Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW1424

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
201101001/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de door de vreemdeling overgelegde informatie blijkt niet dat, anders dan vermeld in de door de minister aangehaalde informatie, artikel 120 van het Oezbeekse wetboek van strafrecht betrekking heeft op of betekenis heeft voor lesbische relaties. Alhoewel zowel uit de door de minster, als uit de door de vreemdeling overgelegde informatie kan worden afgeleid dat de positie van lesbiennes in Oezbekistan als moeilijk kan worden gekenschetst, biedt die informatie onvoldoende grond om reeds daarom te concluderen dat de vreemdeling bij terugkeer naar Oezbekistan in verband met haar geaardheid een risico op vervolging, dan wel een schending van artikel 3 van het EVRM loopt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/239

Uitspraak

201101001/1/V4.

Datum uitspraak: 3 april 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 23 december 2010 in zaak nr. 09/36952 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister, thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen als eerste tot en met derde grief is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.2. In de vierde grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan haar beroepsgrond dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij, gelet op haar seksuele geaardheid, in verband daarmee bij terugkeer naar Oezbekistan een reëel risico loopt op vervolging, dan wel op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Daartoe betoogt zij dat haar seksuele geaardheid niet in geschil is en verwijst zij naar haar door landeninformatie ondersteunde betoog in de bestuurlijke fase, alsmede in beroep dat homoseksuele handelingen in Oezbekistan strafbaar zijn en dat Oezbekistan een extreem homofoob land is.

2.2.1. In haar uitspraak heeft de rechtbank zich beperkt tot het oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege haar seksuele geaardheid in haar land van herkomst problemen heeft ondervonden. Aldus heeft de rechtbank haar oordeel beperkt tot de toetsing van het standpunt van de minister ten aanzien van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde feiten en heeft zij, nu de geaardheid van de vreemdeling niet in geschil is, ten onrechte het standpunt van de minister ten aanzien van het risico dat de vreemdeling bij terugkeer stelt te lopen op grond van die geaardheid niet getoetst.

De grief slaagt derhalve.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.4. In beroep heeft de vreemdeling betoogd dat de minister in zijn besluit ten onrechte niet nader heeft gemotiveerd waarom, gelet op haar seksuele geaardheid, geen sprake zou zijn van prima facie vluchtelingenschap, dan wel een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Oezbekistan. Daartoe wijst zij erop dat zij in de bestuurlijke fase verscheidene documenten heeft overgelegd, waaronder het rapport van het International Research Centre on Social Minorities "Sexual Minorities in Uzbekistan" van december 2005, een rapport van Reporters Without Borders van 12 februari 2008, informatie van Freedom House van juli 2008 en een rapport van het United States State Department van februari 2009, waaruit blijkt dat Oezbekistan een extreem homofoob land is waar homoseksuele handelingen strafbaar zijn gesteld. Datzelfde volgt uit informatie van de Human Rights Council van de Verenigde Naties, een rapport van Human Rights Watch van 26 maart 2010 en een internetartikel "Homofobie: Angst of Terreur" van de website http://spravka-isr.ru. Gelet op deze informatie valt niet in te zien waarom ten aanzien van homoseksuelen uit Oezbekistan niet eenzelfde beleid wordt gevoerd als ten aanzien van homoseksuelen uit Iran, aldus de vreemdeling. Voorts heeft zij betoogd dat uit het rapport Human Rights Watch Concerns on Uzbekistan van 8 juni 2009 blijkt dat foltering en onmenselijke behandeling inherent zijn aan het strafrechtelijk systeem in Oezbekistan, zodat zij, nu homoseksuele handelingen strafbaar zijn gesteld, een reëel risico loopt aan een dergelijke behandeling te worden onderworpen.

2.4.1. In zijn besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het betoog van de vreemdeling in haar zienswijze, dat homoseksualiteit strafbaar is in Oezbekistan en dat homoseksuelen derhalve een gegronde vrees voor vervolging hebben, dan wel een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM lopen, niet wordt gedeeld. Er is geen sprake van prima facie vluchtelingenschap of schending van artikel 3 van het EVRM. Dat Oezbekistan een extreem homofoob land zou zijn, als gesteld in de zienswijze en met stukken onderbouwd, kan in dit verband niet tot een ander oordeel leiden. De enkele opvatting dat de situatie voor homoseksuelen in Oezbekistan vergelijkbaar is met die in Iran en dat derhalve ten aanzien van homoseksuelen uit Oezbekistan een vergelijkbaar beleid dient te worden gevoerd als ten aanzien van homoseksuelen uit Iran, maakt het voorgaande niet anders, aldus de minister in zijn besluit.

