Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0799

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
201109860/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2007 heeft de minister van Justitie het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109860/1/V6.

Datum uitspraak: 4 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Curaçao,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 augustus 2011 in zaak nr. 11/3381 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2007 heeft de minister van Justitie het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 1 maart 2011 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 7 oktober 2011. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. G.A.S. Maduro, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder toelating verstaan: instemming door het bevoegd gezag met het bestendig verblijf van de vreemdeling in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, adviseert de minister van Justitie van Curaçao omtrent het verzoek ten aanzien van hen die hun hoofdverblijf hebben in Curaçao.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, komt voor verlening van het Nederlanderschap slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Curaçao toelating en hoofdverblijf heeft.

Ingevolge artikel 10 kan, nadat de Raad van State van het Koninkrijk is gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap worden verleend in afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c.

2.3. In de toelichting op artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, in de Handleiding voor de toepassing van de RWN, toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint-Maarten is vermeld dat, voor zover thans van belang, verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning plaatsvindt met ingang van de dag waarop het bevoegd gezag de verblijfsvergunning heeft ondertekend en kan terugwerken tot de datum waarop de eerste vergunning was verlopen. Indien de vreemdeling tijdig, dat wil zeggen vóór de afloop van zijn verblijfsvergunning, verlenging heeft verzocht en het bevoegd gezag het verzoek inwilligt, is de vergunning in aansluiting op de eerdere vergunning verleend. Indien de vreemdeling niet tijdig om verlenging heeft gevraagd, dat wil zeggen pas na afloop van zijn verblijfsvergunning, is de vergunning op zijn vroegst pas vanaf de datum van ondertekening door het bevoegd gezag verleend en dus niet in aansluiting op de eerdere vergunning. Dit betekent dat er een verblijfsgat is ontstaan. Door het bestuursorgaan dat beslist op de aanvraag om verlenging wordt hierop een uitzondering gemaakt indien de aanvraag niet tijdig is ingediend wegens omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen.

In de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, is vermeld dat, voor zover thans van belang, in iedere zaak waarin bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie een gat in de verblijfsrechtelijke historie is geconstateerd, de Gouverneur van het eilandgebied hier nader onderzoek naar zal laten doen. Van dit onderzoek wordt een onderzoeksverslag gemaakt, dat vergezeld gaat van documentatie die de conclusie van het onderzoek onderbouwt. Het onderzoeksverslag in combinatie met het BOT is doorslaggevend voor het vaststellen of gedurende de onderzochte periode sprake is geweest van onafgebroken ‘toelating’ (verblijfsrecht) in Curaçao. Het onderzoeksverslag zal één van de volgende drie conclusies bevatten:

1. het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar te wijten aan de vreemdeling zelf en daarmee niet aanvaardbaar; dan wel

2. het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar verklaarbaar door de manier van administratieve afwikkeling van overheidszijde en daarmee aanvaardbaar; dan wel

3. de oorzaak van het gat in het verblijfsrecht is onbekend, maar door de vreemdeling is aannemelijk gemaakt dat hij/zij gedurende het gestelde gat in het verblijfsrecht onafgebroken in Curaçao en Sint Maarten heeft verbleven, en daardoor is het gat in het verblijfsrecht aanvaardbaar.

2.4. [appellante] heeft het verzoek om naturalisatie op 24 oktober 2005 ingediend.

In een bericht omtrent toelating van 9 november 2005 van het Bureau Vreemdelingenzaken Curaçao is vermeld dat [appellante] geen onafgebroken toelating heeft gehad als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN, nu sprake is van verblijfsgaten in de periodes van 25 september 2001 tot 23 oktober 2001, van 21 januari 2003 tot 25 februari 2003 en van 31 maart 2004 tot 13 april 2004.

In een brief van 17 augustus 2006 van de gezaghebber van Curaçao (hierna: de gezaghebber) is vermeld dat de verblijfsgaten betrekking hebben op administratieve onderbrekingen en niet dienen te worden aangemerkt als een onderbreking van haar legaal verblijf. Op grond van haar verblijfstitel bestaan voor [appellante] geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN, aldus de gezaghebber.

