Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW1464

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
201100569/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

FINALE GESCHILBESLECHTING. Eerst in hoger beroep aangevoerde motivering leidt tot instandlating van rechtsgevolgen van vernietigde besluit.

Tot slot heeft de minister, samengevat weergegeven, inhoudelijk gemotiveerd waarom ook de epilepsie waaraan de vreemdeling lijdt volgens hem niet tot het oordeel leidt dat haar bij terugkeer naar Irak een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling wacht. Nu de minister dit eerst in hoger beroep heeft aangevoerd, kan daarmee geen afbreuk worden gedaan aan het oordeel van de Rb. dat het besluit van 23 april 2010 in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Dit neemt niet weg dat in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, uit een oogpunt van proceseconomie, aanleiding kan worden gevonden om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe bestaat aanleiding indien de in hoger beroep alsnog gegeven motivering het besluit kan dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201100569/1/V3.

Datum uitspraak: 2 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 22 december 2010 in zaak nr. 10/17109 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit, verzonden op 23 april 2010, heeft de minister van Justitie de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister voor Immigratie en Asiel (thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 13 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning met betrekking tot artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) onvoldoende is gemotiveerd. Daartoe heeft zij, voor zover thans van belang, als volgt overwogen:

2.16 Naar het oordeel van de rechtbank staat het [de minister] vrij om kwetsbare minderheidsgroepen beleidsmatig te duiden, maar ontslaat dat [de minister] niet van de verplichting om in een individueel geval, mede gelet op de bewoordingen van eerdergenoemd ambtsbericht, de risico's voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM bij terugkeer naar het land van herkomst te beoordelen.

2.17 De rechtbank is van oordeel dat, in het licht van de passage in voormeld ambtsbericht dat vrouwen in geheel Irak slachtoffer zijn van gericht geweld, dat met name het niet naleven van strikte Islamitische (leef)regels als reden voor aanvallen werd genoemd en dat onder meer vrouwenactivisten en alleenstaande vrouwen bijzonder doelwit van dit geweld vormen, welk deel [de minister] in de een na laatste alinea op pagina vier van het bestreden besluit ten onrechte niet heeft geciteerd, [de minister] zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat [de vreemdeling] bij terugkeer in Irak als alleenstaande vrouw geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM, mede in aanmerking genomen dat [de vreemdeling] aan epilepsie lijdt en in Irak frequent een beroep op medische zorg zal moeten doen en daarom zich naar buiten zal moeten begeven.

Nu het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert, zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de [Awb].

2.3. De minister klaagt dat, voor zover voormelde overwegingen aldus moeten worden begrepen dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vreemdeling vanwege haar epilepsie niet voldoet aan het individualiseringsvereiste, de rechtbank aldus heeft miskend dat – kort gezegd – de vreemdeling het feit dat zij aan epilepsie lijdt te laat, niet uit zichzelf en slechts in medische zin heeft aangevoerd. Daartoe voert hij aan dat de vreemdeling eerst in het gehoor dat op 6 april 2010 naar aanleiding van het voornemen tot intrekken van de verblijfsvergunning asiel heeft plaatsgevonden (hierna: het gehoor), in antwoord op de vraag of er op dat moment medische omstandigheden waren waarom het gehoor geen doorgang kon vinden, heeft aangegeven dat zij aan epilepsie lijdt. In dat gehoor heeft de vreemdeling tevens verklaard dat zij al sinds 1996 last heeft van epilepsie, dat zij altijd iemand bij zich moet hebben voor het geval zij een aanval krijgt en dat zij dus niet alleen kan terugkeren naar Irak. Aldus heeft de vreemdeling volgens de minister haar epilepsie slechts in medische zin aangevoerd – hetgeen hij in de besluitvorming derhalve zorgvuldigheids- en volledigheidshalve bij de beoordeling van artikel 3 van het EVRM in medische zin heeft betrokken – waarna eerst ter zitting bij de rechtbank de epilepsie ook als individuele indicatie in niet-medische zin is aangevoerd.

Voor zover de bestreden overweging aldus moet worden begrepen dat reeds uit de in overweging 2.17 door de rechtbank aangehaalde paragraaf 3.4.6. van het ambtsbericht over Irak van april 2010 blijkt dat sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM voor alleenstaande vrouwen in Irak, merkt de minister, mede onder verwijzing naar het door hem gevoerde beleid, op dat alleenstaande vrouwen in Irak niet als kwetsbare minderheidsgroep zijn aangemerkt, zodat er wat de vreemdeling betreft geen grond is om aan te nemen dat haar bij terugkeer naar Irak een schending van artikel 3 van het EVRM te wachten staat.

Tot slot klaagt de minister dat ook materieel niet valt in te zien dat en waarom de vreemdeling zich vanwege haar epilepsie niet zou kunnen handhaven in Irak. Daartoe wijst hij erop dat de vreemdeling al sinds 1996 aan deze ziekte lijdt – dus ook toen zij nog in Irak verbleef – en dat bovendien niet is gebleken, dan wel onderbouwd dat vrouwen in Irak kwetsbaar zijn als ze (buitenshuis) een medische behandeling dienen te ondergaan, althans dat in ieder geval niet is gebleken dat zij niet alleen naar buiten zou kunnen gaan om een arts te bezoeken. Ook om die reden heeft de rechtbank derhalve niet tot het bestreden oordeel kunnen komen, aldus de minister.

