Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0791

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
201107296/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 10 november 2009 heeft het college vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het bouwen van een woning op het perceel kadastraal bekend als gemeente Veldhoven, sectie G, nummers 207 en 908 (hierna: het bouwplan Zandoerle) en voor het bouwen van een woning op het perceel kadastraal bekend als gemeente Veldhoven, sectie G, nummer 908 (hierna: het bouwplan Banstraat).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201107296/1/A1.

Datum uitspraak: 4 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Veldhoven (hierna in enkelvoud: [appellant A]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 mei 2011 in zaak nrs. 10/2660, 10/2661, 10/2662 en 10/2663 in het geding tussen:

1. [appellant A] en

2. [bezwaarmakers] (hierna in enkelvoud: [bezwaarmaker])

en

het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 10 november 2009 heeft het college vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het bouwen van een woning op het perceel kadastraal bekend als gemeente Veldhoven, sectie G, nummers 207 en 908 (hierna: het bouwplan Zandoerle) en voor het bouwen van een woning op het perceel kadastraal bekend als gemeente Veldhoven, sectie G, nummer 908 (hierna: het bouwplan Banstraat).

Bij uitspraak van 20 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant A] en [bezwaarmaker] tegen beide besluiten ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen het bouwplan Zandoerle en het besluit dat betrekking heeft op dit bouwplan vernietigd. De rechtbank heeft het beroep voor zover dat is gericht tegen het bouwplan Banstraat ongegrond verklaard en het verzoek tot veroordeling van het college tot vergoeding van de door [appellant A] gestelde schade afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant A] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 juli 2011.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2012, waar [appellant A], bijgestaan door mr. G. Bussink-Klein Wolterink, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Swinkels en mr. M. Diemel, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarin is geoordeeld over het bouwplan Banstraat (hierna: het bouwplan).

2.2. Op het perceel waar de woning is voorzien, rust ingevolge het ter plaatse geldende wijzigingsplan "Bestemmingsplan Zandoerle wijziging II" (hierna: het wijzigingsplan) de bestemming "Landelijk wonen, tuin en erf".

Ingevolge artikel 5.1.1. van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor landelijke woonbebouwing en tuinen en erven, met de bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 5.2.1., onder b, is per bebouwingszone slechts één woning toegestaan.

Ingevolge artikel 5.2.2., onder c, mogen woningen uitsluitend worden gesitueerd binnen de bebouwingszones.

2.3. Het bouwplan is in strijd met het wijzigingsplan, omdat daarin geen extra woningen op het perceel zijn toegestaan. Om het bouwplan niettemin te kunnen realiseren heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dat luidde ten tijde van belang, vrijstelling van het wijzigingsplan verleend.

2.4. [appellant A] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, WRO, omdat niet voldaan is aan de daarvoor geldende voorwaarden opgenomen in de bij besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 16 mei 2006 vastgestelde categorieën zoals genoemd in de "Categorieën van gevallen ex artikel 19, lid 2 WRO provincie Noord-Brabant 2006" (hierna: het categoriebesluit). Daartoe voert hij aan dat de bestemming Landelijk gebied, wonen en erf niet gezien kan worden als een bestemming gericht op intensieve bebouwing zoals bedoeld in paragraaf III categorie stedelijk gebied van het categoriebesluit. [appellant A] stelt voorts dat niet voldaan wordt aan de in paragraaf III van het categoriebesluit gestelde voorwaarde dat het project moet passen binnen de indicatie van de toename van de woningvoorraad per gemeente, zoals deze periodiek door de provincie wordt vastgesteld. Er moet voorrang worden verleend aan particuliere initiatieven tot de bouw van woningen die niet strijdig zijn met het geldende planologisch regime boven daarmee strijdige initiatieven, aldus [appellant A].

2.4.1. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, zoals dat luidde ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.4.2. Ingevolge paragraaf III van het categoriebesluit mag, voor zover hier van belang, op gronden in de bebouwde kom, niet behorend tot een bedrijventerrein, met een bestemming gericht op intensieve bebouwing zoals woondoeleinden (inclusief tuin/erf), in afwijking van de bestemming en/of bijbehorende planvoorschriften met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, vrijstelling worden verleend voor de volgende projecten, mits deze naar aard en omvang passen binnen de ruimtelijke (stedenbouwkundig en functioneel) uitgangspunten van het bestemmingsplan en de aard, schaal en functie van de kern:

a. (…)

b. het realiseren van een of meerdere woningen, met inbegrip van bijgebouwen, mits passend binnen de indicatie van de toename van de woningvoorraad per gemeente, die periodiek door de provincie wordt vastgesteld op basis van een actualisering van haar bevolkings- en woningbehoefteprognose, en passend binnen de afspraken die hierover zijn gemaakt in de uitwerkingsplannen voor de stedelijke en landelijke regio's (Streekplan 2002);

c. (…).

2.4.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de bestemming Landelijk wonen, tuin en erven gericht is op intensieve bebouwing zoals bedoeld in paragraaf III van het categoriebesluit. Uit de omschrijving van de bestemmingen gericht op intensieve bebouwing in het categoriebesluit blijkt dat daaronder ook de bestemming woondoeleinden (inclusief tuin/erf) is begrepen. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat uit de luchtfoto van het betreffende gebied blijkt dat de gronden waarop het bouwplan is geprojecteerd, aansluiten op de gebouwen welke zijn gelegen direct aansluitend op de woonkern en daarmee behoren tot de bebouwde kom. De rechtbank heeft eveneens met juistheid overwogen dat voldoende aannemelijk is dat het bouwplan past binnen de indicatie van de toename van de woningvoorraad. Bij de toetsing aan dit criterium in het kader van de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO is de gemeente, anders dan [appellant A] betoogt, niet gehouden onderscheid te maken tussen met het wijzigingsplan in overeenstemming zijnde en daarmee strijdige initiatieven. Gelet hierop heeft de rechtbank het college terecht bevoegd geacht om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen voor het bouwplan.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant A] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat aan het besluit tot verlening van de vrijstelling voor het bouwplan geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd. Daartoe voert hij aan dat het bouwplan een dusdanig grote inbreuk maakt op het woon- en leefklimaat en het conserverende karakter van het bestemmingsplan, dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten daarvoor vrijstelling te verlenen. Voorts voert hij aan dat de Flora- en Faunawet aan verlening van de vrijstelling in de weg staat, omdat onvoldoende onderzoek is verricht naar de aanwezigheid van vleermuizen in de, alvorens het bouwplan kan worden gerealiseerd, te slopen schuur aan de Banstraat.

2.5.1. De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van het college, waarbij het beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

Het college heeft aan zijn besluit om vrijstelling te verlenen de toelichting en voorschriften van het, niet verder in procedure gebrachte, ontwerpbestemmingsplan Zandoerle, herziening Banstraat/Zandoerle, versie maart 2009 (hierna: het ontwerpbestemmingsplan) ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft overwogen dat de inpasbaarheid van het bouwplan in de bestaande omgeving in de ruimtelijke onderbouwing voldoende is toegelicht en dat is ingegaan op de planologisch relevante aspecten. Daarnaast wordt, volgens de rechtbank, een voldoende beoordeling gegeven van onder meer de milieuaspecten, natuurwaarden, cultuurhistorie en de economische uitvoerbaarheid. In hetgeen [appellant A] aanvoert, kan geen grond worden gevonden voor een andersluidend oordeel.

2.5.2. In hetgeen [appellant A] aanvoert, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat.

2.5.3. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de afstand tussen de op te richten woning en de woning van [appellant A] 28 meter bedraagt en de woning van [appellant A] aan de zijde van het bouwplan is omgeven door een erfafscheiding. De rechtbank heeft op grond daarvan terecht overwogen dat niet aannemelijk is dat het bouwplan een zodanige inbreuk op het woon- en leefklimaat van [appellant A] maakt dat het college op grond daarvan in redelijkheid geen vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

2.6. Het betoog van [appellant A] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden, faalt nu hij die gevallen niet heeft benoemd en zijn stelling derhalve onvoldoende met feiten heeft onderbouwd.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2012

407-724.