Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0793

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
201109191/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2010 heeft het college geweigerd aan [appellant] reguliere bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van een akkerbouwloods op het perceel Brouwerskampweg ongenummerd te Son en Breugel (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109191/1/A1.

Datum uitspraak: 4 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Son, gemeente Son en Breugel,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 juli 2011 in zaak nr. 11/419 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2010 heeft het college geweigerd aan [appellant] reguliere bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van een akkerbouwloods op het perceel Brouwerskampweg ongenummerd te Son en Breugel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 28 december 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juli 2011, verzonden op 21 juli 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.R. Jansen, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied, 1e herziening" rust op het perceel de bestemming "agrarisch gebied". Ingevolge artikel 10, lid A, onder I, van de planvoorschriften mag de tot "agrarisch gebied" bestemde grond, voor zover hier van belang, uitsluitend worden bebouwd met bouwwerken ten dienste van een agrarisch bedrijf. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 5, wordt in deze voorschriften onder agrarisch bedrijf verstaan een volwaardig akkerbouw, weidebouw, bloementeelt, sierteelt, fruitteelt- of ander tuinbouwbedrijf, alsmede een volwaardig pluimvee-, varkens- en mestkalverenveehouderij, een volwaardige champignonkwekerij, dan wel een uit twee of meer van genoemde bedrijfstakken samengesteld bedrijf, al dan niet met vee, met uitzondering van een paardenfokkerij, paardenhouderij, een pelsdierhouderij en van een mammoetbedrijf voor intensieve veehouderij. Een volwaardig agrarisch bedrijf heeft een omvang van tenminste een éénmansbedrijf met een daarbij passende arbeidsomvang en met een daaruit redelijkerwijze te verwachten passend bedrijfsinkomen.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, geen bouwvergunning van rechtswege is verleend. Daartoe voert hij aan dat uit het enkele feit dat hij zelf de bouwaanvraag heeft ingediend, niet de conclusie kan worden getrokken dat het op te richten bouwwerk niet ten dienste van het vleeskalverenbedrijf "Heidelust" van de Maatschap [appellant] - Van Gerven (hierna: de maatschap) zal staan. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan de bouwaanvraag volgens [appellant] niet door de maatschap worden ingediend, nu deze geen verplichtingen met derden kan aangaan. Voorts voert hij aan dat tijdens de gehele procedure duidelijk is geweest dat het bouwwerk ten dienste zal staan van voormeld bedrijf, althans ten dienste zou kunnen staan.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 september 2011 in zaak nr. 201011739/1), dient bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dient mede te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of in relevante mate zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

2.2.2. Volgens de bouwaanvraag voorziet het bouwplan in het oprichten van een akkerbouwloods op het perceel. De akkerbouwloods zal volgens de aanvraag worden gebruikt voor agrarische doeleinden. Naar aanleiding van het voornemen van het college om de gevraagde vergunning te weigeren, heeft [appellant] het college bij brief van 2 april 2010 medegedeeld dat de bouwvergunning wordt aangevraagd door de maatschap en ten dienste zal staan van het bedrijf van de maatschap. Het college kon, gelet op het voorgaande, uit het enkele feit dat de maatschap op de bouwaanvraag niet als aanvrager is vermeld, niet afleiden of het beoogde gebruik al dan niet in overeenstemming is met de op het perceel rustende bestemming en het had op de weg van het college gelegen nader onderzoek te doen alvorens ter zake een besluit te nemen. Door dit onderzoek achterwege te laten heeft het college gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 28 december 2010 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 juli 2011 in zaak nr. 11/419;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel van 28 december 2010, kenmerk 100016005;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 377,00 (zegge: driehonderdzevenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2012

531-712.