2.4.2. Nu de minister in zijn besluit niet is ingegaan op de door de vreemdeling overgelegde informatie betreffende de situatie van homoseksuelen in Oezbekistan en zijn beoordeling van de aanvraag in zoverre heeft beperkt tot het niet nader gemotiveerde standpunt dat hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd niet kan leiden tot het aannemen van prima facie vluchtelingenschap of een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM, is het besluit waar het de zwaarwegendheid van de geloofwaardig geachte seksuele geaardheid van de vreemdeling betreft onvoldoende gemotiveerd.

2.5. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.6. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 15 september 2009 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigen.

2.7. De Afdeling ziet echter aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.8. Bij brief van 16 augustus 2011 heeft de Afdeling de minister verzocht om zich nader uit te laten over de positie van homoseksuelen en lesbiennes in Oezbekistan en daarbij gemotiveerd in te gaan op hetgeen de vreemdeling in dat verband onder verwijzing naar verschillende stukken in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd.

Bij brief van 30 augustus 2011 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het betoog van de vreemdeling is gebaseerd op de veronderstelling dat homoseksualiteit in Oezbekistan strafbaar is, terwijl, nog daargelaten of de enkele strafbaarstelling van homoseksualiteit een schending van artikel 3 van het EVRM oplevert, zij als lesbienne niet strafbaar is. Daartoe verwijst hij naar artikel 120 van het Oezbeekse wetboek van strafrecht, dat slechts vrijwillige gemeenschap tussen twee mannen strafbaar stelt, alsmede informatie van de International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association, het Human Rights Report van het United States State Department over 2010 inzake Oezbekistan en voormeld rapport van het International Research Centre on Social Minorities. Ook ten aanzien van de positie van homoseksuelen en lesbiennes in zijn algemeenheid verwijst de minister naar informatie van laatstgenoemde instantie. Nu de door de vreemdeling gesteld ondervonden problemen in Oezbekistan niet geloofwaardig zijn geacht, lesbische relaties in Oezbekistan niet strafbaar zijn en niet is gebleken dat de vreemdeling wegens haar seksuele geaardheid te maken heeft gehad met discriminatie komt zij op deze gronden niet in aanmerking voor de gevraagde verblijfsvergunning, aldus de minister.

Bij brief van 29 september 2011 heeft de vreemdeling, in reactie op voormelde brief van de minister en voor zover hier van belang, onder verwijzing naar voormelde rapporten van het International Research Centre on Social Minorities van december 2005 en Human Rights Watch van 26 maart 2010, alsmede het internetartikel van de website http://spravka-isr.ru, betoogd dat ook lesbische relaties onder artikel 120 van het Oezbeeks wetboek van strafrecht worden bestraft, dat aanvallen en discriminatie op grond van seksuele geaardheid en het strafbaar stellen van homoseksualiteit plaatsvinden zonder onderscheid tussen mannen en vrouwen en dat homofobie in Oezbekistan, eveneens zonder dat daarbij een dergelijk onderscheid wordt gemaakt, welig tiert.

2.9. Uit de door de vreemdeling overgelegde informatie blijkt niet dat, anders dan vermeld in de door de minister aangehaalde informatie, artikel 120 van het Oezbeekse wetboek van strafrecht betrekking heeft op of betekenis heeft voor lesbische relaties. Alhoewel zowel uit de door de minster, als uit de door de vreemdeling overgelegde informatie kan worden afgeleid dat de positie van lesbiennes in Oezbekistan als moeilijk kan worden gekenschetst, biedt die informatie onvoldoende grond om reeds daarom te concluderen dat de vreemdeling bij terugkeer naar Oezbekistan in verband met haar geaardheid een risico op vervolging, dan wel een schending van artikel 3 van het EVRM loopt. Nu voorts, gelet op hetgeen in 2.1. is overwogen, de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de problemen die de vreemdeling in verband met haar geaardheid in Oezbekistan reeds ondervonden stelt te hebben ongeloofwaardig zijn en in hoger beroep niet is bestreden dat ook overigens niet is gebleken dat de vreemdeling te maken heeft gehad met ernstige en systematische discriminatie ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat op grond van de door de vreemdeling overgelegde informatie niet kan worden geconcludeerd dat zij bij terugkeer naar Oezbekistan in verband met haar geaardheid een risico op vervolging, dan wel een schending van artikel 3 van het EVRM loopt.

2.10. De minister dient op na te melden wijze te worden veroordeeld tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 23 december 2010 in zaak nr. 09/36952;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 15 september 2009, kenmerk 0807-28-1505;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.529,50 (zegge: vijftienhonderdnegenentwintig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Verbeek

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2012

574.

Verzonden: 3 april 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser