Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW1430

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
201003761/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezien de hiervoor onder 2.4.3 genoemde beslissingen van het CTG, die de Afdeling in dit kader als uitgangspunt neemt, heeft de arts van het BMA ten onrechte geen aanleiding gezien in het (gewijzigde) BMA-advies van 23 juli 2009 aandacht te besteden aan de veiligheid die door de behandelend psychiater wordt gesteld als voorwaarde voor een zinvolle behandeling van ptss van de vreemdeling. Daabij is in aanmerking genomen dat deze behandelaar in zijn brief van 18 mei 2009 zijn oordeel over de noodzaak van een veilige behandelomgeving heeft toegespitst op de aard en het ontstaan van de psychische klachten van de vreemdeling. Gelet op deze concrete informatie had de arts van het BMA, op grond van omstandigheden die hij vanuit zijn deskundigheid kan beoordelen, zich in zijn advies gemotiveerd behoren uit te laten over de vraag of, in aanmerking genomen de aard en het ontstaan van de psychische klachten, al dan niet aanleiding bestond gerede twijfel te hebben over de effectiviteit voor de vreemdeling van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst. Een algemene beschouwing zoals opgenomen in de door het BMA, op verzoek van de minister, uitgebrachte aanvullende nota van 27 januari 2010 volstaat hier niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201003761/1/V3.

Datum uitspraak: 2 april 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Justitie (thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 19 maart 2010 in zaak nr. 09/36731 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 7 oktober 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris van Justitie een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister van Justitie bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 april 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsopvolgers.

2.2. Op het hoger beroep zijn de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) en de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) van toepassing, zoals die luidden tot 1 juli 2010.

2.3. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, (hierna: de aanvraag) worden afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd (hierna: mvv vereiste).

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, wordt de aanvraag niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het een vreemdeling betreft voor wie het, gelet op diens gezondheidstoestand, niet verantwoord is te reizen.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, wordt de aanvraag evenmin afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

Volgens paragraaf B1/4.1.1 van de Vc 2000 dient voor de in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 neergelegde vrijstelling te worden beoordeeld of de desbetreffende vreemdeling in staat is te reizen naar zijn land van herkomst of bestendig verblijf en in staat kan worden geacht daar behandeling af te wachten van een door hem in te dienen mvv aanvraag. Voorts kan ingevolge artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 vrijstelling worden verleend van het mvv vereiste, indien de terugkeer van een vreemdeling in verband met een medische noodsituatie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Volgens paragraaf B8/3.1 wordt onder medische noodsituatie verstaan: die situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Onder “op korte termijn” wordt verstaan binnen een termijn van drie maanden.

2.4. De minister klaagt in de grieven 1 en 2 – samengevat weergegeven – dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan het besluit van 7 oktober 2009 een motiveringsgebrek kleeft, nu hij dit besluit heeft gebaseerd op het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA-advies) van 23 juli 2009, waarin ten onrechte niet is ingegaan op de vraag of voor de vreemdeling in China een veilige behandelomgeving aanwezig is. Hiertoe voert de minister aan dat van een motiveringsgebrek geen sprake is, omdat het BMA ten aanzien van het al dan niet bestaan van de noodzaak van een veilige behandelomgeving in geen enkele zaak, en dus ook niet in het geval van de vreemdeling, uitspraak kan doen, aangezien dit een subjectieve en speculatieve voorspelling betreft. Verder voert de minister aan dat in het BMA-advies van 27 januari 2010, dat ter onderbouwing van het bij de rechtbank ingediende verweerschrift is gevraagd, is aangegeven dat medisch gezien niet te objectiveren valt en niet te voorspellen is of het land van herkomst door de vreemdeling als (on)veilig wordt ervaren, aangezien het een subjectief gegeven betreft. Ook is in het advies aangegeven dat een subjectieve en speculatieve voorspelling niet thuis hoort in een objectief professioneel medisch advies.

