Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0792

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
201108606/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2009 heeft het college aan [partij] reguliere bouwvergunning verleend voor het herbouwen van een veldschuur/vleesvarkenstal op het perceel [locatie A] te Valkenswaard (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201108606/1/A1.

Datum uitspraak: 4 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant]), wonend te Valkenswaard,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 juni 2011 in zaak nr. 10/1657 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2009 heeft het college aan [partij] reguliere bouwvergunning verleend voor het herbouwen van een veldschuur/vleesvarkenstal op het perceel [locatie A] te Valkenswaard (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 april 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juni 2011, verzonden op 29 juni 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 april 2010 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.J.M. Jordense, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.G.W. van Heugten, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij] ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, houden burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel 46, eerste lid, de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist. Ingevolge artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang, is het verboden zonder een daartoe verleende vergunning een inrichting:

a. op te richten;

b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;

c. in werking te hebben. Ingevolge artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, vervalt de vergunning voor een inrichting, indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 april 2010 in stand heeft gelaten. Daartoe voert hij aan dat, nu de verleende milieuvergunning ingevolge artikel 8.18 van Wet milieubeheer is komen te vervallen, het college de bouwaanvraag had dienen aan te houden.

2.2.1. Bij besluit van 21 augustus 2001 heeft het college aan [partij] een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij, voor zover deze betrekking heeft op het houden van 109 vleesvarkens op het perceel. Bij uitspraak van 18 september 2002 in zaak nr. 200105184/2 heeft de Afdeling het daartegen door onder meer [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard en is de vergunning onherroepelijk geworden. Gelet op het bepaalde in artikel 8.18, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer diende de inrichting voor 18 september 2005 voltooid en in werking te zijn gebracht om te voorkomen dat de vergunning zou komen te vervallen. In voormelde uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat aannemelijk is dat de inrichting vóór 1 januari 1987 is opgericht en sindsdien is blijven voortbestaan. De bij besluit van 21 augustus 2001 verleende vergunning dient ter legalisering van die inrichting. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat de omstandigheid dat incidenteel en gedurende korte tijd geen dieren aanwezig zijn geweest, niet meebrengt dat de inrichting is beëindigd. Zoals [partij] ter zitting heeft toegelicht, wordt de veldschuur/vleesvarkensstal gebruikt als overloopvoorziening. Er worden dus niet het gehele jaar door varkens gehouden. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank, anders dan [appellant] betoogt, terecht aannemelijk gemaakt geacht dat de inrichting voor 18 september 2005 is voltooid en in werking gebracht. Dat, zoals [appellant] stelt, uit een brief van het college van 21 juli 2004 zou volgen dat er geen varkens in de veldschuur/vleesvarkensstal zouden zijn aangetroffen, leidt, gelet op het voorgaande, niet tot een ander oordeel. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat uit een brief van het college van 23 november 2004 volgt dat bij een controle door de toezichthouder van de gemeente op 15 november 2004 is gebleken dat de inrichting op het perceel overeenkomstig de voorschriften in werking was. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de milieuvergunning niet is vervallen en dat, nu er geen grond is om de bouwvergunning te weigeren, de aanhoudingsplicht niet van toepassing is op de onderhavige bouwaanvraag. Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2012

531-712.