In een bericht omtrent toelating van 23 juni 2010 van het Bureau Vreemdelingenzaken Curaçao is herhaald dat [appellante], gelet op voormelde verblijfsgaten, geen onafgebroken toelating heeft gehad als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN. In een bijbehorend onderzoeksrapport is echter geconcludeerd dat de verblijfsgaten aanvaardbaar zijn, omdat [appellante] gedurende de verblijfsgaten in Curaçao heeft verbleven en in haar geval de verblijfsgaten zijn ontstaan door nalatigheid van haar werkgever.

2.5. Aan de afwijzing van het verzoek om naturalisatie heeft de minister ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN. Nalatigheid van de werkgever van [appellante] komt voor haar eigen rekening, zodat de gaten in het verblijfsrecht aantoonbaar aan haar zijn te wijten en daarmee niet aanvaardbaar kunnen worden geacht, aldus de minister.

2.6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zelfstandig mag beoordelen of sprake is van ten minste vijf jaren onafgebroken toelating voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie. Hiertoe voert zij aan dat uit de Handleiding volgt dat het aan de gezaghebber is om een onderzoek in te stellen naar eventuele verblijfsgaten en daarover een oordeel te vellen. Uit de brief van 9 november 2005 volgt dat de verblijfsgaten, zowel in het kader van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN, als in het kader van onderdeel c van die bepaling, [appellante] niet kunnen worden tegengeworpen. Door de verblijfsgaten toch tegen te werpen, heeft de minister in strijd gehandeld met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, alsmede het beginsel dat een behoorlijke belangenafweging dient te worden gemaakt, aldus [appellante].

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 26 oktober 2011 in zaak nr. 201100914/1/V6, bieden de artikelen 1, eerste lid, aanhef en onder g, 7, tweede lid, en 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN geen grond voor het oordeel dat de minister niet bevoegd is om af te wijken van advies dat door of namens de minister van Curaçao wordt uitgebracht. Uit de passage in de Handleiding waaruit volgt dat het bevoegde gezag in Curaçao onderzoek doet naar eventuele verblijfsgaten, kan niet worden afgeleid dat de minister het beleid voert dat hij zich aan een op basis daarvan uitgebracht advies gebonden acht. Hetgeen in de brief van de gezaghebber van 9 november 2005 en in het onderzoeksrapport behorend bij het bericht omtrent toelating van 23 juni 2010 is vermeld, maakt derhalve niet dat de minister reeds daarom niet mocht tegenwerpen dat niet aan het vereiste van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN is voldaan. Van strijd met de door [appellante] genoemde beginselen is geen sprake.

Het betoog faalt.

2.7. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de niet-tijdige indiening van de verlengingsaanvragen voor haar rekening komt en dat geen sprake is van vijf jaren onafgebroken toelating. Hiertoe voert zij aan dat, nu ten tijde van belang uitsluitend haar werkgever een verlengingsaanvraag kon indienen, de omstandigheid dat dit niet tijdig is gebeurd, niet aan haar is te wijten.

2.7.1. Onbestreden is dat [appellante] gedurende de verblijfsgaten niet rechtmatig in Curaçao verbleef en dat de verblijfsgaten zijn ontstaan, omdat niet tijdig verlengingsaanvragen zijn ingediend. De minister heeft de nalatigheid van de werkgever van [appellante] bij het indienen van de verlengingsaanvragen in redelijkheid voor haar rekening kunnen laten. Niet is gesteld dat zij enige poging heeft ondernomen haar werkgever te bewegen de verlengingsaanvragen tijdig in te dienen. De minister heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN.

Het betoog faalt.

2.8. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in haar geval geen aanleiding bestond voor toepassing van artikel 10 van de RWN. Zij voert in dit verband aan dat de verblijfsgaten zijn ontstaan buiten haar schuld en dat zij reeds vanaf augustus 1999 op grond van een verblijfsvergunning in Curaçao verblijft.

2.8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 juli 2003 in zaak nr. 200204721/1), heeft de minister bij de toepassing van artikel 10 van de RWN beoordelingsvrijheid waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort.

De minister heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellante] aangevoerde omstandigheden niet dermate bijzonder zijn dat aanleiding bestaat voor toepassing van artikel 10 van de RWN.

Het betoog faalt.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. den Dulk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Den Dulk

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2012

565.