De rechtbank heeft volgens de minister onvoldoende onderkend dat het BMA-advies conform de tuchtrechtelijke zorgvuldigheidsnormen dient te worden opgesteld. De minister stelt zich op het standpunt dat, indien de arts zich buiten zijn medische deskundigheid zou begeven, hij deze normen zou schenden. Volgens de minister had het BMA dan ook niet kunnen en ook niet mogen onderzoeken of in China aan de voorwaarde van een veilige behandelomgeving voor de vreemdeling kan worden voldaan. Nu een uitspraak over het al dan niet bestaan van een noodzaak van een veilige behandelomgeving een subjectieve en speculatieve voorspelling is, valt niet in te zien dat hij anderszins had dienen te beoordelen of aan die voorwaarde in het land van herkomst kan worden voldaan, aldus de minister.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 25 juli 2006 in zaak nr. 200601304/1; JV 2006/351) is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan de minister ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1; www.raadvanstate.nl) moet de minister, indien hij een BMA-advies, aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) ervan vergewissen dat dit naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

2.4.2. Op 2 februari 2009 heeft het BMA advies uitgebracht, waarin het BMA – voor zover thans van belang - in antwoord op vraag 1b heeft vermeld dat de vreemdeling klachten heeft van psychische aard in het kader van een chronische posttraumatische stressstoornis (hierna: ptss) en een depressieve stoornis. In antwoord op vraag 2b heeft het BMA vermeld dat de vreemdeling voor zijn psychische klachten onder dagbehandeling van de GGZ Drenthe staat. Deze behandeling bestaat uit individuele- en groepstherapie, psycho somatische educatie en uit non-verbale therapie, zoals drama- en creatieve therapie. Voorts wordt de vreemdeling behandeld met een anti depressivum. Het achterwege blijven van psychiatrische behandeling leidt, aldus het BMA in antwoord op vraag 3, niet tot een medische noodsituatie op korte termijn, nu in het verleden geen sprake was van een psychiatrische opname vanwege psychose en/of suïcidaal gedrag in het kader van het ziektebeeld en daarvan ook thans geen sprake is.

Bij brief van 18 mei 2009 heeft de vreemdeling informatie van zijn behandelend psychiater bij de GGZ Drenthe, dr. W.A. Thijs, van die datum overgelegd, waarin deze heeft vermeld dat een dreigende uitzetting naar China bij de vreemdeling een forse angst kan oproepen. Zijn angst hangt samen met enerzijds de achtergronden van zijn vlucht naar China, anderzijds met het actuele psychiatrisch beeld. Een gedwongen terugkeer naar het land van herkomst, waar hij zijn ouders heeft verloren en waar traumatisering heeft plaatsgevonden, zal naar verwachting bij de vreemdeling een grote angst genereren die samen met het depressieve beeld tot een ernstige psychische decompensatie kan leiden, waaronder suïcide. Verder heeft de behandelend psychiater zich op het standpunt gesteld dat de medische beoordeling "dat in technische zin behandelmogelijkheden in China aanwezig zijn", te algemeen is en niets zegt over de individuele situatie van zijn patiënt. Daarnaast speelt ook een ander aspect, namelijk de veiligheid als voorwaarde voor de behandeling van ptss, een rol. Terugkeer naar het land waar de vreemdeling getraumatiseerd is, zal naar verwachting zoveel angst en onveiligheid bij hem oproepen dat een zinvolle behandeling hierdoor in gevaar komt, aldus de behandelend psychiater.

Naar aanleiding van voormelde opmerkingen van de behandelend psychiater van de vreemdeling heeft de minister het BMA bij brief van 28 mei 2009 verzocht een aanvullend advies uit te brengen. Bij brief van 13 juli 2009 heeft dr. W.A. Thijs desgevraagd nadere informatie aan het BMA verstrekt.

Op 23 juli 2009 heeft het BMA het in het advies van 2 februari 2009 gegeven antwoord op de vragen 3 en 4a bijgesteld. Bij het achterwege blijven van de behandeling bestaat, aldus het BMA in antwoord op vraag 3, een risico op het optreden van een medische noodsituatie op korte termijn als gevolg van suïcidaal gedrag, dit gezien de tentamen suïcide van de vreemdeling eerder dat jaar. In antwoord op vraag 4a heeft het BMA vermeld dat de vreemdeling niet kan reizen, tenzij hij tijdens de reis wordt begeleid door een arts en voorafgaande aan de reis wordt geregeld en gegarandeerd dat een directe fysieke overdracht aan een arts in aansluiting op de reis en vervolgens continuering van de medische behandeling bij een behandelaar ter plaatse plaatsvindt.