2.3.1. Volgens het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 30 oktober 1991, nr. 13163/87, Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk (RV 1991, 19), dient, wil aannemelijk zijn dat de desbetreffende vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, sprake te zijn van verdere specifieke onderscheidende kenmerken ("further special distinguishing features"), waaruit een reëel risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid ("mere possibility") van schending is onvoldoende.

Volgens het EHRM in rechtsoverweging 116 van het arrest van 17 juli 2008, nr. 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2008/329), zijn evenbedoelde verdere specifieke onderscheidende kenmerken evenwel niet vereist, indien de desbetreffende vreemdeling aannemelijk maakt dat hij deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen, zoals aan de orde was in het arrest van het EHRM van 11 januari 2007, nr. 1948/04, Salah Sheek tegen Nederland (JV 2007/30).

2.3.2. De rechtbank heeft in de hiervoor onder 2.2. weergegeven bestreden overwegingen in wezen overwogen dat het feit dat de groep waartoe de vreemdeling behoort – te weten alleenstaande vrouwen in Irak – door de minister niet als kwetsbare minderheidsgroep als bedoeld in de arresten NA. tegen het Verenigd Koninkrijk en Salah Sheek tegen Nederland wordt aangemerkt, niet betekent dat ten aanzien van de vreemdeling niet meer op individuele gronden behoeft te worden beoordeeld of aannemelijk is dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, als bedoeld in het arrest Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk. Ter zake van laatstgenoemde beoordeling heeft de rechtbank vervolgens, in het licht van de in overweging 2.16 van de aangevallen uitspraak aangehaalde passage uit het ambtsbericht, bezien in samenhang met het feit dat de vreemdeling aan epilepsie lijdt, een motiveringsgebrek geconstateerd.

2.3.3. Hetgeen de minister heeft aangevoerd over de omstandigheden waaronder en het moment waarop de vreemdeling het feit dat zij aan epilepsie lijdt heeft aangevoerd, kan niet tot het ermee beoogde doel leiden. Daartoe wordt overwogen dat de vreemdeling in de procedure tot intrekking van de aan haar verleende verblijfsvergunning zodra daartoe de gelegenheid bestond – te weten in het gehoor – heeft verklaard dat zij aan epilepsie lijdt. In het licht hiervan kan de vreemdeling evenmin worden verweten niet uit zichzelf over haar medische problematiek te hebben verklaard, reeds omdat dit ter beantwoording van de eerste vraag van het gehoor aan de orde is gekomen.

Voorts kan de minister niet worden gevolgd in zijn betoog dat de vreemdeling de epilepsie slechts in medische zin heeft aangevoerd. In het gehoor is de epilepsie van de vreemdeling uitgebreid aan de orde geweest. Het is aan de minister om naar aanleiding van het aldus aangevoerde te beoordelen welke wet- en regelgeving van toepassing is. Van de vreemdeling kan niet worden verlangd te concretiseren in welk opzicht zij in het kader van haar medische problematiek een beroep op artikel 3 van het EVRM doet, te minder nu het gehoor niet in aanwezigheid van een rechtsbijstandverlener heeft plaatsgevonden.

In zoverre faalt de grief.

2.3.4. Tot slot heeft de minister, samengevat weergegeven, inhoudelijk gemotiveerd waarom ook de epilepsie waaraan de vreemdeling lijdt volgens hem niet tot het oordeel leidt dat haar bij terugkeer naar Irak een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling wacht. Nu de minister dit eerst in hoger beroep heeft aangevoerd, kan daarmee geen afbreuk worden gedaan aan het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 23 april 2010 in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

2.3.5. Dit neemt niet weg dat in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, uit een oogpunt van proceseconomie, aanleiding kan worden gevonden om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe bestaat aanleiding indien de in hoger beroep alsnog gegeven motivering het besluit kan dragen.

De minister heeft in hoger beroep alsnog genoegzaam gemotiveerd dat en waarom de vreemdeling, ook met inachtneming van haar medische problematiek, bij terugkeer naar Irak als alleenstaande vrouw geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM, welke motivering op zichzelf niet wordt bestreden. Voor zover de vreemdeling heeft aangevoerd dat de epilepsie niet alleen tot gevolg heeft dat zij zich, met alle risico's van dien, op straat moet begeven teneinde medische behandeling te verkrijgen, maar ook dat er steeds iemand bij haar moet zijn voor het geval zij een aanval krijgt, biedt dat geen grond voor een ander oordeel, reeds omdat de op de zaak betrekking hebbende stukken geen blijk geven van een dusdanig ziekteverloop dat de vreemdeling zich ook binnenshuis niet zelfstandig zou kunnen handhaven. Aldus heeft de minister alsnog voldaan aan de ingevolge artikel 3:46 van de Awb op hem rustende motiveringsplicht.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Afdeling ziet evenwel, gelet op hetgeen onder 2.3. (laatste alinea) en 2.3.5 is vermeld, in hoger beroep alsnog aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

2.5. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van de minister van Justitie, verzonden op 23 april 2010, kenmerk 0712.14.0221, geheel in stand blijven;

III. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker Dekker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Wijker-Dekker

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2012

562.

Verzonden: 2 april 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser