

b. de bescherming van flora en fauna;

c. de veiligheid van het luchtverkeer;

d. de volksgezondheid of openbare veiligheid;

e. dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;

f. het voorkomen van ernstige schade aan vormen van eigendom, anders dan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;

g. belangrijke overlast veroorzaakt door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort;

h. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud in de landbouw en in de bosbouw;

i. bestendig gebruik;

j. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling.

2.2. [appellant] heeft ontheffing gevraagd voor het onder zich hebben voor particulier gebruik van twee gewone zeehonden afkomstig uit Zoo de Port-Scroff in Frankrijk en gemerkt met een microchiptransponder.

De staatssecretaris heeft de ontheffing geweigerd omdat afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, nu [appellant] niet heeft aangetoond dat het om twee gefokte zeehonden gaat die zijn geboren uit in gevangenschap geboren ouders. Voorts heeft de staatssecretaris de ontheffing geweigerd omdat [appellant] niet heeft aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat ten behoeve van onderzoek en onderwijs, het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk maken van in bezit hebben of met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen, als bedoeld in artikel 75, zesde lid, van de Ffw in samenhang met artikel 2, derde lid, van het Besluit.

2.3. [appellant] heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris de bezitsontheffing terecht heeft geweigerd. De rechtbank heeft volgens hem miskend dat de gewone zeehond niet voorkomt op bijlage A bij de Verordening. Voorts heeft zij wat betreft de afstamming van de dieren ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris bij de beoordeling van het vereiste dat geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort aansluiting heeft mogen zoeken bij artikel 54 van de Uitvoeringsverordening. Voorts heeft [appellant] aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet heeft aangetoond welk belang hij heeft bij het onder zich hebben van de zeehonden. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat een verbod tot het houden van diersoorten het gevolg is van een beleidskeuze die onder de in artikel 36 vermelde uitzondering kan worden gebracht, aldus [appellant].

2.4. De gewone zeehond is een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ffw en is opgenomen in bijlage 1 van het Besluit. De gewone zeehond komt niet voor op Bijlage A van de Verordening.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 augustus 2007 in zaak nr. 200701364/1) wordt in artikel 8, tweede lid, van de Verordening lidstaten de mogelijkheid geboden het in bezit hebben van specimens, met name van de tot de in bijlage A genoemde soorten behorende levende dieren, te verbieden. Uit het gebruik van de woorden "met name" volgt dat geen sprake is van een uitputtende opsomming. Voorts geldt dat de Verordening geen afbreuk doet aan strengere maatregelen die de lidstaten met inachtneming van het VwEU kunnen nemen.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het feit dat de gewone zeehond niet voorkomt op bijlage A bij de Verordening niet met zich brengt dat de staatssecretaris bij de beoordeling van een verzoek om ontheffing, in het bijzonder van de gunstige staat van instandhouding van de in bijlage 1 van het Besluit vermelde beschermde inheemse diersoort, niet aansluitend bij artikel 54 van de Uitvoeringsverordening, als vaste gedragslijn mag hanteren dat die niet in geding is bij gefokte diersoorten waarvan het ouderdier in gevangenschap is geboren. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft [appellant] met de overgelegde documenten slechts aangetoond dat de twee zeehonden waarvoor de ontheffing is aangevraagd, in gevangenschap zijn geboren en geven zij geen uitsluitsel over de geboorteplek van de ouderdieren. Nu de twee zeehonden aldus niet kunnen worden aangemerkt als gefokte exemplaren, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris de ontheffing reeds terecht heeft geweigerd omdat niet wordt voldaan aan het vereiste dat geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de staatssecretaris terecht de bezitsvergunning heeft geweigerd omdat [appellant] niet een belang als bedoeld in artikel 75, zesde lid, van de Ffw heeft gesteld of aannemelijk heeft gemaakt. Zoals hiervoor overwogen, kunnen de twee zeehonden niet als gefokte dieren worden aangemerkt en dient, anders dan [appellant] heeft betoogd, voor het verkrijgen van een bezitsontheffing ook te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 75, zesde lid, van de Ffw.

Het betoog van [appellant] dat het weigeren van de bezitsontheffing strijdig is met het verbod op kwantitatieve invoerbeperkingen en andere maatregelen van gelijke werking als bedoeld in artikel 34 van het VwEU slaagt niet. De rechtbank heeft terecht, met verwijzing naar de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling, overwogen dat, ofschoon de afwijzing van het verzoek om bezitsontheffing een belemmering is van het vrije goederen verkeer in de zin van artikel 34, die afwijzing voortvloeit uit beslissingen van de nationale wetgever die zijn ingegeven door motieven die onder de in artikel 36 van het VwEU vermelde gerechtvaardigde beperking, de gezondheid en het leven van dieren, kunnen worden gebracht. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte met verwijzing naar het Besluit Rode lijsten flora en fauna (Stcrt. 2004, 218) en de daarbij behorende bijlage, zoals geactualiseerd bij besluit van 28 augustus 2009, heeft overwogen dat aannemelijk is dat in het algemeen het houden van zeehonden door particulieren tot een slechte gezondheid van de zeehonden kan leiden. De juistheid van de in het Besluit Rode lijsten opgenomen bevindingen, is door [appellant] voor zijn geval niet gemotiveerd met een deskundigenrapport bestreden. De Afdeling ziet derhalve, anders dan [appellant] ter zitting in hoger beroep heeft betoogd, geen grond voor het oordeel dat het door hem voor de rechtbank bestreden besluit niet voldoet aan de door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 19 juni 2008, C-219/07, Nationale Raad van Dierenkwekers en Liefhebbers VZW, Andibel VZW (www.curia.europa.eu) geformuleerde voorwaarde dat de beperking slechts is gerechtvaardigd als uit onderzoek aannemelijk is dat het houden van zeehonden een gevaar inhoudt voor het belang van in dit geval de bescherming van het dierenwelzijn. De overweging waarin de rechtbank het door [appellant] bedoelde woord 'kan' heeft gebruikt, strekt ertoe om het verbod tot het houden van zeehonden te rechtvaardigen met een beroep op de betrokken uitzondering uit artikel 36 van het VwEU. De overweging heeft geen betrekking op de vraag of door voorwaarden of beperkingen in een concreet geval de gezondheid van zeehonden kan worden gewaarborgd.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2012

290.