Desgevraagd heeft het BMA bij nota van 27 januari 2010 daaraan het volgende toegevoegd:

<small>"Ten aanzien van de vraag of het land van herkomst door betrokkene als (on)veilig wordt ervaren of zal worden ervaren na bijvoorbeeld terugkeer, valt medisch gezien niet te objectiveren en niet te voorspellen, aangezien het een subjectief gegeven betreft; en een subjectieve en speculatieve voorspelling hoort feitelijk niet thuis in een objectief professioneel medisch advies. Dat echter een mogelijk gevoel van veiligheid naar verwachting betere behandelresultaten zal opleveren dan bij iemand die dit gevoel niet heeft, is op zich voorstelbaar en zal in die zin wel invloed kunnen hebben op de effectiviteit van de behandeling. Dit betekent echter niet dat bij een persoon die zich onveilig voelt (na bijvoorbeeld terugkeer) psychische behandeling uitgesloten is. Verder moet worden opgemerkt dat een beoordeling van de daadwerkelijke veiligheid geen medisch aspect betreft en dus buiten de medische deskundigheid van de medisch adviseur valt en derhalve geen onderdeel kan zijn van een medisch advies."</small>

2.4.3. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 20 december 2011 in zaak nr. 201105916/1/V1 (www.raadvanstate.nl) heeft overwogen, volgt uit de jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg (hierna: het CTG)( onder meer de beslissing van 27 april 2010, in zaak nr. C2009/215 en de beslissing van 15 maart 2011, in zaak nr. C2010/126 (www.overheid.nl)), dat het BMA bij het uitbrengen van een advies aan de minister omtrent de medische situatie van een vreemdeling, indien en voor zover de door een behandelaar van de desbetreffende vreemdeling verstrekte informatie daartoe aanleiding geeft, dient te beoordelen of die informatie, mede gezien de hem reeds uit het dossier bekende gegevens over de medische situatie van die vreemdeling, aanleiding geeft tot gerede twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst dan wel het land waarnaar de vreemdeling wordt verwijderd, met name gelet op de aard van het trauma en de omstandigheden waaronder dat is veroorzaakt, althans gelet op die omstandigheden waaromtrent het BMA wel kan worden geacht zich uit te laten. Daarbij dient het BMA, voor zover nader onderzoek niet mogelijk is, in zijn advies dan wel nota in ieder geval melding te maken van die gerede twijfel.

2.4.4. Gezien de hiervoor onder 2.4.3 genoemde beslissingen van het CTG, die de Afdeling in dit kader als uitgangspunt neemt, heeft de arts van het BMA ten onrechte geen aanleiding gezien in het (gewijzigde) BMA-advies van 23 juli 2009 aandacht te besteden aan de veiligheid die door de behandelend psychiater wordt gesteld als voorwaarde voor een zinvolle behandeling van ptss van de vreemdeling. Daarbij is in aanmerking genomen dat deze behandelaar in zijn brief van 18 mei 2009 zijn oordeel over de noodzaak van een veilige behandelomgeving heeft toegespitst op de aard en het ontstaan van de psychische klachten van de vreemdeling. Gelet op deze concrete informatie had de arts van het BMA, op grond van omstandigheden die hij vanuit zijn deskundigheid kan beoordelen, zich in zijn advies gemotiveerd behoren uit te laten over de vraag of, in aanmerking genomen de aard en het ontstaan van de psychische klachten, al dan niet aanleiding bestond gerede twijfel te hebben over de effectiviteit voor de vreemdeling van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst. Een algemene beschouwing zoals opgenomen in de door het BMA, op verzoek van de minister, uitgebrachte aanvullende nota van 27 januari 2010 volstaat hier niet.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister, door het BMA-advies van 23 juli 2009 aan zijn besluit van 7 oktober 2009 ten grondslag te leggen, dat besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet heeft voorzien van een deugdelijke motivering.

De grief faalt.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.1. De minister, thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de minister van Immigratie, Integratie en Asiel griffierecht ten bedrage van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Roosmalen

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2012

53.

Verzonden: 2 april 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser